Boerkoel-Löwenstein (Louise)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Gezin Louise Boerkoel-Löwenstein (Amsterdam, 1-5-1901)1

Louise woonde aan het begin van de oorlog in de Vergiliusstraat 46. Zij was een van de tien kinderen van het echtpaar Löwenstein-Soesman*. Eind jaren ’20 trouwde zij de niet-joodse monteur/chauffeur Pieter Olij (Amsterdam, 30-12-1899). Op 20 oktober 1930 werd in Amsterdam zoon Max geboren. Louise staat op de gezinskaart steeds vermeld als NI (Nederlands-Israëlitisch), Max heeft ‘geen’ godsdienst. Midden 1931 verhuisde het gezin van de hoofdstad naar Zaandam. Na een jaar ging Pieter Olij terug naar Amsterdam. Louise en haar 2-jarig zoontje woonden in 1932 twee maanden bij haar ouders in de Schoolmeesterstraat. Daarna verbleven ze op verschillende adressen in Zaandam en Westzaan.

Voor de oorlog

Na de scheiding van Pieter hertrouwde Louise met Leendert Jan Boerkoel (Wormerveer, 31-7-1896), evenals haar vorige echtgenoot niet-joods. Louise en Leendert trouwden in november 1938. Na het huwelijk kreeg het gezin een woning aan de Vergiliusstraat in Zaandam. Max bezocht de nabijgelegen Dik Tromschool, in de oorlog vernoemd tot School 8. Het gebouw stond op de hoek van de Herderinstraat en de Rosmolenstraat. De halfjoodse Max ondervond als zodanig geen problemen op school.

Oorlog

Zoals nagenoeg alle joden van de Zaanstreek meldde Louise de gemeente in januari/ februari 1941 dat ze joods was, een handeling die haar broer Ies Löwenstein* niet verrichtte. Zij was voljoods, zoon Max viel in de categorie ‘Mischling I’. Het Zaandamse gemeentebestuur hanteerde echter de regel dat halfjoodse kinderen op school konden blijven, mits zij niet joods-religieus werden opgevoed. De lessen in de Rosmolenbuurt waren overigens van beperkte duur; School 8 werd op een gegeven moment in gebruik genomen door de bezetter.

Amsterdam

Het gezin vond na de verdrijving uit Zaandam onderdak in de Vrolikstraat 271 I, niet ver van de nieuwe jodenbuurt in Amsterdam-Oost. Dit was de woning van Louises broer Louis en diens vrouw Sara (die in oktober 1942 met hun zoon Maurits uit hun huis werden gehaald en in het kamp om het leven kwamen). Louis was de toeziend voogd van Max. Later woonde de familie Boerkoel bij een zuster van Louises moeder, Rosetta (‘Rozet’) Mossel-Soesman, in de Pretoriusstraat 36 I. Rosetta’s man Jacob was al weggehaald. Hij kwam op 16 oktober 1942 in Auschwitz om het leven. Rosetta wilde niet alleen wonen en ze vroeg daarom haar nicht Rachel van Lochem als medebewoonster. Louise kon vervolgens met haar gezin verhuizen naar Rachels huis in de Retiefstraat 80 I. Rachel van Lochem werd in het voorjaar van 1943 weggehaald. Max heeft haar nog een pakje gebracht in de Hollandsche Schouwburg, waar Rachel in afwachting van haar deportatie gevangen zat. Ze werd op 23 april 1943 in Sobibor vermoord. Hierna werd haar woning het officiële adres van Leendert en Louise Boerkoel. Rosetta Mossel vond een onderduikplek bij een Amsterdamse brandweerman en zou de oorlog overleven.

Lees meer

Opa en oma

Max Olij ging een paar maanden naar de zesde klas van de Oosterparkschool. Hij zat daar naast een lid van de Hitlerjugend, een in Duitse outfit gestoken jongen met de naam Büter. De bijna 12-jarige Max volgde na de vakantie nog een paar weken de zevende klas op het VGLO (Voortgezet Lager Onderwijs) in de Paul Krugerbuurt. Toen er te weinig kinderen overbleven en er bovendien een brandstoftekort ontstond, werd de school gesloten. Max wilde graag zijn opa en oma zien, toen die in het voorjaar van 1943 naar Westerbork moesten. Hij ging met Leendert Boerkoel naar het Centraal Station, waar de grootouders langskwamen. Het lukte Boerkoel niet om het echtpaar Löwenstein en een begeleidende schoonzoon ervan te overtuigen dat zij beter mee konden gaan naar een onderduikplek. Oma stierf in Westerbork, opa in Sobibor.

