BERNSTEIN-ERLE (KäTHE)
Gezin Käthe Bernstein-Erle (Aerzen, 14-11-1871)1, weduwe van Samuel Bernstein, met zoon Hans Josef Bernstein (Berlijn, 23-7-1907)
Aerzen ligt in Niedersaksen, vlakbij het Westfaalse Hameln. Gezinshoofd Käthe had de Duitse nationaliteit. Hans Bernstein was op 26 november 1937 vanuit Amsterdam naar Zaandam gekomen. Daar werd hij chef van de afdeling 'stoffen hoeden' in Popperts* hoedenfabriek aan de Bootenmakersstraat. Hij woonde toen bij A. Stadt op de Czarinastraat 36a. Op 23 februari 1939 verhuisde hij naar de Anna Paulownastraat 17, waarheen ook zijn ouders kwamen. Nandor Pollak*, de bedrijfsleider bij Poppert, woonde in dezelfde straat.
Samuel Bernstein
Op 28 februari 1940 stierf Hans' vader, Samuel. Hij werd ter aarde besteld op de joodse begraafplaats aan de Westzanerdijk. Op het graf staan de namen van Samuel, 'een orthodoxe man met volmaakte levenswandel', van diens vader Josef Chaim Bernstein, met volgens Oekraïens gebruik de algemene titel 'Moharar' (Morenu Ha Rav Rabbi, 'onze rabbi', maar feitelijk 'mijnheer'), en van zijn moeder: Hinde. 'Het jaar waarin de kroon van zijn hoofd viel was 700 zonder de 5', d.w.z. Samuel stierf in het joodse jaar 5700.2 Käthe Bernstein-Erle werd vervolgens hoofdbewoner.
Oorlog
Rond 15 april 1941 werd de baan van Hans als fabriekschef overgenomen door een NSB'er.3 Hij werkte echter ook voor zichzelf. In het Adresboek voor de Zaanstreek 1941 noemt Hans zichzelf dameshoedenfabrikant. Betty Babette de Levie* (Oldenburg, 7-11-1906) kwam in de 'evacuatie'-periode van januari 1942 bij moeder en zoon Bernstein wonen. Hun huwelijk vond precies in die tijd plaats, hetgeen hen enkele weken hielp buiten Westerbork te blijven. Käthe Bernstein-Erle hoefde vanwege haar leeftijd voorlopig niet naar het doorgangskamp in Drenthe.
Zoon en schoondochter
Hans Josef en Betty Bernstein-de Levie ondervonden in Westerbork geen bescherming van hun Duitse afkomst. Zij werden al vroeg, op 6 november 1942, met de 'Nederlandse' transporten naar Auschwitz gestuurd. Gertrude, de zus van Betty, zat in hetzelfde transport. Hans hoorde bij de mannen die onderweg, in Cosel, moesten uitstappen en in de werkkampen in Opper-Silezië te werk werden gesteld. Hij bezweek voor 31 maart 1944 op een onbekende plaats in Midden-Europa, vermoedelijk 36 jaar oud. Betty (net 36) ging door naar Auschwitz, waar zij op 9 november 1942 meteen na aankomst om het leven werd gebracht.
Moeder
Käthe Bernstein-Erle (71) ging op 8 december 1942 op transport naar Auschwitz, een maand na haar zoon en schoondochter. Zodra zij daar op 11 december 1942 binnenkwam, werd zij door vergassing om het leven gebracht. Een dochter van Käthe en Samuel, Rita, slaagde er in om voor de Holocaust naar Engeland en vervolgens Australië te vertrekken. Zij overleefde de oorlog.
Verwanten
Op dezelfde dag en plaats als haar zuster Betty werd ook Auguste Gertrud vermoord. Van hun vader Max en moeder Emma zijn geen overlijdensberichten bekend.
Abraham en Charlotte Samas-Salomonson stierven op 12 februari 1943 in Auschwitz. Hun oudste zoon, Salomo Samas, overleed op 29 februari 1944 in extern Kommando Gräditz.
1 Aufstellung nr. 6 (Duits - 2 pers.); Evacuatierapporten; H5; H7-8; G1; Gezinskaart; www.joodsmonument.nl
2 Mededeling van de Nederlands-Israëlitische Gemeente (2007) en van godsdienstleraar Dave van Gelder (2008)
3 Mededeling van G. Klitsie uit Zaandam (1998)
19 januari 1942
Van de controle op het vertrek van de Bernsteins op 19 januari 1942 is geen opdrachtbriefje of rapport bewaard. Op de basislijst is genoteerd: "Blijft met zoon hier." Uit de latere overzichten blijkt dat Käthe Bernstein niet naar Westerbork hoeft, maar naar Amsterdam wordt gestuurd. De eerste dagen woont zij, mogelijk met haar zoon en schoondochter, bij de Zaandamse familie Jansonius. Daarna gaat zij, of gaan ze alledrie, naar het joodse pension Samas op de Professor Tulpstraat 25 I. In dit huis wonen in februari 1941 Abraham en Charlotte Samas-Salomonson met twee zoons. Hun jongste zoon, Philip -evenals zijn vader bakker-, is al in oktober 1941 om het leven gekomen in Mauthausen.
Hans Bernstein komt niet voor op een van de januari-overzichten met al of niet vertrokken buitenlandse joden. Op een van de losse blaadjes in de archiefdoos staat bij Max de Levie echter: "Betty de Levy kan tot 14.2.1942 bij haar man, Hans Bernstein, blijven." Die zin wordt later aangevuld met: "Daarna naar Westerbork." Uit de artikelen van onderzoeker Peter Heere is bekend dat Hans en Betty beiden voor 19 januari opgeven ziek te zijn, zodat ze nog -met dispensatie voor de officiële wachttijd van tien dagen- op 22 januari 1942 in Zaandam kunnen trouwen. Door het huwelijk ontstaat een nieuw joods gezinshoofd, dat tot 14 februari met zijn echtgenote op het adres van zijn moeder is gevestigd -hoewel het mogelijk is dat zij feitelijk met Hans' moeder elders verblijven. Het jonge echtpaar gaat daarna naar Westerbork, zonder meubelen. Zaandamse woningzoekenden willen meteen hun woning hebben. Op de rekening die de Zentralstelle drie maanden later naar de Hausraterfassung stuurt, is alleen sprake van de inboedel van Hans en Betty Bernstein. Daar zal die van zijn moeder bijhoren. De waarde wordt geschat op 164 gulden.