BLITS (DIANA)
Diana Blits (Antwerpen, 29-9-1932)1
Diana's vader was Willem Blits (Amsterdam, 15-8-1910). Hij was de jongste in het grote gezin van Samuel Blits (Amsterdam, 21-7-1879) en Dina Maij (Amsterdam, 9-12-1877).
Gezin Blits-Maij
Van de tien kinderen, die allen in Amsterdam werden geboren, overleden het eerste, zevende en negende voor het eerste levensjaar: Isaac 1 (28-7-1897), Herman (24-4-1905) en Anna Josephina (28-1-1909). Isaac 2 (30-10-1903) stierf op zijn 7de. De andere broers en zussen van Willem waren Leonore (5-10-1898), Marianne (22-2-1900), Margaretha (24-4-1901), Abraham (6-7-1902) en Elias (19-6-1908). Het gezin verhuisde tot 1919 twaalf keer. Eind 1919 woonde men op de Nieuwe Keizersgracht 64, samen met Dina's vader Abraham Maij en diens vrouw Lea Zomerplaag. In de jaren daarna woonden ze afwisselend in Nederland en België.
Geboorte Diana
Willem Blits kreeg in Antwerpen kennis aan een niet-joodse vrouw, Johanna Hendrika ('Sjanneke') Ceelen (Antwerpen, 17-11-1908). Haar noch zijn ouders accepteerden de gemengde relatie. Aan joodse zijde werd Willems keuze als 'een schandaal' ervaren. In 1932 werd hun dochter Diana geboren, in België meestal 'Dianeke' genoemd. De wederzijdse families bleven bij hun afwijzing en het kwam niet tot een wettig huwelijk tussen de geliefden. Willem zorgde wel voor de juridische erkenning van Diana. Willem Blits was een veelzijdig musicus. Hij speelde viool -hij bezat zelf drie violen-, klarinet en saxofoon. Ook speelde hij in diverse orkesten. Zijn moeder was eveneens muzikaal. Diana kreeg van haar pianoles.
Vertrek uit België
Op 1 september 1939 vielen Duitse troepen Polen binnen. Twee dagen later verklaarden Engeland en Frankrijk nazi-Duitsland de oorlog. De ouders Blits wilden terug naar Nederland, maar hadden er geen huis meer. Zij konden voorlopig bij hun dochter Leonore terecht, die in Scheveningen woonde. Ook Marianne woonde daar met haar gezin. De ouders stonden erop dat Willem mee zou gaan, met zijn dochter, maar zonder zijn vrouw. Sjanneke had geen huwelijksrechten en bleef noodgedwongen in Antwerpen achter. Ze kon de scheiding van haar man en kind niet verwerken en verdronk zichzelf niet lang daarna.
Scheveningen
Leonore en David Brilleslijper-Blits dreven in de kustplaats een hotel aan het Gevers Deynootplein. Ze hadden dat vernoemd naar de beginletters van hun eigen voornamen en die van hun dochter Rosa: hotel Danoro. Volgens Diana keek je vanuit het hotel uit op het Kurhaus. Na enige tijd vond men in de directe omgeving, Middelburgschestraat 1b, voor de ouders Blits, Willem en Diana een eigen woning. Deze straat loopt parallel aan de Hartsenhoekweg, waar Marianne met haar man Alexander en hun zoons Benjamin en Samuel (Amsterdam, 6-5-1934) woonden op nummer 31. Alle woningen lagen hooguit vijfhonderd meter van de zee.
Oorlog
Vanaf 1 mei 1941 mochten joden niet meer op het strand komen. Diana ging vanaf 1 september 1941 naar de joodse school waar ook nichtje Rosa les kreeg. Ze maakte begin mei 1942 de invoering van de jodenster mee. Hoewel ze half-joods was, droeg ze het merkteken, net als haar vader en grootouders. Vermoedelijk speelde een rol dat de status van haar voljoodse vader duidelijk was, terwijl die van haar overleden, niet-joodse moeder bewezen moest worden. Vanwege de aanleg van de Atlantikwall werden begin april 1942 duinen en strand van Scheveningen tot verboden terrein verklaard. 309 huizen werden ontruimd. De bewoners kregen vervangende woonruimte.2 Het is de vraag of dat laatste ook voor joden gold.
