Krommenie > Joodse onderduiker

POINTL (FRANS)


Frans Pointl (Amsterdam, 1-8-1933)1

 

De kleine Frans Pointl dook tijdens de oorlog onder bij het gezin Besse-Koeter, dat op de Uitweg 22 in Krommenie woonde.

 

Familie

Pointl was naar eigen zeggen de buitenechtelijke zoon van een 45-jarige pianiste en een onbekende vader. Zijn moeder had in haar huwelijk vermoedelijk een avontuurtje, waaruit Frans voortkwam. Zijn wettige vader is wel bekend. Uit het Amsterdamse bevolkingsregister blijkt dat Frans' moeder, de gesprekstelegrafiste Rebecca van Dam (Amsterdam, 23-8-1889), op 30 april 1924 was getrouwd met de niet-joodse weduwnaar Christian Pointl (Hallein/ Salzburg, 19-12-1889). Het beroep dat hij opgaf was 'bedrijfsleider'. Christian sr. was in september 1919 met zijn gelijknamige zoon (Traunstein, 21-1-1913) vanuit het Oostenrijkse Innsbruck naar Nederland gekomen. Pointl was een pionier in de film- en fotowereld.2 Met zijn verloofde en eerste echtgenote Anna Kleinmann had hij vanaf 1911 een bioscoop in Traunstein (in Zuid-Oost-Beieren), het 'Kinomatographentheater'. In Nederland duikt zijn naam op als 'directeur fotografie' bij een Duitse verfilming van Op hoop van zegen ('Die Fahrt ins Verderben') uit 1924 en bij een film van de Zaankanter Dick Laan, Voetbal (1927). Frans portretteerde hem in het autobiografische gedicht Krommenie 1943 (zie onder) als 'een drukdoende man met een fototoestel'.3

 

Haarlem

In 1927 trokken Rebecca en vader en zoon Pointl naar Haarlem. Ze gingen wonen aan het Spaarne 59. Frans werd zes jaar later in Amsterdam geboren. Hij schreef in een autobiografische notitie dat men in 1938 naar Heemstede verhuisde.4 Daar scheidde zijn moeder van haar echtgenoot. Frans werd in een naar eigen zeggen '(niet zo leuk) kindertehuis ondergebracht' en zijn moeder ging weer pianolessen geven.

 

'Evacuatie'

Door de scheiding was Rebecca van Dam in de ogen van de nazi's een voljoods gezinshoofd, onbeschermd door een gemengd huwelijk. Haar zoon werd ook als voljoods beschouwd, tenzij de niet-joodse identiteit van de vader bewezen kon worden. In 1942 werden moeder en zoon gedwongen Heemstede te verlaten, als gevolg van de 'evacuatie' waaraan de Noord-Hollandse voljoden (uitgezonderd die van Haarlem) in de eerste helft van 1942 onderworpen werden. De officiële 'evacuatie'-datum voor de gemeenten rond Haarlem was 30 maart.5 In 1999 publiceerde Frans Pointl het verhaal Retour Krommenie, dat tot leidraad van dit lemma dient. Alleen waar andere, historisch aannemelijke  informatie voorhanden is wordt er van afgeweken. Hierin staat Pointls commentaar op de verbanning: "Wij zijn joden en dat kunnen we niet helpen, evenmin als de kat het kan helpen dat ze als kat ter wereld is gekomen."6

 

Amsterdam

Uit het gedicht Krommenie 1943 mag men afleiden dat Frans bij zijn verhuizingen steeds zijn 'blauwe autoped uit Heemstede' meenam. Die had geen luchtbanden, maar massieve. Frans ging aanvankelijk naar een pleeggezin in Haarlem. Zijn moeder werd door de Joodsche Raad ondergebracht in een kleine woning aan de Amsterdamse Meerhuizenstraat, bij juffrouw Roth. Roth woonde uit angst ergens anders, schreef Pointl in zijn onderduikverhaal.7 Na een paar maanden bij het pleeggezin kwam Frans ook naar de Meerhuizenstraat. Vanaf juli 1942 kwamen de oproepingen voor 'arbeidsverruiming in Duitsland', lees: de concentratiekampen. De Meerhuisschool werd door de Duitsers als kazerne gebruikt. De kamer werd te gevaarlijk.

 

Onderduik

Moeder besloot dat Frans moest onderduiken. Ze bracht hem midden december 1942 naar het Centraal Station. Hij kreeg een rieten koffertje met al zijn spullen erin. Zelf droeg ze een brede sjaal over haar ster, want joden mochten niet meer op het station komen. Een verzetsman bracht het 9-jarige jongetje naar Krommenie. Volgens Retour Krommenie bestond Frans' onderduikgezin uit Cor en Stien Ginkels en hun twee dochters Willie (14) en Loes (9). 'Oom Cor' was buschauffeur. De feitelijke namen waren Cornelis Jacob Besse (Krommenie, 22-6-1899), Catharina Maria Koeter (Krommenie, 29-4-1898) en kinderen Tine (Krommenie, 17-4-1926) en Kees (Krommenie, 2-7-1934). Cor Besse was inderdaad chauffeur. Het huis stond buiten het dorp aan een vaart, de Uitweg. Aan de overkant was de boerderij van 'Gierens', getooid met twee houten siertorentjes. Frans speelde er soms met de 10-jarige 'Guus'. Hij mocht hun hondje uitlaten - en daar werd een foto van genomen.8 De echte namen van deze familie zijn niet bekend. Een keer, toen Willie en Loes naar school waren, liep Frans naar het dorp. Een Duitse officier zag hem, streek over Fransjes haar en gaf hem een koek. Thuis hadden ze hem gemist. Ze waren boos, maar Frans vond de Duitser aardig.

