Bosboom (Wolf/Willem)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Gezin Wolf (‘Willem’) Bosboom (Amsterdam, 14-4-1882)1

Wolf Bosboom was gehuwd met Marianne Hartog (Zaandam, 6-10-1884), een dochter van Martinus Hartog en Anna Kuyper. Omdat het gezinshoofd joods was -Marianne was dat niet- staat Wolf Bosboom op de basislijst, de eerste Aufstellung der hiesig wohnhaften Juden, en niet op de Weitere Aufstellung, waar de meeste gemengd gehuwde joodse vrouwen op staan. Zijn beroep: ‘Gelegenheitsarbeiter’, oftewel ‘los werkman’, zoals hij zelf invulde op de verklaring van 28 april 1941 aangaande het niet bezitten van een radio.

Familiegeschiedenis

Wolf kwam als vijfde van negen kinderen op de wereld. Zijn moeder, Vrouwtje Hartlooper, werd al vroeg weduwe en de kinderen leerden noodgedwongen om al op jonge leeftijd voor zichzelf en de anderen te zorgen. Wolf begon zijn carrière als ‘loopknecht’ en werkte vervolgens als diamantbewerker. Zijn vader Salomon (‘Sal’) Nathan was eveneens diamantbewerker. Wolf woonde in zijn jonge jaren in de Amsterdamse Marnixstraat. Hij trouwde op 17 januari 1906 met de Zaanse, niet-joodse Marianne Hartog. Hun eerste kind kreeg de naam Martinus (‘Tinus’) en werd op 7 juni 1907 in Amsterdam geboren. Op de gezinskaart staat ‘geen’ ingevuld bij de kolom ‘godsdienst’. Dit geldt ook voor de moeder en de andere zeven kinderen. Alleen bij Wolf vermeldt de gezinskaart Nederlands-Israëlitisch. Het tweede kind, Vrouwtje, is op 21 augustus 1908 in Rotterdam geboren. Toen het gezin uit Rotterdam terugkwam, was Wolf expeditieknecht.

Op 4 oktober 1909 verhuisde het echtpaar Bosboom-Hartog van Amsterdam naar Zaandam. Hier vond de geboorte van Anna plaats. Zij leefde slechts twaalf weken. Nathan (Amsterdam, 19-9-1911) werd geboren in de zes maanden dat het gezin terug was in de hoofdstad. Pieter (‘Piet’) (1-3-1915), Hanna (‘Hansje’) (27-5-1917), Jan (29-1-1919) en Annie (26-7-1921) kwamen allen in Zaandam ter wereld. Het gezin leefde niet religieus joods. De jongens gingen naar de openbare school, de meisjes naar een christelijke school. Wolf Bosboom werkte in Zaandam als los werkman, magazijnknecht, havenarbeider en incidenteel als zeepfabrikant. Wolf en Marianne verhuisden aanvankelijk jaarlijks. Tussen 1912 en 1927 woonden ze op Jasykoffstraat 43. Hierna waren er opnieuw veel adressen, in 1936 Hazenpad 10. Gedurende de oorlogsjaren bewoonden ze een huis aan de Zeemansstraat 35.

Lees meer

Voor de oorlog

Wolf Bosboom was overtuigd socialist en lid van de SDAP. Toen Nathan op 20 september 1911 ter wereld kwam, meldde Wolf de gemeente dat zijn zoon de 19de geboren was. Die dag vond namelijk Troelstra’s revolutionaire tocht naar Den Haag plaats, waaraan ook Bosboom deelnam. Hij was in 1929 een van de leiders van de Zaanse houtstaking. De inzet was 2 cent loonsverhoging per uur voor de losse arbeiders en 1,75 gulden per week voor de vaste. Wolf haalde geld op voor de zwangere vrouwen van de stakers en had daarvoor een bord met een ooievaar erop bij zich. Hij was de enige joodse havenarbeider en werd door zijn collega’s ‘het joodje’ of ‘Willem’ genoemd. In de jaren 1920-’30 was ‘Willem’ bestuurslid van de Houtbe- en Verwerkers Vereeniging Voorwaarts. Hij stond er bekend om het indienen van ‘mosies’, zoals hij het woord ‘moties’ op z’n Amsterdams uitsprak.

Tinus werd ‘pakker’ en ‘machinaal hout-bewerker’. Hij trouwde in 1928 met de Zaandamse Theodora Duyvis en woonde met haar op verschillende adressen in Zaandam en Koog. Vrouwtje ging het huis uit na haar huwelijk in 1931 met Jan Jacob Prins. Nathan staat beschreven als ‘exportknecht’ en ‘verkoper van bakkersartikelen’. Hij ging in 1938 op zichzelf wonen. Pieter was ‘fabrieksarbeider’. Op de Aufstellung der hiesig wohnhaften Juden van begin 1942 staat slechts het aantal ‘drie’ vermeld op het adres Zeemansstraat 35.