Deportaties
Al in augustus 1942 begonnen vanaf het Scheveningse huis van bewaring deportaties. Marianne Polak-Blits, haar man en kinderen werden die maand weggevoerd. Zij en haar zoon Samuel werden in Auschwitz vergast op of rond 30 augustus 1942. Alexander en Benjamin kwamen op 30 april 1943 om het leven in een werkkamp in Midden-Europa. Nora, David en Rosa Brilleslijper-Blits doken onder. In 1944 werd Rosa verraden. De afspraak was dat in een dergelijk geval ook de anderen zich zouden aangeven. Het gezin werd alsnog gedeporteerd, maar overleefde de oorlog.
Amsterdam
Samuel, Dina, hun zoon Willem en hun kleinkind Diana gingen al of niet legaal naar Amsterdam. Vermoedelijk woonden zij bij Willems jongere broer Abraham, zijn vrouw Alida Wurms en hun zes kinderen. Hun woning lag aan de Louis Bothastraat 10 II. De kinderen heetten Dina, Rebecca, Samuel, Andries, Elias en Leonora. De meeste gezinsleden hebben dezelfde overlijdensdatum als Samuel en Dina Blits-May. Op Abraham en Dina na werden allen op 12 oktober 1942 in Auschwitz vergast. Abraham kwam op 31 januari 1943 in Auschwitz om het leven. Dina junior stierf op dezelfde datum als haar oom Willem.
Vader
Willem en Dina Blits werden al in september 1942 gedeporteerd en op de 30ste van die maand in Auschwitz vermoord. Diana hoorde wat betreft haar vader na de oorlog de reden. Willem besloot op een gegeven moment dat zijn dochter niet bij hem kon blijven en bracht haar naar een ander adres. Op straat kochten ze een ijsje. "Zoek maar uit wat je hebben wilt", zei hij, en: "Ik ben trots op je." Ze gingen naar de joodse familie Kan-van Rees in de Amsterdamse Grensstraat 6 III. Willem Blits had de geboorte-akte van Diana bij zich, waaruit bleek dat zij halfjoods was. Bij vreemden zou dat opvallen. Waarom zij niet bij een christelijke moeder werd gebracht, wist Diana niet. Haar vader liet haar bij het gezin Kan en liep de straat uit. Dat was het laatste dat zij van hem zag. Thuisgekomen ging hij de deur uit en sloot zich aan bij een razzia die aan de gang was. Moeten afwachten wat er met hemzelf en met zijn dochter zou gebeuren, kon hij niet. Tot in haar volwassen leven heeft zij over haar vader gedroomd.
Gastouders
Vermoedelijk begin oktober werd ook het gezin Kan weggehaald. Verkoopster Carolina Kan-van Rees (Amsterdam, 25-11-1902) werd op 8 oktober 1942 in Auschwitz vermoord. Haar man, hoedenmaker Simon (Gieten, 25-11-1902), stierf er op 31 januari 1943. Zijn familielid Meyer Kan (Meppel, 2-11-1866) kwam in hetzelfde kamp tien dagen eerder om het leven. Op de avond dat de politie bij het gezin Kan kwam, lag Diana in bed. Ze had haar geboorteakte naast zich. Het echtpaar Kan maakte de politie duidelijk dat zij het kind van een ander was en bovendien halfjoods. Een politieman keek met een lantaarn in haar gezicht, controleerde de akte en liet het meisje achter. Diana lag doodsbang in haar bed. Toen alles stil was, kwam de niet-joodse buurvrouw over het dak naar binnen en nam de bijna 10-jarige Diana mee.
Voogden
De buren waren vermoedelijk van tevoren op de hoogte. Zij meldden Diana aan bij de Voogdijraad. Haar eerste voogd was mejuffrouw G. van den Bergh van de Heiligeweg 33. Daar bleef ze maar kort. Niet lang daarna werd het echtpaar Gebhard uit Zaandam tot voogdijouders aangesteld. Fredrik Coenraad Adriaan Gebhard3 was in 1938 directeur van Zwaardemaker's Handel en Industrie N.V. in Zaandam. De fabriek verwerkte gort en produceerde veevoeder. Gebhard was tot haar dood in 1936 gehuwd met Anna Maria Zwaardemaker. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Elske (1919) en Annie Jemieke (1925). Gebhards tweede vrouw heette Welmoet Pelt. Het gezin woonde in 1938 aan de Bootenmakersstraat 141.
