Oostzaan > Jood op evacuatielijst

SCHOUTEN-HAGENAAR (LEENTJE/LENA)


Echtpaar Leentje ('Lena') Schouten-Hagenaar (Amsterdam, 3-4-1895)1

 

Leentje trouwde in 1917 met de Oostzaner Jan Schouten (7-12-1878). Dat was een jaar nadat ze met haar ouders uit het dorp was vetrokken. Emanuël Hagenaar (Amsterdam, 1872) en Anna Delden (Amsterdam, 1871) waren in oktober 1914 met hun negen kinderen, van wie Leentje de een na oudste was,  in Oostzaan komen wonen (Weerpad B11h). Los werkman Emanuël sr. kon er waarschijnlijk niet voldoende brood verdienen en verhuisde in januari 1916 met alle kinderen, behalve oudste zoon Isaac en diens gezin, terug naar Amsterdam.

 

Isaac

In het bevolkingsregister van 1923 stond Isaac Hagenaar (Amsterdam, 1891) bekend als 'koopman in kippen enz.'. Hij was oprichter en voorzitter van de Oostzaanse woningbouwvereniging (1918). Met zijn vrouw Theresia Winnik (Amsterdam, 1890) en de drie kinderen Emanuel (1909), Anna (1912) en Lena (1914) was hij in 1914 naar Oostzaan gekomen (Weerpad B7), vier maanden na zijn ouders die in dezelfde straat woonden. Toen deze vertrokken was hij gebleven. Zijn zus Leentje, naar wie het derde kind was vernoemd, kon het dorp en haar vriend daardoor makkelijk blijven bezoeken, en uiteindelijk met hem trouwen. Theresia kreeg in Oostzaan nog vier kinderen: Rebecca (1916), David (1918), Hartog (1920) en Rachel (1921). Het gezin verhuisde in 1923 naar de Jac. Corneliszstraat B 163 (nr. 19), een nieuw huis van de woningbouwvereniging. In oktober 1936 gingen Isaac en Theresia Hagenaar met hun drie schoolgaande kinderen naar Amsterdam. Jan en Leentje Schouten betrokken toen het huis aan de Jac. Corneliszstraat 19.

 

Zaanstreek

Het derde kind van Isaac en Theresia, Lena Hagenaar, trouwde rond 1936 met Wilhelmus Craane* uit Koog aan de Zaan en ging in Zaandam en later Koog aan de Zaan wonen. Ook Rebecca ging met haar man Antonius van Dijk* naar Zaandam. Zo woonden er bij het uitbreken van de oorlog drie vrouwen Hagenaar in de Zaanstreek, allen gemengd gehuwd. Van zowel Leentje Schouten als van Lena Craane is bekend dat ze tussen 1940 en 1945 verzet pleegden.

 

Seligmann

Nadat ganzenmester en poelier Leopold Pelziger zich eind juli 1937 op Kerkbuurt 18 had gevestigd, werd Oostzaan langzaam een bekende plek voor buitenlandse joden met meestal tijdelijke verblijfsvergunningen, 'in afwachting van emigratie overzee'.2 Een kennis van Leopold en zijn vrouw, Hermann Feinstein*, kwam in februari bij hen wonen. Pelzigers dochter Dolli* en haar man volgden in april. Men verwachtte ook Hermanns verloofde Bianka Goldberg. In die tijd kwam er weer een nieuwe aanvraag, van een reisgenoot van Dolli richting Brazilië: Heinz Seligmann*. Leentje en Jan Schouten besloten dat hij ruimte kon krijgen in hun huis (23 maart 1938). Heinz zou er blijven wonen tot aan zijn huwelijk op 13 februari 1939. Er werd toen bij de buren ruimte gemaakt voor de bruid. Later ging het bruidspaar op Kerkstraat 260 wonen.

