Bolle (Bep)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Bep Bolle (Amsterdam, 29-9-1924 – Amsterdam, 12-12-2009)1

Bep Bolle stamde via haar vader uit een familie van vishandelaren. Levie Bolle (Amsterdam, 24-1-1878), zijn broers en zwagers hadden in Amsterdam ieder een eigen taak in de aankoop en verkoop van vis. Levie verkocht en ventte vis op de Plantage Middenlaan en omgeving. Zijn oudste zoon, Simon (Amsterdam, 26-7-1917), voelde niet voor opvolging en werd onderwijzer. Dat gold ook voor Maria (‘Marie’) (9-4-1914) en Hartog (‘Harry’) (12-11-1919). Harry was onderwijzer bij het jongensweeshuis aan de Amstel. De andere kinderen waren Flora* (13-6-1915), Alexander (‘Lex’) (21-10-1921), Bep en Nathan (‘Nico’) (24-1-1928).

Verloofde

Bep werkte als naaister bij confectiefirma De Groot, gevestigd aan de Herengracht 52. Haar broer Lex werkte er ook. Zij was in ondertrouw met Ruben Soesan (Amsterdam, 20-4-1924). Een huwelijk kon niet meer plaatsvinden, want Ruben zat in het eerste Nederlandse transport naar Auschwitz, dat vertrok op 15 juli 1942. Op 30 september 1942 werd hij er vermoord. Dat dit de betekenis was van ‘werken in Duitsland’ wisten zijn ouders en Beppie toen niet. Rubens vader, de schilder Salomon Soesan (Amsterdam, 12-4-1900), was begin 1942 al gedwongen geweest naar een van de joodse werkkampen in het Noorden van het land te gaan, het Drentse Krembog/Kremboong. Begin oktober 1942 werden deze kampen opgeheven en de mannen naar Westerbork gestuurd.2 In de sabbatsnacht van 2 op 3 oktober werden bij een grote Duits-Nederlandse actie ook de duizenden gezinsleden van deze ‘Werk-verruimingsjuden’ opgepakt en naar hetzelfde kamp gestuurd, onder wie de moeder van Ruben en zijn broer Abraham (‘Ab’).

Razzia

De Amsterdamse politie was op 5 september 1942 al bij het gezin Bolle in de Commelinstraat 42 II aan de deur gekomen. De met hoeden getooide politiemensen in burger kwamen na 20.00 uur, het tijdstip waarna joodse burgers zich niet meer op straat mochten vertonen. Zij hadden arrestatiebevelen voor vader, moeder en Nathan bij zich. Presser schrijft over deze ‘nieuwe methode’.3 Het Duitse gezag stuurde vanaf 1 september 1942 nauwelijks oproepen meer, maar liet mensen die geen Sperre (tijdelijke vrijstelling) hadden ’s avonds in hun huizen arresteren. Beppie had een Sperre, vanwege de confectie, en Simon door zijn werk als onderwijzer voor de Joodsche Raad. Sara Bolle-Melkman (Amsterdam, 18-12-1887) had kort ervoor een hartaanval gehad en mocht eerst een doktersverklaring laten halen. Daarna zou zij met een ziekenauto worden opgehaald. Dat gold ook voor hun jongste kind, Nathan (‘Nico’), die een besmettelijke angina had.

Lees meer

Vader

Levie moest alleen ‘voor eventjes’ met een politieman mee naar het bureau op het Dapperplein. Er zou het een en ander genoteerd worden, daarna kon hij gewoon weer naar huis. Simon kreeg toestemming van de politiemensen na 20.00 uur toch de straat op te gaan, om op Oosterpark 80 bij de joodse dokter Nordheim de verklaringen te gaan halen. Oom Jaap Speijer*, die met Flora ook in de Commelinstraat woonde, vond het beter dat Nathan even weg was uit huis en liet hem een paar dagen bij kennissen in Utrecht wonen. Toen de ziekenwagen die dagen niet opdook, kwam Nico weer terug. Maar vader bleef weg. Steeds meer buurtbewoners werden ’s avonds weggehaald. Levie Bolle bleek al op 6 september naar Westerbork gestuurd. Zijn trouwring werd hem afgenomen en roofbank Liro nam de zes gulden in die hij bij zich had. Op 7 september ging hij naar Auschwitz, waar men hem drie dagen later vergaste. Volgens Nathan waren ze thuis wel bang dat de omstandigheden in de Poolse en Duitse werkkampen slecht zouden zijn, maar niemand die aan uitroeiing dacht. Berichten die later in de illegale media verschenen over de moord op twee miljoen joden werden door zijn moeder en de onderduikouders ‘propaganda’ genoemd.