Familie Sap
Feitelijk verbleef Diana echter bij het echtpaar Sap op de Prins Hendrikstraat 92 in Zaandam, 'naast melkboer Brouwer'. Ch.P. ('Chris') Sap was metaaldraaier. Mien Sap kwam vaak in de Amsterdamse Grensstraat bij buren van Simon en Caroline Kan. Zij had een zoon, Chris, en wilde ook graag een dochter. De voogdijraad achtte het blijkbaar noodzakelijk dat een ander, prominent echtpaar als officiële voogden fungeerde. Tijdens de oorlog bezocht Diana mevrouw Gebhard regelmatig. De familie woonde aan de Provincialeweg. Frederik Gebhard was toen directeur van de Kamer van Koophandel. Soms kreeg ze van mevrouw Gebhard iets extra's mee, zoals koek van Verkade.
Sicherheitsdienst
In Zaandam ging Diana weer naar school, de openbare school aan het Kattegat. De laatste oorlogsjaren werd er overigens vaak geen les gegeven op deze 'Kattegatschool'. Hoofdonderwijzer J. Klaver steunde haar en liet haar in de klas regelmatig voorlezen. Ze droeg geen jodenster, maar haar aanwezigheid bij het gezin Sap bleef niet onopgemerkt. Toen er een keer werd aangebeld, deed Diana het luikje in de deur open. Ze zag een man in een zwart uniform. Hij stak de loop van een vuurwapen door het luikje en zei dat ze open moest doen. Diana schrok, maar deed niet wat hij vroeg. Tante Mien had haar gewaarschuwd dat ze nooit de deur mocht openen. Niet lang hierna kwam een oproep van de aan de Amsterdamse Euterpestraat gevestigde Sicherheitsdienst. Mien Sap moest Diana daar afgeven. Joden die zonder ster werden betrapt, dienden ter beschikking van de dienst te worden gesteld.4 Het liep echter anders. Mien Sap lichtte de familie Gebhard in. Voorzien van officiële documenten van de Voogdijraad en Diana's geboorteakte verscheen Mien met het meisje bij de SD. Een vriendelijke vrouw verwelkomde hen en zei: "Ik neem haar mee." Diana werd naar een kantoortje gebracht waar papier en potloden lagen. De vrouw was mogelijk van het verzet en op de hoogte van het bezoek. Intussen werd Mien in een grote, drukbevolkte ruimte onder veel geschreeuw en gescheld verhoord. Alle papieren waren echter in orde en ze konden samen terug naar huis.
Kopgeld
Later begreep Diana dat de man in het uniform die zo plotseling voor de deur stond vermoedelijk Hendrik van der Kraan was. Hij was rechercheur en lid van de Kolonne Henneicke. Van der Kraan woonde op de Prins Hendrikstraat 130. Hij bracht op 24 mei 1943 Iris Eisendrath* aan en in februari 1944 ook de weduwe Geertruida Pel-Groot die eveneens op de Prins Hendrikstraat woonde en Marion Swaab* verborg. Het 'kopgeld' dat op het aanbrengen van joden stond was 7,50 gulden.5 Van der Kraan arresteerde meer dan 150 joden. In 1948 werd hij hiervoor ter dood veroordeeld, hetgeen een jaar later in levenslang werd gewijzigd. Hendrik van der Kraan stierf in 1955 in gevangenschap.
Vervolg
Diana bleef ook na de bevrijding bij de familie Sap. Ze woonde in totaal acht jaar bij hen en had het er goed. Maar het was niet haar eigen familie. Ze miste haar moeder en vader, haar grootouders en de andere familieleden, over wie ze beetje bij beetje hoorde op welke manier zij waren gestorven.
Margaretha Blits overleefde in Zandvoort, waar ze als gemengd gehuwde leefde. Leonora Sap en haar gezin maakten eveneens het einde van de bezetting mee. In 1952 trouwde Diana met Gerardus Lambertus Hottentot (Oostzaan, 16-11-1933). Het echtpaar kreeg drie kinderen: Cornelis Jeanine (1955), Willem Martin (1958) en Maartje Cornelia (1964).
1 Mededelingen van Diana Hottentot-Blits uit Oostzaan (maart 1999 en oktober 2006); Gezinskaart Amsterdam; www.joodsmonument.nl
2 Zijl, A. van der Sonny Boy (p. 59). De hoofdpersonen in dat boek hadden een hotel in de strandzone, aan de Zeekant. Zij kregen woonruimte in Rijswijk
3 www.iisg.nl/ondernemers/pdf/pers-0508-02.pdf
4 Presser, o.c. I (p. 223)
5 H9; Presser, o.c. II (p. 179); www.joodsmonument.nl; Liempt, Ad van Kopgeld, Nederlandse premiejagers op zoek naar joden