Hans Blom

Een buurjongen van Rachel van Lochem, en daarmee van de familie Boerkoel, ontsnapte in het najaar van 1942 aan arrestatie. Deze Hans (‘Henri’) Blom* (Amsterdam, 3-3-1926) woonde in de Retiefstraat 82 hs. Hij bevond zich nog op school, de joodse hbs, toen zijn ouders door de paramilitaire NSB’ers van de WA werden gehaald. Leendert Boerkoel begon met hen te soebatten, waardoor Hans’ moeder, Sophia Blom-Lakmaker, toestemming kreeg nog wat kleding bij elkaar te zoeken. Hans’ vader, Marcus Blom, zag intussen kans om met zeep op de spiegel een boodschap achter te laten voor zijn zoon: “Ga naar nummer 80.” Dat deed Hans. Leendert vond voor hem met medewerking van het Zaans verzet als onderduikadres een huurkamer in de buurt van het Zaandamse treinstation. Zijn oudere broer Gerrit werd op 19 september 1942 in Auschwitz vermoord. Hans’ moeder stierf daar op 5 november 1942, zijn vader op 31 maart 1943. Hans kreeg een nieuw, vervalst persoonsbewijs. Afgesproken werd dat hij elke ochtend en avond per trein naar een ‘werkgeverskantoor’ ging. In werkelijkheid zat hij dan op de Retiefstraat 80 I. Op een dag kwam Leendert thuis en bleek Hans verscheidende verzetsvrienden en -relaties te hebben uitgenodigd. Met open ramen bespraken ze een overval op het bevolkingsregister aan de Plantage Middenlaan. De buren aan de binnentuin konden het voornemen bijna letterlijk horen. Hans kreeg een flinke reprimande. Later bleek de overval, die op 27 maart 1943 plaatsvond, te zijn geslaagd. Bij een controle op het Amsterdams Centraal Station werd ontdekt dat Hans een vals persoonsbewijs had. Hij werd meegenomen en later op transport gezet. Zijn vriendin kwam dit ’s avonds vertellen aan de familie Boerkoel. Hans Blom stierf op 18 januari 1945 in Kommando Gleiwitz.

Zaanstreek

Na de grote razzia van 26 mei 1943 leek de woning in de Retiefstraat te gevaarlijk om er te blijven wonen. Boerkoel legde contact met Zaanse verzetsmensen die er voor zorgden dat Louise, tegen de ‘evacuatie’-voorschriften in, terugkon naar de Zaanstreek. Louise hield haar eigen persoonsbewijs. De verplichte Davidster naaide ze achter de revers van haar jassen. Ze woonde als jufrouw van de huishouding bij een Koogse grootindustrieel. Die had tegelijkertijd een Duitse dienstbode in dienst. Na de oorlog zweeg Louise over deze tijd.

Max kwam ook terug naar Zaandam. Hij werd onder de naam Max Boerkoel in pension gezet bij een familie waarvan de man in Duitsland tewerkgesteld was. In overleg met de klasseleraar en het schoolhoofd kon hij lessen volgen op zijn oude school. Vanwege de naam Boerkoel was Max niet goed te traceren. Leendert Boerkoel controleerde af en toe de woning in de Retiefstraat, maar hield zich op verschillende plaatsen op, onder meer in het Amsterdamse Leger des Heilsgebouw. Hij moest zo mobiel mogelijk en liefst ongezien blijven, want men kon in Duitsland elke man gebruiken voor de oorlogsproductie. Een paar maanden voor het einde van de oorlog keerden de gezinsleden terug naar de Retiefstraat 80. Om aan voedsel te komen, fietste Leendert naar Abcoude, Boskoop en Gouda.

Vervolg

Toen de Prinses Irenebrigade in mei 1945 de Watergraafsmeer binnenkwam, lag Max’ pleegvader in bed met hongeroedeem, geveld door alle spanningen en inspanningen. In het najaar van 1945 verhuisde men terug naar Zaandam, naar de Pieter Latensteinstraat. Rosetta Soesman kwam daar ook heen. Leendert Boerkoel monsterde in Rotterdam aan bij de Holland Amerika Lijn en kreeg het stuurrad in handen van schepen als de SS Veendam en Nieuw-Amsterdam. Hij bracht chocolade, nylonkousen en kleding mee naar huis, wat in die dagen een grote luxe was. Max begon in Zaandam aan de mulo, maar werd eind september door het Rode Kruis en The Netherlands Children Committee voor drie maanden uitgezonden naar Engeland, om aan te sterken. Na terugkomst vond hij emplooi als leerling-verkoper op de meubelafdeling van warenhuis Bischoff in Zaandam.