Arrestaties

In het najaar kwam de politie nog een keer langs voor een zes jaar jongere zuster van Sara Melkman, Bertha (‘Betje’). Intussen was bekend dat ziekte tot uitstel leidde. Allen waren in pyjama en Betje was ziek. Zij werd niet meegenomen. In december 1942 verviel de confectie-Sperre en het personeel van firma De Groot werd vanaf het werk meegenomen. Lex en Bep waren toevallig niet in het bedrijf en evenmin thuis. Bep was net bij de schoenmaker in de straat. Een van de buren waarschuwde haar dat speciaal getrainde politiemensen, Schalkhaarders, bij haar thuis waren.

Onderduik

Het gevaar was nu erg duidelijk geworden. Moeder Bolle wilde pas weg uit Amsterdam als het echt niet anders kon. Via de telefooncel was nog contact mogelijk met het oudste kind, Marie, dat in Hengelo woonde. Zij vroeg haar familie niet langer te wachten, maar naar Twente te komen. Tijdens de Kerstdagen lasten de Duitsers een pauze in. Vanaf 2 januari 1943 zouden ze weer voor Beppie en Lex kunnen komen. Sara Bolle-Melkman, haar zuster Betje, Lex, Beppie, Nathan en een zoon van de niet-joodse familie de Ruiter sliepen daarom bij buren en vertrokken op 3 januari in groepjes van twee met de trein naar Hengelo. De familie De Ruiter (uit de kop van Noord-Holland) was bevriend met Jaap; de jongen werd gezocht vanwege de Arbeitseinsatz. Niemand van de groep had valse documenten, maar geen van hen zag er ook ‘typisch joods’ uit. Allen bereikten Hengelo.

Joodsche Raad Enschede

Marie woonde met haar man Jaap van Embden op de Troelstrastraat 100. Jaap werkte als technisch tekemaar bij Hazemeijer & Co en had een Sperre. Marie was onderwijzeres en had vanwege de Joodsche Raad Enschede ook nog vrijstelling. Het echtpaar vroeg de secretaris van de Joodsche Raad, Gerard Sanders4, om hulp. Eerst werd via de verzetsgroep van dominee Leendert Overduin een oplossing gevonden voor Nathan. Een zus van Overduin bracht de 15-jarige Nathan naar een Leger des Heils-gezin in Glanerbrug. Omdat hij veel last had van heimwee ging ook zijn moeder naar Glanerbrug. Later werd voor hen onderdak geregeld in Drachtercompagnie, Friesland. Tante Betje bleef in Twente, op een adres in Almelo. De jonge De Ruiter ging terug naar zijn ouders. Hij zou later, net als zijn vader, wegens verzetsactiviteiten worden gefusilleerd.5 Ook Hartog en zijn vrouw Reina van Adelsbergen wisten in Twente te komen. Voor Marie, haar man Jaap, Harry, Reina en Lex werd een creatieve oplossing bedacht via het Arbeidsbureau in Hengelo. Ambtenaren als Maup Staudt6 vervalsten documenten en hielpen mensen uit, of in dit geval in de Arbeitseinsatz. Het idee was dat niemand zou vermoeden dat joden naar Duitsland zouden vluchten, in de gedaante van dwangarbeiders. Marie en Jaap werkten in Leipzig, Harry en Reina in Neheim/Hüsten bij Arnsberg, Lex in een boerderij bij Münster.

Arbeidspassen

Een zoon van Hartog en Reina vertelt nog een bijzonder detail over het verlenen van de arbeidspassen. Een belangrijke NSB’er met de naam Veenstra (of een soortgelijke naam) had zijn oog laten vallen op het huisje van Jaap en Marie in Hengelo. Hij was bereid om vijf arbeidspassen voor de familie Bolle te verzorgen als hij de woning kreeg, met de opmerking dat de joden sowieso naar Duitsland gingen.

Beppie

Voor Beppie was toen al een plaats gevonden bij de Amsterdamse dominee Den Herder, op de ‘s-Gravenzandestraat. Ze kreeg de schuilnaam ‘Maria Bertha Soesbergen’. Simon en Harry waren in Amsterdam gebleven, omdat hun onderwijs-Sperre nog geldig was. Maar ook de onderwijsvrijstellingen vervielen. De Amsterdamse onderwijzeres Suzanne (‘Suze’) Clasina van Thiel7, lid van een banketbakkersfamilie op de Utrechtsestraat, was hun toevlucht. Zij had contact met Piet Bosboom* en anderen uit het gereformeerde verzet. Flora dook met haar man, Jacob Speijer, onder in Amsterdam en vervolgens in Zaandam. Omdat de onderduik via de ‘Arbeitseinsatz’ in Duitsland goed bleek te werken, vertrokken Harry en zijn vrouw Reina op een gegeven moment naar Hengelo. Hun werk was in Hannover. Voor Simon en zijn vrouw Ilse vond Suze een adres in Amsterdam. Beppie kon niet al te lang bij Den Herder blijven. Suze van Thiel kreeg toen een onderduikplek voor elkaar in Zaandam, bij het echtpaar Russelman. De familie Russelman meende dat een belangrijke reden van haar komst ook het voedseltekort in Amsterdam was – maar dat verhaal werd bijna altijd verteld. In Zaandam was geen gebrek aan eten.