 

Muziek

Frans miste zijn moeder, vooral haar pianospelen. In Krommenie was geen muziek - hoewel, het autobiografische gedicht sluit met een 'gezinsmandoline'. Zijn moeder stuurde hem eens een speeldoosje met Beethovens Für Elise als melodie (het is in het gedicht overigens zijn vader die het gaf). Frans' vriendje Guus wilde het in de klas laten zien. Toen hij het terugbracht, was het kapot. Frans kon natuurlijk niet naar school. In het gedicht  heeft hij een stukje grond, waar hij tuinkers in zaait. En er is ook een schommel en een wip. Alleen Gerrit, een neef die lilliputter was, praatte vrijuit met Frans. Hij kwam tweemaal per maand op bezoek bij de familie Ginkels. Frans dacht aan een spreekwoord van zijn moeder: "A kats mag oich kuken oifen kaisser" ('Een kat kan er ook als een keizer uitzien').

 

Bezoek

Op een dag ontving Frans een brief -een envelop voor hem in een andere envelop met de naam van het pleeggezin er op-, waarin zijn moeder schreef hem te komen opzoeken op zijn 10de verjaardag, 1 augustus 1943. Ze was op dat moment ondergedoken in een andere, kleinere kamer in de Paulus Potterstraat. Die woensdag kreeg hij felicitaties en een kus van zijn 'tante' en een zelfgebreide bruine slip-over. Op een gegeven moment stond 'mevrouw Van Dam' voor de deur. Zijn moeder had een oude mantel aan, waar ze nooit een ster op had genaaid. Ze kwam met de trein uit Amsterdam. "'Levensgevaarlijk, mevrouw van Dam, beseft u dat wel?' zegt tante Stien."9 Ze had inderdaad geluk. Een NSB'er tegenover haar in de coupé wilde haar persoonsbewijs zien. Ze had geen vervalsing, maar een exemplaar met een J. Tegen de NSB'er en de conducteur had ze gezegd dat ze zich niet goed voelde. De conducteur liet haar daarop in een gesloten eersteklascoupé zitten en hield de NSB'er op afstand. Moeder Van Dam vertelde ook dat er een paar weken eerder razzia's waren geweest en dat er met lijn 8 vanaf het Westerscheldeplein een 'jodentransport' naar het Centraal Station was gegaan. In Krommenie 1943 komt ook Frans' vader op bezoek. Hij maakt foto's van iedereen, misschien ook wel die van zijn zoon met het hondje. Het gedicht zegt dat Frans 'toch niet ongelukkig' was.

 

Vervolg

Na de oorlog bleken moeder en zoon de jodenvervolging te hebben overleefd. Dit in tegenstelling tot de rest van de familie, die merendeels vergast was. Frans werd 'de kip die over de soep vloog', de titel van het boek waarmee hij in 1989 debuteerde. Het werd dat jaar genomineerd voor de AKO-literatuurpijs. Pointl haalde na de oorlog zijn ulo-diploma en had allerlei administratieve baantjes. Hij woonde met zijn moeder zeven jaar op een kamer aan de toenmalige Stalinlaan, de latere Vrijheidslaan en daarna steeds op andere huurkamers. Voor de zoon was het een verstikkende jeugd met een getraumatiseerde moeder. In 1958 stierf zij, in een barak van een noodziekenhuis aan de Amsterdamse Zeeburgerdijk. Frans Pointl schreef na zijn debuut nog een groot aantal teksten, waaronder het hieronder weergegeven gedicht.

 

---------------------------------

 

Krommenie 1943

 

herinnering

altijd meer of minder

dan geleefd

zoals kikkers en salamanders

een slootje met kroos

een wit houten bruggetje

de geur van mest

een blauwe autoped uit Heemstede nog

met massieve banden

verwoed steppen op die smalle weg

tussen weilanden

 

lopen met het hondje van een boer

(zonder die kleine fletse foto

was het nooit teruggekomen)

mijn vierkante meter tuin

waarin ik tuinkers zaaide

de oorlog die ik nauwelijks begreep

die uit gemompelde antwoorden bestond

ver weg onduidelijk woede

een schommel en een wip

vriendjes zonder gezicht

een moeder die verzorgde

 

een drukdoende man

een vreemde

met een fototoestel

die op bezoek kwam

foto's maakte van mij

en de anderen

ik ben je vader, zei hij

gaf me een kleurig doosje

deksel open en er klonk muziek

 

alles verwarrend

geen zekerheden

toch niet ongelukkig

soms tokkelend

op de gezinsmandoline

 

---------------------------------

 

1 Het Parool, 22-4-1989 (In de donkere schaduw van de oorlog); Pointl, F. Retour Krommenie in: Vijf laatste verhalen (p. 9-31); Mededelingen van S. Hondema (oktober 2006); www.pompenburg.demon.nl/nl_content/frans_pointl.html; www.jori-fokke.net/auteur.php?id=354; Adresboek voor de Zaanstreek 1941; Gezinskaart Amsterdam

2 www.traunsteiner-tagblatt.de/includes/mehr_chiemg.php?id=396; www.citwf.com/person400862.htm

3 Krommenie 1943 in: De Tweede Ronde. Tijdschrift voor Literatuur, winter 2004 (p. 57-58)

4 www.pompenburg.demon.nl/nl_content/frans_pointl.html

5 Presser, o.c. I (p. 207)

6 Retour Krommenie (p. 12)

7 Ibidem (p. 10)

8 Krommenie 1943

9 Retour Krommenie (p. 22)

 


Laatste bewerkingsdatum: 2009-08-27


Frans Pointl, rond 1990 (www.dbnl.org)