Berliner (Dorothea)

Laatste wijziging: 14 april 2016

Dorothea (‘Doris’) Berliner (Keulen, 29-3-1929 Californië, 12-11-2009)1

In januari 1948 moest de 44-jarige terreinopzichter van de Zaandamse Artillerie-inrichtingen Jan Pieter de Vries zich verantwoorden voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam. De Zaandammer had als lid van de Landwacht meegedaan met een huiszoeking bij het echtpaar Bobeldijk in Koog aan de Zaan. In maart 1943 begaf hij zich met twaalf anderen naar de woning van het echtpaar, omdat het vermoeden bestond dat ze een 13-jarig joods meisje verborgen hielden. “Volgens de schriftelijke verklaring van Bobeldijk was De Vries zelf met de vrouw des huizes in de benedenkamer gebleven, waar men doodsangsten uitstond, omdat het meisje daar in een kast verborgen zat”, aldus dagblad De Zaanlander van 8 januari 1948.

Proces

De naoorlogse stukken over het proces tegen Jan Pieter de Vries (Oostzaan, 27-3-1903) geven meer duidelijkheid. Pieter Bobeldijk, die in de Koogse Sluisstraat 23a woonde, legde een getuigenverklaring af over de zoektocht van De Vries. “In 1943 hadden wij een Jodenmeisje in huis gekregen, genaamd Durus [sic] Berliner, oud 13 jaar. Hierdoor hebben wij zeer veel moeilijkheden gehad. In maart 1943 kregen wij plotseling huiszoeking door de WA [Weerafdeling], nl. 12 man, onder leiding van een zekere De Vries uit Zaandam. Twee van de 12 WA-mannen zijn bij mij binnen geweest, dit waren een zekere Bonte en de reeds eerder genoemde De Vries. Direct bij het binnenkomen zei De Vries tegen mij: “Er moet hier in huis een Jodenmeisje zijn.” Toen ik hem zei dat ik daar niets van afwist, zei De Vries: “Het is beter dat u het maar zegt, dat is voor u veel beter en het verlicht een heel eind de straf. Vluchten hoeft u niet aan te denken, want er staan nog 11 man buiten.”

Ouders

Het ‘Jodenmeisje’ was de voordien in Amsterdam wonende Duitse vluchtelinge Dorothea (‘Doris’) Berliner. Ze was tijdelijk ondergebracht bij het echtpaar Bobeldijk. Haar ouders Isidor en Erna Berliner* verbleven rond die tijd op een onderduikadres in Zaandijk. Tijdens de inval in de Sluisstraat gaf De Vries zijn collega Bonte opdracht om het huis te doorzoeken, waarbij Pieter Bobeldijk hem moest bijstaan.'”De Vries zelf bleef bij mijn vrouw in de benedenkamer. Het Joodse meisje werd echter op de bovenverdieping niet gevonden, waarna beneden alles is doorzocht, maar ook zonder succes”, aldus Bobeldijk. “Ik stond echter duizend angsten uit dat het meisje gevonden zou worden, omdat deze was verborgen in een kast in de benedenkamer. Zelfs in deze kast heeft Bonte nog gekeken en met zijn zaklantaarn verlicht, maar [hij] heeft het meisje, dat in een hoek op de gasmeter zat met een manteltje om haar heen, niet gezien. Op het moment dat zij weg zouden gaan, zag De Vries nog een kastje wat niet doorzocht was en zei: ‘En dat kastje!’ Ik zei toen: ‘Dat zal ik zelf wel even openmaken.’ Onderwijl ik het kastje opende, vertrok De Vries al.”

Verklaring

Ook Jan Pieter de Vries, die in Zaandam op de Texelstraat 72 woonde en al in 1940 lid werd van de NSB en WA, legde een verklaring af. “Betreffende de huiszoeking bij Bobeldijk te Koog aan de Zaan kan ik u verklaren dat door een zekere Witteveen aan burgemeester Vitters [van Zaandam] was doorgegeven dat Bobeldijk Joden verborgen hield. Van der Giesen, de secretaris van de burgemeester, moest deze zaak verder behandelen. Deze vroeg mij om hulp en ik ben toen met enige leden van de Landwacht naar deze woning gegaan.” Volgens De Vries was het een welbewuste keuze om de meeste WA-laden buiten te laten wachten. “Ik wilde namelijk niet dat de Joden gevonden zouden worden, wat dan ook inderdaad niet geschied is. Later hoorde ik dat het om een Joods meisje ging, wat tijdens het onderzoek in een kast moet hebben gezeten.”

Bevrijding

Doris Berliner zou, zwervend van onderduikadres naar schuilplaats, de bevrijding halen. Ook haar ouders overleefden.

Voetnoten

1 De Zaanlander (8-1-1948); Nationaal Archief, CABR-dossier J.P. de Vries