 

Auerbach

Op 9 november 1938 vond in Duitsland de rijkspogrom Kristallnacht plaats. Er waren mede als gevolg daarvan driehonderd toelatingsverzoeken per dag aan de grens met Duitsland. De Nederlandse regering reageerde uiterst bot. Ze versterkte de grenswacht met zeshonderd man. Op 28 november kwamen Leo (37) en Rosa (35) Auerbach-Auerbach met hun kinderen Ruth (4) en Hans Julius (2) van-uit Wuppertal naar Oostzaan. De bestaande 'vluchtelingenhuizen' aan het Zuideinde 443 (zie Freund*) en 447 (zie Feinstein*) waren vol. Jan en Leentje Schouten namen de Auerbachs voorlopig in hun huis op, waar Heinz Seligmann nog steeds woonde. Na enige tijd werd in de buurt een nieuw adres gevonden, Kerkstraat 196. In de jaren 1931-'34 woonde hier de joodse familie Schuitevoerder*. Het gezin Auerbach wist, na een jaar Oostzaan, op 28 oktober 1939 naar Chili te emigreren.

 

Meer vluchtelingen

In de tweede helft van 1939 kwam een groot aantal joodse vluchtelingen naar Oostzaan; elf in augustus, zestien in september, acht in oktober en vijf in november. Aan deze veertig mensen werden nieuwe voorwaarden gesteld. Zij kregen strikt een tijdelijke toestemming om in de gemeente te verblijven en wie niet voor 1 januari 1940 een andere plek had gevonden -verschillenden wisten te emigreren-, zou naar een vluchtelingenkamp worden gebracht. Er werden nieuwe adressen gevonden voor al die nieuwkomers; in de Jacob Honigstraat, op het Zuideinde, een woning in Oostzaan-Noord. Ook enkele eerdere opvangplekken zoals Zuideinde 443 en Kerkstraat 260 namen nieuwe mensen op.

 

Sternfeld

Maar op 20 september, toen de familie Sternfeld zich meldde, waren alle tien adressen volgeboekt. Zij waren met met vier personen: de in Warschau geboren Helène Sternfeld-Filo (68) en haar drie oudere kinderen: Leonhard (42, geboren in Hamm), Max (39, Dortmund) en Else Sternfeld (38, Dortmund). Voor moeder en dochter kon nog plek worden gemaakt in de Kerkstraat 260, maar voor de twee zoons was daar geen plaats meer. Zij werden daarom vlakbij opgenomen, in het huis van Jan Schouten en Leentje Hagenaar. Leonhard en Max Sternfeld zouden drie maanden bij Jan en Leentje Schouten blijven. Het gezin werd lid van de joodse gemeente van Zaandam.3 Op 28 december 1939 vluchtten moeder, zuster en broers verder. Leonhard, Max en Else Sternfeld zouden in de Sjoa omkomen. Max op 5 december 1944 in Dachau, Leonhard en Else op of rond 28 februari 1945 ergens in Midden-Europa. Moeder Helène Sternfeld-Filo overleefde de Sjoa.

 

Kann

Na Leonhard en Max Sternfeld nam het echtpaar Schouten zelf geen vluchtelingen meer op. Wel waren zij persoonlijk betrokken bij het vinden van een plek voor de 30-jarige Wilhelmine Kann-Mayer (geboren in Dortmund) en haar 3 jaar oude zoontje Simon Adolf Günther Kann (geboren in Duisburg). Zij kwamen aan op 18 oktober 1939. Het nieuwe adres was al eerder gebruikt, na het huwelijk van Heinz Seligmann en Edith Silberbach, en lag in het buurhuis van de Jac. Corneliszstraat 19 (B164). Moeder en zoon Kann zouden er ruim een half jaar wonen.Terwijl veertien andere vluchtelingen uit de periode augustus-november 1939 midden februari 1940 naar kampen in Den Haag, Hoek van Holland en Westerbork werden gestuurd, hoefde Wilhelmine Kann met haar zoontje pas tegen het einde van het jaar weg. Zij verhuisden eind mei nog naar Kerkstraat 260. Beiden gelden als vermist.

