Cohen (Levie)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Gezin Levie Cohen (Amsterdam, 26-9-1902 – Sobibor, 7-5-1943)1 en Margaretha Cohen-Teeboom (Amsterdam, 28-7-1898 – Sobibor, 7-5-1943) met Mietje (Amsterdam, 14-7-1927 – Sobibor, 7-5-1943) en Belia (Amsterdam, 10-7-1932 – Sobibor, 7-5-1943)

Kassier Levie Cohen woonde met zijn gezin tot aan hun verdrijving rond 30 maart 1942 op de Dahliastraat 28. Het gezin Cohen-Teeboom kwam na juli 1932 vanuit Amsterdam naar de Zaanstreek. Het gezin leverde op 18 februari 1941 hun aanmelding als voljoden in bij het gemeentehuis van Koog aan de Zaan. Op 20 maart kregen ze tegen betaling van 4 gulden hun Bewijzen van Aanmelding. Kort daarna werden twee zwarte J’s in het persoonsbewijs van de ouders en Mietje gestempeld.

Jodenevacuatie

Het huis van de Cohens had vijf kamers en was eigendom van E. Veen, zo staat genoteerd op de Verzeichnis evakuierten Judenwohnungen die het gemeentebestuur op 3 februari 1943 toestuurde aan de Beauftragte des Reichs-kommisars. Op die lijst staan zes huizen. Op dat van Blach* na waren ze allemaal weer bewoond. De inboedel was weggehaald en stond ter beschikking van de Zentralstelle. Er waren echter klachten, met name over de woning van Levie Cohen. Het gezin had in maart 1942 alleen handbagage mee mogen nemen en was de rest kwijtgeraakt.

Besmet huis

Maar het huis was niet ‘Judenrein’. Politieman Folkert Brandsma schreef al op 14 mei 1942 aan de Zentralstelle dat niet alles was weggehaald.2 Er stonden in de woning nog ‘einige alte Stühle und etwas Gerümpel’ (oude rommel)’ en spullen van goederenhandel Van Schaik uit Amsterdam. De artikelen waren in de schuur gezet en de rest was in een verzegelde kast gedaan. De huissleutel was vervolgens aan de nieuwe huurder overhandigd, J. Snijder. Een jaar later klom het gemeentebestuur in de pen over de oude spullen. Het schreef op 13 mei 1943 een scherpe brief aan de Zentralstelle. Als de vier stukken Balata-zeil, de rol linoleum, de vier oude stoelen en ‘de oude rommel’ niet zouden worden opgehaald, achtte de gemeente het beter de eigendommen aan de Nederlandse Volksdienst (NVD) te verkopen. De gemeente lijkt zich hier voor het karretje van de ‘arische’ bewoner te hebben laten spannen. De nationale welzijnsinstelling NVD was een kopie van de Duitse nazistische Volkswohlfahrt en werd in 1941 opgericht. “Vooral mensen die ‘erfbiologisch’ gezond waren, konden hulp krijgen. De zorg voor invaliden was niet zo belangrijk. De NVD richtte opvangtehuizen op voor moeders en kleuters, vakantiekolonies en herstellingsoorden. Het NVD kreeg 56.000 leden, die vooral uit NSB-kringen kwamen.”3

Lees meer

Zentralstelle

SS-leider van de Zentralstelle F. Wörlein bewaakte ‘zijn’ joodse eigendommen. Hij antwoordde op 17 mei 1943 aan de burgemeester de brief aan de betreffende afdeling te hebben doorgegeven en besloot: “Verkoop van meubilair van joden is principieel niet mogelijk.”

Amsterdam

De Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters vond de gemeente Koog aan de Zaan juist te laks. Per brief van 5 oktober 1942 schreef het hoofd dat Belia Cohen in Amsterdam was geregistreerd -zij volgde vermoedelijk onderwijs op een joodse school-, ‘maar ik heb geen afvoering [uitschrijving uit het bevolkingsregister] van u ontvangen’.4 Belia bleek sinds 28 juli op de Tilanusstraat 28b in Amsterdam te zijn geregistreerd. De gemeente stuurde haar persoonskaart op 6 oktober naar Amsterdam. Pas toen het hoofd van de Rijksinspectie op 12 november in een circulaire van de ‘Heeren Burgemeesters’ verlangde dat voor 31 december 1942 alle adreswijzigingen van joodse inwoners werden doorgegeven, ging de secretarie achter het adres van Belia’s ouders en zuster aan. Amsterdam liet eind december weten dat dit ook de Tilanusstraat 28b was.