‘Evacuatie’

Op woensdag 14 januari 1942 kwam de brief met ‘Aanwijzingen voor de evacuatie uit Zaandam’. Nog diezelfde avond was er familieberaad. Zaterdag 17 januari zou de 36ste trouwdag van Wolf en Marianne zijn. Men besloot dat voor de trouwdag het hele huis leeg moest zijn, tot en met het net gevulde kolenhok aan toe. Donderdag en vrijdag verhuisden zoons en schoonzoons alle spullen met de bakfiets en handkar naar familieleden. Een van de buurtbewoners zei nog: “Dat mag niet hoor. Je moet alles achterlaten!”2 De christelijke buren waren bereid een aantal spullen te bewaren. “De ene wilde de klok wel hebben en de andere wilde dat wel hebben, je kent dat wel”, vertelde Piet Bosboom na de oorlog.3

17 januari

Exact een halve eeuw na de gedwongen verhuizing gaf Tinus Bosboom onder het pseudoniem ‘Groen’ (hij kon het emotioneel niet aan om onder zijn eigen naam in de krant te staan) een interview aan dagblad De Typhoon. Hij haalde daarin herinneringen op aan de dag dat zijn ouders en minderjarig zus Zaandam moesten verlaten. “Het is zo vies en gemeen. Overal hebben ze aan gedacht, je moest je huur opzeggen, het gas afsluiten, noem maar op. In die tijd kende je alle agenten bij naam. Moet je je voorstellen: ze komen binnen, vragen ‘Hoe gaat het er mee, meneer en mevrouw Groen?’ Ze inspecteerden het kleine valies dat mijn moeder bij zich had en zeiden toen dat ze konden gaan. Mijn broers moesten me tegenhouden. Ik had die agenten te lijf willen gaan. Zeg ik tegen dat schorem: ‘Waarom doen jullie dit?’ Antwoorden ze dat het orders waren die ze hadden uit te voeren. Dat begrijp je toch niet!”

Scheiding

In de loop van de gedwongen verhuizing liet Wolf zich op aanraden van zijn oudste zoon Tinus en de Zaandamse gemeenteambtenaar Theo van Boven van zijn vrouw scheiden, een maatregel die uit voorzorg ook enkele andere Zaanse gemengd gehuwden namen om hun niet-joodse gezinsleden niet in gevaar te brengen. De scheiding werd op 29 april 1942 uitgesproken, de dag waarop de Duitsers de invoering van de jodenster bekendmaakten. Het voordeel van de scheiding was dat Marianne samen met de twee jongste kinderen weer in Zaandam kon wonen. Maar kleinzoon Adriaan schreef later: “Niemand is er blij mee, ook degenen die er zo voor waren niet.”4 Tinus, in 1992: “Als ik er aan terugdenk is het een idee van een schoft, van een waanzinnige. Mijn vader, toen al tegen de zestig, moest huilen toen ik met het voorstel aankwam. Ik heb een enorm pleidooi moeten houden. Uiteindelijk heeft hij er in toegestemd. Binnen vier weken waren ze gescheiden.” Overigens handelen twee mutaties in de Zaandamse politierapporten van voorjaar 1942 over de scheiding. Er waren blijkbaar complicaties.

Onderduik en vervolg

Wolf zelf kwam door de scheiding in gevaar en dook onder in Friesland. Hij werd in 1943 op zijn onderduikadres gepakt, maar door het verzet uit de Hollandsche Schouwburg bevrijd. Zijn zonen Piet -schuilnaam ‘Piet Bakker’-, Nathan en Tinus lieten hem opnieuw onderduiken in Sexbierum, Amsterdam-Noord, Zaandam en tenslotte thuis, in zijn eigen woning aan de Zeemansstraat. In Zaandam dook Wolf het langst onder bij het echtpaar Kreuninger-Offenberg. Soms liep Wolf naar zijn vrouw op de Zeemansstraat, en toen de bevrijding in zicht kwam ging hij bij haar wonen (zie ook Bosboom*). Wolf Bosboom en zijn gezin overleefden de oorlog. Na de oorlog hertrouwde hij met Marianne, op dezelfde dag dat zijn dochter Annie in het huwelijk trad.

Piet, Nathan en Hanna

Zoon Piet Bosboom, halfjoods, wijdde zich vanaf 1942 volledig aan het verzet. Al voor de oorlog was hij overigens actief in de hulp aan joodse vluchtelingen uit Duitsland. Hij zou hen daar hebben opgehaald.5 In de oorlog heeft hij naar eigen zeggen zo’n vijftig joden ondergebracht in de Zaanstreek. In totaal is Piet bij de hulpverlening aan honderden personen betrokken geweest, zowel joden als geallieerde piloten en andere vluchtelingen. Voor zijn hulp aan onderduikers ontving Piet Bosboom na de oorlog onder meer de Yad Vashem-onderscheiding.

Bij Nathan en zijn vrouw Dien, die in de Czaar Peterstraat 68 woonden, dook in juli 1942 een Amsterdamse nicht onder,Greetje*. Later huisvestten ze nog een andere onderduiker, Ruben*. Ook de koerierster Beppie Nunes Nabarro-Ephraim* kwam bij Nathan thuis. Dien Bosboom, die na de oorlog een tijdje verpleegd werd in een herstellingsoord voor verzetsmensen, kreeg na de oorlog een onderscheiding.

Hanna en haar echtgenoot herbergden in hun arbeidershuisje aan de Eendrachtstraat eveneens een groot aantal onderduikers, joods en niet-joods. ‘Mevrouw Bakker’, zoals haar schuilnaam luidt, kreeg ze vooral aangeleverd door broer Piet.