 

Oorlog

Leentje Hagenaar vulde in februari 1941 op het aanmeldingsformulier voor personen van joodsen bloede in vier joodse grootouders te hebben. Op haar persoonskaart en later ook haar persoonsbewijs kwam een J te staan. Het gemengd gehuwde echtpaar Schouten-Hagenaar hoefde niet weg uit Oostzaan en overleefde oorlog en Holocaust. Dat gold niet voor een groot aantal andere leden van de gezinnen Emanuël en Isaac Hagenaar, van wie er drie in Oostzaan waren geboren.

 

Verwanten

Leentjes vader Emanuël stierf, 70 jaar oud, op 12 oktober 1942 in Auschwitz. Zijn tweede vrouw, Esther Lootsteen (Amsterdam, 1872), werd op dezelfde plaats en tijd vermoord. Leentjes oudste broer Isaac Hagenaar werd op 28 september 1942 in Auschwitz vergast, zijn vrouw Theresia was in maart te Amsterdam overleden. Emanuel Hagenaar, hun oudste kind, stierf op 21 januari 1945 in kamp Blechhammer. Zijn zuster Anna Sarlui-Hagenaar werd evenals haar man op 2 juli 1943 in Sobibor vergast. Lena en Rebecca overleefden. David Hagenaar (Oostzaan, 1-4-1918) kwam om in Auschwitz, op 31 januari 1943. Hartog Hagenaar (Oostzaan, 8-1-1920) werd op 4 juni 1943 vergast in Sobibor. Rachel Peeper-Hagenaar (Oostzaan, 23-4-1921) werd eveneens in het als vakantieoord vermomde vernietigingskamp vermoord, op 23 juli 1943. Dat gebeurde samen met haar elf weken oude zoontje Arnold. Haar man Eliazar stierf er op 30 november van dat jaar. Leentjes broer David, hij werd twee jaar na haar geboren, stierf op 28 februari 1943 in Auschwitz. De jongste broer die in Oostzaan had geleefd, Eliazer, overleed op 22 januari 1943 in Mauthausen. Sophia, Elisabeth en Salomon ontkwamen aan de Sjoa. Rachel Brilleman-Hagenaar kwam op 24 september 1942 met zes kinderen om in Auschwitz. Twee andere van haar kinderen werden er op 30 september vergast, haar man stierf er op 31 januari 1943. Eén kind overleefde de ontberingen. Leentjes jongste zus Roosje Pront-Hagenaar werd met drie kinderen op 26 oktober 1942 in Auschwitz vergast. Haar zoon Emanuel stierf op 31 maart 1944 in Midden-Europa en haar echtgenoot bezweek op 21 januari 1945 in het kamp Blechhammer, op dezelfde dag en plaats als zijn oom Emanuel Hagenaar.

 

Jan Schouten overleed op 26 december 1958 in Oostzaan, Leentje Schouten-Hagenaar op 5 april 1965 in Zaandam.

1 Burgemeesterslijst nr. 3; Politielijst adres nr. 3;  Historische collectie Jelle Brinkhuijsen; Gemeentearchief Amsterdam en Zaanstad; www.joodsmonument.nl

2 Gemeentearchief Oostzaan, dossier Freund

3 Joodsch Zaandam, december 1939


Laatste bewerkingsdatum: 2009-11-15


Oostzaan 1940

 

Evacuatie

Op 28 februari 1942 schrijft de waarnemend burgemeester bij de naam van Leentje Hagenaar: "Gatte Jan Schouten ist arisch." Het is formeel niet nodig om de naam van dit niet-joodse gezinshoofd te vermelden. Bij haar naam staat een kruisje en ook nog het woord 'mischehe'. Leentje hoeft als gemengd gehuwde dus niet weg op of rond 30 maart 1942. Ze moet wel de jodenster dragen en krijgt te maken met de vele andere beperkingen en gevaren van het jood-zijn.