ROZENSZAJN-KORN (FAJGA)
Fajga Rozenszajn-Korn (Pabianice, 10-5-1906)1 en haar zoon Leo ('Mozes') Rozenszajn (Duisburg, 13-3-1935)2
Fajga Korn werd geboren in Polen, niet ver van Lodz. Haar echtgenoot was Jacob David Rosenszajn (Kaluszyn/Lodz3, 25-5-1896). Ze waren op 30 juni 1933 in Keulen getrouwd. Twee jaar later, toen Leo werd geboren, woonden ze in Duisburg.
Uit elkaar
Volgens het verblijfsregister kwam Fajga Rozenszajn op 16 juli 1939 vanuit Duitsland naar Oostzaan, en haar zoontje op 19 augustus eveneens, vanuit Amsterdam. Jacob verbleef volgens het Gemeentearchief in een kamp (Hoek van Holland), geheel volgens de regeringspolitiek. Moeder en kind woonden bijna drie jaar in Oostzaan, hoewel Leo ook vaak elders was, al voor de periode in Oostzaan. Het verblijfsregister meldt dat Leo op 18 januari 1939 in Rotterdam was, op 29 april in Den Haag en op 30 mei in Amsterdam. Vast staat dat hij in november 1939 in een kinderhuis in Loosduinen zat (zie hierna). Tussen 30 mei en 19 augustus 1940 was Leo opnieuw in Amsterdam. Het eerste Oostzaanse adres van Fajga Rozenszajn was de Jacob Honigstraat 48.
Honigstraat
Het was om de hoek bij twee bekende panden met joodse bewoners, Zuideinde 443 en 447. Op 18 april 1939 was Hedwig Jonas-Gans uit Westfalen op de Jacob Honigstraat 48 komen wonen. Zij emigreerde op 17 december naar de Verenigde Staten. Per 13 oktober 1939 woonde ook het echtpaar Sternlicht-Teichner uit het Poolse Sienawa er, vermoedelijk met hun drie kinderen Cachin, Bernard en Jakob Abraham. Jozef Sternlicht moest op 13 februari 1940 naar het kamp Hoek van Holland. Estera Teichner en haar kinderen bleven in Oostzaan tot na de Duitse overval op Nederland. Achter haar naam staat op 13 mei 1940 geschreven: "Engeland." Britse troepen probeerden nog op 13 mei 1940 bewoners van kamp Hoek van Holland te evacueren. Het Comité voor Joodse Vluchtelingen meldde de burgemeester op 29 mei 1940 dat vrouw en kinderen in Engeland waren.4
Noord-Amerika
Fajga Rozenszajn komt voor in het Oostzaanse dossier van Estera Teichner. Burgemeester Zigeler schreef op 4 december 1939 aan het ministerie van Justitie, afdeling Vreemdelingenzaken. Hij maakte duidelijk waarom hij mevrouw Rozenszajn een tijdelijke vergunning wilde verlenen. Zij deed volgens hem pogingen om te emigreren, en had een al betaalde passage op de Red Star Line, een bekende scheepvaartlijn tussen Europa en Noord- en Zuid-Amerika. Zij werd bovendien ondersteund door het Amsterdamse Comité voor Joodsche Vluchtelingen. Dit had op 30 november aan Zigeler laten weten dat Fajga's man in het kamp Hoek van Holland zat en haar zoontje Leo in een kinderhuis in Loosduinen. Het comité meldde ook dat emigratie naar de Verenigde Staten mogelijk was, maar dat het tijdstip van vertrek tussen een dag en een jaar later kon liggen.
Zuideinde
Een half jaar na dit schrijven viel het Duitse leger Nederland binnen. Vertrek naar overzee (zoals de Sternlichts nog gelukt was) werd bijna onmogelijk. Fajga en haar zoon verhuisden vermoedelijk in mei 1940 naar Zuideinde 443. Het adres Jacob Honigstraat 48 werd toen niet meer voor vluchtelingen gebruikt. In de nieuwe woning woonden de weduwe Eisner-Warschauer*, het echtpaar Freund-Pelziger* en Laszlo Pollak*. Het is overigens mogelijk dat Fajga en haar zoontje feitelijk in het buurhuis op nummer 441 verbleven.5 De Oostzaanse H. Abbring-Evers (1918) woonde in de oorlog schuin tegenover Zuideinde 443. Bij een sinterklaasfeest, waarschijnlijk in 1940, speelde zij voor Sinterklaas. Zij had haar eigen bruidsjurk van een kruis voorzien en een mijter met baard en snor opgezet. Leo moest van Sinterklaas een liedje zingen en zong: "In een vliegmachien, in een vliegmachien, kan je hele hoge bergen zien."
Zuiderschool
Leo kreeg onderwijs op de vlakbij Amsterdam gelegen Zuiderschool. Hij kreeg er les tot het moment dat joodse leerlingen niet langer tussen 'arische' scholieren mochten verblijven, 1 september 1941. Zijn klasgenoot Simon de Joode herinnert zich dat Leo in de oorlog een schuilnaam kreeg: Leo Oostenrijk.