Russelman

Cor Russelman (Zaandam, 17-1-1914) werkte op de veehouderij van zijn vader Gerrit (Zaandam, 1875) aan het Stuurmanspad 7. Zelf woonde hij met zijn vrouw Maartje Plekker (Zaandam, 26-6-1916) in de nabijgelegen Langestraat 30. Hij was vanwege de levering van melk vrijgesteld van werk in Duitsland. Beppie woonde bij hen, maar zij was ook veel op de boerderij, waar Gerrit Russelman woonde. Zijn moeder Antje Russelman-Maas (Westzaan, 1878) was in augustus 1942 overleden. Dochter Geertje, boekhouder bij Verkade, was daarna weer thuis komen wonen. Een derde adres waar Beppie heen kon, was de woning van Jaap Broek (1916). Die werkte in de vishandel en -rokerij van zijn ouders Dirk en Aaltje op de Zeemansstraat 39. Jaap zelf woonde met zijn vrouw Alie op de Golofkinstraat, in de Russische buurt. Ook hij was vrijgesteld vanwege de leverantie van vis. Eten was er dus altijd. Het is mogelijk dat via het verzet extra bonnen voor kleding of een vorm van betaling was geregeld.

Nichtje

Beppie werd voorgesteld als een Amsterdams nichtje van Maartje. Beiden hadden enigszins donker haar. Alleen de directe betrokkenen wisten dat zij een ander was en een vals persoonsbewijs had. Ook de huisarts was op de hoogte. Toen Beppie eens erg ziek was vanwege een keelontsteking leek het alsof ze buiten bewustzijn was geraakt. Grootvader Gerrit Russelman vroeg zich af wat er moest gebeuren als ze zou sterven. De dokter verzekerde hem dat hij in dat geval voor een begrafenis zou zorgen. Beppie was redelijk veilig. Als er razzia’s dreigden vanwege de Arbeitseinsatz of onderduik werd het verzet via ‘goede’ politiemensen gewaarschuwd. En Cor had vrijstelling. Beppie wilde zich nuttig maken en zo ‘iets terugdoen’. Ze hielp Maartje en Geertje in het huishouden, zoals bij het verstellen van de was, en ging mee het land op. Een bekend familieverhaal is dat ze op klompen lopend over het ijs de schapen naar de stal toe dreef. Zelf zei ze altijd dat ze in haar tijd bij de Russelmans ‘zo dik als een varkentje’ was geworden. Beppie vierde twee keer haar verjaardag, een keer op haar eigen dag en een keer op die van haar persoonsbewijs. Ze maakte aan de Langestraat de bevrijding mee en deed mee aan de feesten en optochten langs de Westzijde. In 1945 werd Gerrit Russelman jr. geboren. Daarna kregen Cor en Maartje nog twee kinderen, Annelies en Els.

Vervolg

Beppie Bolle trouwde in 1948 met de jongere broer van Ruben, Abraham (‘Appie’) Soesan (overleden in november 2009). Hij was na een verblijf in een groot aantal Duitse en Poolse kampen levend teruggekomen, zijn ouders niet. Het huwelijk vond plaats in een Amsterdamse synagoge. Gerrit Russelman was er met een opklapbare hoge zijde. Ook Jaap en Alie Broek waren aanwezig. Het contact tussen de familie Russelman en ‘mevrouw Beppie’ is altijd gebleven. De kinderen Russelman bleven zich erover verbazen dat hun ouders een joodse onderduiker in huis hadden durven nemen. De broers en zusters van Beppie met hun partners, haar moeder en haar tante en een nicht kwamen allen ongedeerd terug. Alle andere leden van de familie Bolle kwamen om in de Sjoa. Het ouderlijk gezin van Ab Soesan en de meeste van zijn verwanten werden eveneens omgebracht.

Voetnoten

1 Rechtvaardigen onder de Volkeren; Mededelingen van Nathan en Abraham Bolle en G. Russelman uit Amsterdam (december 2006) en J. Bolle (13-12-2011). Nathan herkent zich niet in veel details over de familie Bolle uit Rechtvaardigen onder de Volkeren; Het Parool (14-12-2009)

2 Presser, o.c. I (p. 298-305)

3 Ibidem (p. 277-279)

4 Zie: www.joodscheraadenschede.nl

5 Dirk Jacob de Ruiter (Amsterdam, 31-12-1918) werd als lid van een verzetsgroep op 23-09-1944 in Borne gefusilleerd (www.ogs.nl). Dit is de enige van de drie in Amsterdam geboren De Ruiters die gefusilleerd werd

6 Win, H. van Een jood in nazi-Berlijn

7 Rechtvaardigen onder de Volkeren