Deportatie

Na de verdrijving uit Koog was het gezin Cohen-Teeboom inderdaad naar de Tilanusstraat gegaan. Op 28 huis woonde de diamantslijper Simon Teeboom (Amsterdam, 6-1-1873) met echtgenote Mietje Teeboom-Roosnek (Amsterdam, 7-4-1873) en hun zoon Isaac (Amsterdam, 22-3-1910). Gezien de leeftijden en de naam van Margaretha’s oudste dochter ging het vermoedelijk om haar ouders en broer. Simon en Mietje Teeboom werden begin 1943 opgehaald en op 5 maart 1943 in Sobibor vermoord. Niet veel later kwam het gezin Cohen in Westerbork terecht. Op dinsdag 4 mei 1943 vertrok hun transport. Na een reis van 72 uur in gesloten veewagens werden Levie (40), Margaretha (44), Mietje (15) en -zo goed als zeker- Belia (10) direct na aankomst in Sobibor door vergassing om het leven gebracht. (Enkele websites melden voor Belia 7 april 1943 als overlijdensdatum, maar dat lijkt een verschrijving. OP die datum sluit geen transport van Westerbork naar Sobibor aan.)

4. Mai 1943

Ook de gemeente Westerbork stond onder controle van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters. Alle bewoners van het Juden-durchgangslager werden in deze gemeente ingeschreven. Van iedere gedeporteerde werd vervolgens een door burgemeester en secretaris ondertekende kennisgeving ‘Afvoering bevolkingsregister’ gestuurd naar de gemeente waar de gevangene vandaan was gekomen. Bij Margaretha Cohen-Teeboom beschikte de ambtenaar blijkbaar alleen over het Koogse adres Dahliastraat 28. De kennisgeving van 19 mei 1943 over haar ‘afvoering’ op 4 mei ging daarom niet naar Amsterdam, maar naar Koog.5 Het door een stempel ongeldig gemaakte persoonsbewijs zat bij de brief. Blijkbaar was voor de arbeidsinzet in het Oosten geen persoonsbewijs nodig. De eerste alinea luidt: “Ik deel u mede dat de op bijgaande lijst(en) vermelde personen volgens alhier verkregen inlichtingen naar het buitenland vertrokken zijn.” De daarop volgende alinea’s geven aanwijzingen in het geval de vermelde perso(o)n(en) niet in de gemeente bekend waren. Het systeem moest immers kloppen. Aangehecht is een strookje met naam, geboortedatum en Koogs adres van Teeboom, Margaretha en de Duitse tekst: “Folgende Person aus Koog aan de Zaan ist am 4. Mai 1943 via Lager Westerbork abgereist.” Dat papiertje kwam kennelijk uit het kamp. De gemeente antwoordde vijf dagen later dat Margaretha Teeboom in Amsterdam had gewoond en dat het persoonsbewijs daarheen zou worden gestuurd. Deze correspondentie is de enige waaruit een verbinding blijkt tussen de ‘evacuatie’ uit de Zaanstreek en de ‘Abreise’ naar het buitenland. De woorden concentratiekamp of Sobibor lieten de Duitse en Nederlandse autoriteiten achterwege.

Voetnoten

1 Aanmeldingslijsten maart 1941, nummer 7 (4 pers.), en najaar 1942 nummer 11-14; Burgemeesterslijst nr. 11-13, 26; Politielijst zesde adres; Opgave geëvacueerden jan. 1943; Verzeichnis Judenwohnungen nr. 2; H8; G4; www.joodsmonument.nl

2 Gemeentearchief Zaanstad, Koog aan de Zaan deel 9, doos 195

3 www.verzetsmuseum.org

4 Gemeentearchief Zaanstad, Koog aan de Zaan deel 9, doos 195

5 Ibidem, zie afbeelding bij inleiding Koog aan de Zaan