Foto
De foto bij dit lemma is gemaakt in de voortuin van een huis recht tegenover de woning van de familie Braan-Bakels A191f, vermoedelijk Zuideinde 441. Mevrouw Rozenszajn draagt een hooggesloten, elegante jurk tot op de knie, met borduursel rond de hals en het middel. Het haar is opgemaakt. Ze draagt zijden kousen. De kinderen dragen zomerse kleding. De jongen heet Bertus (geboren in 1934), zoon van Jan Braan en Wil Bakels, het meisje is zijn nichtje en heet Lia Bakels, de huidige mevrouw Steinvoorte-Bakels (geboren in 1934). Zij woonde in Amsterdam, in de Czaar Peterstraat. Haar moeder had een drogisterij, haar vader werkte als schilder en foto-ontwikkelaar. Lia logeerde vaak bij haar tante en ook bij haar grootouders Lambertus Bakels en Marie Rijnders. Zij woonden in de Jacob Honigstraat (nummer 3 en 38). Opa Bakels was fotograaf en zijn zoons hielpen wel eens mee. Op een zonnige dag in de zomer van 1940 waren de oudste en de jongste zoon, Lambertus jr. en Joop Bakels, in de buurt aan het fotograferen, met een klapcamera. Lia speelde met haar neef Bertus op straat. Fajga stond, zoals vaker, in de voortuin. Joop (geboren in 1920) vond het leuk van haar een foto te maken en riep de kinderen erbij. "Lia, Bertus, gaan jullie nou bij haar staan!" Er was toen in Oostzaan geen (bewustzijn van) gevaar. Fajga zag er bovendien niet joods uit.
Aanmelding
In februari 1941 vulde Fajga Rozenszajn-Korn voor zichzelf en haar zoontje de aanmeldingsformulieren in waarmee beiden naar de nazi-definitie voljoods werden. Op 16 september van dat jaar kreeg ze vergunning om met Leo bij haar man in Westerbork op bezoek te gaan. De reis werd geregeld door de Joodsche Raad en zou tussen 19 en 24 september plaatsvinden. Fajga vroeg vervolgens overplaatsing aan naar Westerbork. Het kamp had plaatsgebrek voor gezinnen, zodat Fajga en Leo niet voor gezinshereniging in aanmerking kwamen. Het verzoek werd op 16 oktober afgewezen. Een half jaar later moesten zij naar de hoofdstad 'evacueren'.
Deportatie
Op 9 april 1942 meldde Rozenszajn zich bij de Amsterdamse politie. Die vroeg de collega's in Oostzaan of er een dagelijkse meldingsplicht gold. In Oostzaan lijkt daar geen sprake van te zijn geweest. Op een gegeven moment kregen moeder en kind een oproep voor Westerbork, waar Jacob Rozenszajn al was. Uit hun overlijdensplaats en -datum kan worden afgeleid dat Fajga en Leo Rozenszajn in de eerste maanden van 1944 naar Theresienstadt werden vervoerd en van daar naar Auschwitz.
Overlijden
Van het overlijden van Fajga Rozenszajn-Korn (38) is op de Holocaustsites 'officieel niets bekend'. Leo Rozenszajn (9) kwam op 7 juli 1944 om het leven in concentratiekamp Auschwitz. Onder de naam Fajga Korn (Pabjanice), met verder dezelfde persoonsgegevens als Fajga Rozenszajn-Korn, vermelden de websites van de Oorlogsgravenstichting en In Memoriam echter het overlijden in Auschwitz op dezelfde dag dat Leo stierf. Volgens de eerstgenoemde site bezweek Jacob David Rozenszajn ergens in Midden-Europa. In Memoriam en het Joods Monument schrijven dat dit 3 juli 1944 was, vier dagen voor zijn vrouw en kind.
Bekenden
Op de Oude Schans 3 I stonden in februari 1941 de Hongaarse kunstschilder Arpad Ignacz Neumann (Boedapest, 1900), zijn Poolse vrouw Chana Gorzyczanska (Sandomierz, 1906) en hun in Amsterdam geboren dochter Josephine Rachel (1934) geregistreerd. Moeder en dochter werden op 28 september 1942 in Auschwitz vermoord. Arpad Neumann stierf vier maanden later in hetzelfde kamp, op 31 januari 1943.
1 Burgemeesterslijst nr. 2; Politielijst nr. 2 (A91d); Historische collectie Jelle Brinkhuijsen; Gemeentearchief Zaanstad, gemeente Oostzaan, dossier Rozenszajn; www.joodsmonument.nl; Mededelingen van Lia Steinvoorte-Bakels uit Zaandam (2004 en 2006) en mevrouw Abbring-Evers uit Amsterdam-Oostzanerwerf (2004); Simon de Joode jr. in De Jol (oktober 2011)
2 Op de burgemeesterslijst staat bij Leo Mozes Düsseldorf, 30 maart 1935; de Oorlogsgravenstichting en In Memoriam hebben Duisburg, 13-3-1935
3 Een tweede Kaluszyn ligt volgens de site jewishgen.org. oostelijk van Warschau
4 Dossier Sternlicht; Bob Moore, o.c. (p. 67-68)
5 Mededelingen van Lia Steinvoorte-Bakels (2004)
Evacuatie
In maart 1942 moeten moeder en zoon Oostzaan verlaten, net als de andere joodse inwoners. Volgens een politieaantekening is dat op 10 maart. Met rood potlood wordt bij de namen van Fajga en Leo een kruisje gezet, alsmede de opmerking: "Waren weg." Ze gaan naar Oude Schans 3 I. Voor het vertrek brengt Fajga wat eigendommen in veiligheid. Ze geeft een grote, houten kist in bewaring bij de familie Braan. Er zit geborduurd linnengoed in. De familie plakt een etiket met de naam 'Rosenschein' op de kist. Na de oorlog wordt de kist niet opgehaald en blijft hij nog enige jaren op de overloop staan.