BELINFANTE (DANIëL)
Gezin Daniël Belinfante (Amsterdam, 8-1-1900) en Sientje Belinfante-de Vries (Lexmond, 4-9-1895) met Gerrit (Amsterdam, 3-5-1920) en Helena (Amsterdam, 13-8-1921), alsmede (waarschijnlijk) Abraham (Amsterdam, 31-5-1925)1
Daniël en Sientje trouwden op 10 december 1919 met elkaar. Daniël was aanvankelijk sigarenmaker en later kleermaker, zoon Gerrit winkelbediende en dochter Helena kostuumnaaister. Het gezin Belinfante had een zaak in herenconfectie op de Haarlemmerdijk 27 in Amsterdam. Vader en zoon stonden in februari 1941 geregistreerd op de Amsterdamse Sint Antoniebreestraat 17 II, Sientje op de Haarlemmerdijk 3 II en dochter Helena met haar man Johann Jobst Staneke (Amsterdam, 23-11-1918) op de Nieuwendijk 3 II. Helena en de niet-joodse Johann traden op 10 april 1940 in het huwelijk.
Inbraak
Op 24 maart 1941 was het adres van Daniël en Sientje weer de Haarlemmerdijk 27 hs. Daar zouden ze minstens een jaar blijven, want op 21 april 1942 deed Daniël aangifte van en inbraak in zijn winkel. Daarbij werden kleren en coupons stof gestolen. Later dat jaar zochten en vonden de Belinfantes een schuilplaats om aan de jodenvervolging te ontkomen. De gezinskaart meldt op 30 december 1942 de notitie 'VOW' (vertrokken onbekend waarheen). Het gezin was toen overigens al gearresteerd.
Verraad
Het gezin Belinfante, zonder Johann, dook gezamenlijk onder in Zaandam, vermoedelijk na het krijgen van een oproep voor Westerbork. De Zaanse verzetsstrijder Mijndert van der Horst schreef op 23 september 1942 in zijn dagboek: "Dezelfde dag, na het plegen van verraad, volgt een inval in de woning van Klaas Gerrit Schaap, in de Zuiderkerkstraat no. 14. Men vindt er Joodse onderduikers." Dan volgen de boven vermelde namen, met uitzondering van zoon Gerrit (die wel aanwezig was). De dienstdoende Zaandamse agenten Talma en Brandsma, die in opdracht van de Sicherheitsdienst het gezin aanhielden, schreven in hun rapport aan de burgemeester: "De vier, tot het Joodsche ras behoorend, waren de gemeente Amsterdam ontvlucht en hielden zich, zonder dat zij een 'Davidsster' droegen, in deze gemeente schuil." Van der Horst: "Zij worden overgebracht naar de Euterpestraat te Amsterdam." Dat gebeurde op 23 september, de dag van hun aanhouding. In het voormalige schoolgebouw van de meisjes-hbs aan de Euterpestraat 91-109 was de Sicherheitsdienst gevestigd.
Kamp
De gezinsleden ondergingen niet allen hetzelfde lot. Daniël Belinfante kwam in kamp Vught terecht en overleed daar op 22 februari 1943. Echtgenote Sientje Belinfante-de Vries stierf een maand na het verraad: op 26 oktober 1942 werd ze in Auschwitz om het leven gebracht. Zoon Gerrit werd op 30 april 1943 in Sobibor vergast. Dochter Helena overleefde de genocide.
Vijfde onderduiker
Houtwerker Klaas Schaap (1908) ging van de Euterpestraat naar de gevangenis aan de Amstelveenscheweg en vervolgens naar het beruchte kamp Amersfoort. Daar verloor hij de pink van zijn rechterhand. Zijn linkerhand raakte grotendeels onbruikbaar. Van Amersfoort werd hij doorgestuurd naar kamp Vught. Hij kwam op 10 maart 1944 vrij. Hoe het verliep met de eveneens op 23 september opgepakte fabrieksarbeider Cornelis Dunnebier (1892), die evenals Schaap werd verdacht van het onderdak verschaffen van de Belinfantes, is niet bekend. Dunnebier woonde op het Adama van Scheltemaplantsoen 16. Volgens de echtgenote van Klaas Schaap herbergde de woning aan de Zuiderkerkstraat 14 nog een vijfde, niet bij naam genoemde joodse onderduiker, maar wist die op de ochtend van de arrestaties het huis te ontvluchten, 'met medeneming van een jas van de buren'. Waarschijnlijk ging het om de jongste zoon, Abraham. Evenals zijn zuster overleefde hij de oorlog. Helena scheidde van haar man en hertrouwde vervolgens met de timmerman Rubin Leib Hirschhaut (Dobromil, Polen, 4-2-1918).
1 H8a; Mededeling van Erik Schaap (maart 2006) en Henk Krigee uit Zaandam (24-11-2009); www.joodsmonument.nl; Gemeentearchief Zaanstad; Gezinskaart Amsterdam; GAA-Politierapporten 1940-1945