Adelsberg-Leijdesdorff, van (Debora)

Laatste wijziging: 27 april 2016

Debora van Adelsberg-Leijdesdorff (Franeker, 18-10-1882 – Amsterdam, 17-10-1974) en Siegfried Harry (‘Freddy’) van Adelsberg (Amsterdam, 20-4-1914 – Amsterdam, 17-12-1992)1

Op de Westzaanse J.J. Allanstraat 162 woonde de weduwe Martijntje Gerdina ten Voorde-Roza (Veen, 3-8-1891 – 22-7-1968). Ze werd steevast ’tante Tiny’ genoemd. De gordijnen van een bepaald vertrek in haar huis waren altijd dicht, en ‘het hele dorp wist dat er joden zaten’.

Allanstraat

Dat Martijntje Roza joodse onderduikers had, werd mede duidelijk toen de op J.J. Allanstraat 184 wonende Pieter Valk iemand naar haar doorverwees. Zoon Theo Valk: “Op een mooie avond, eind april 1944, waren mijn ouders en ik rond 8 uur ’s avonds in de tuin voor het huis bezig, ons niets aantrekkende van de zogenaamde ‘Sperrzeit’. Langs de weg komt een vrouw aanwandelen. Ze was duidelijk in verwachting en vraagt of wij ook een slaapplaats voor haar hadden. Die was er op dat moment niet en mijn vader verwijst haar naar weduwe Ten Voorde op de J.J. Allanstraat 162. Een weduwe met een neefje uit Rotterdam in een ruime woning, dus… Later bleek dat ze daar helemaal niet blij mee was, omdat zij ook (joodse) onderduikers in huis had.”

Weduwe

Over Martijntje Roza is bekend dat ze de tweede echtgenote en, enkele jaren later, weduwe was van landbouwer/fabrieksarbeider Bartus ten Voorde (Voorst, 23-4-1883 – Westzaan, 14-4-1941). Het streng gereformeerde echtpaar was in 1934 in Westzaan in de echt verbonden. Over de genoemde onderduikers is veel te vinden in het naoorlogse strafdossier over Zaandammer Gerrit Koops (11-4-1918).

Cor Steijn

In het voorjaar van 1942 vroeg Cor Steijn, de koster van de Gereformeerde Gemeente in Westzaan, of zijn plaatsgenote Martijntje Roza joodse onderduikers in huis wilde nemen. De weduwe stemde in met het verzoek. Kort daarna kreeg ze bezoek van een haar onbekende man, Zaandammer Gerrit Koops. ‘Hij vertelde mij, dat hij reeds meerdere Joodse personen had helpen onderduiken en zeide, dat hij ook bij mij enige Joodse onderduikers zou brengen.’ Het duurde even, maar op 6 september 1942 bracht Koops de 61-jarige Amsterdamse Debora van Adelsberg-Leijdesdorff naar het huis van Tiny Roza in de J.J. Allanstraat 162. Debora was net als haar gastvrouw weduwe.

Weteringschans

Tot haar onderduik woonde Van Adelsberg aan de Weteringschans 92 in Amsterdam. Haar zoon Siegfried (‘Freddy’) Harry kende Gerrit Koops toen al geruime tijd. Als eigenaar van een groothandel in bijouterieën aan de Weteringschans had hij rond 1940 zakelijke contacten met deze medefirmant van Van Breukelen & Koops, een agentuur en commissiehandel in Zaandam. Die band leidde tot Koops’ aanbod om zowel Freddy’s moeder als zijn tante Sophia Niekerk-van Adelsberg onder te brengen op schuiladressen in de Zaanstreek. Freddy dook zelf onder bij zijn vriendin Catharina Berghuijs. Gerrit Koops hielp hem om zijn waardevolle bezittingen te verplaatsen naar zijn nieuwe adres in de Amsterdamse Vijzelstraat 76 III.

Bezittingen

Helemaal lekker verliep het contact met de tussenpersoon niet. Debora van Adelsberg vertelde haar gastvrouw dat Koops veel van haar bij kennissen ondergebrachte bezittingen weghaalde, voorgevend dat in haar opdracht te doen. De weduwe zag echter niets terug van haar eigendommen. Daar kwam nog iets bij. Freddy van Adelsberg: “Nadat ik ongeveer drie maanden was ondergedoken, werd bij mijn verloofde een brief bezorgd met de volgende inhoud: ‘Daar ik toevallig een gesprek opving, dat niet voor mij bestemd was, ben ik te weten gekomen wat er bij U op de 2e etage voorvalt. Nu heb ik een voorstel, zendt post restante Haarlem onder No. 525 ƒ 5000,- dat moet voor a.s. Donderdag gebeurd zijn, zo niet, dan zal ik tot andere maatregelen moeten overgaan. Doet U dit wel, dan zal ik U niet meer lastig vallen. Denk er dus om, post restante 525 Haarlem.’”

Chantage

Om aan die chantage te ontkomen vroeg Freddy aan Gerrit Koops of hij een nieuw onderduikadres kon verzorgen. Koops bracht hem een paar dagen later naar Tiny Roza in de J.J. Allanstraat. Hij hielp Freddy ook om zijn bezittingen te verhuizen, ‘waarbij hij ongeveer de helft van mijn kleding in koffers meenam naar zijn woning. Hij verzorgde vervolgens de levensmiddelenaanvoer naar mijn nieuwe verblijfplaats, waarvoor wij zwarte prijzen moesten betalen.’

Eigen voorraad

Na enige tijd ontdekte Freddy dat het merendeel van dat duurbetaalde voedsel afkomstig was uit zijn eigen huisvoorraad. Het leidde tot wantrouwen. Hij minimaliseerde het contact met Koops. Desondanks ging het van kwaad tot erger. Freddy’s verloofde Catharina Berghuijs kreeg onverwacht bezoek van twee zich als SD’ers voordoende mannen. Zij bleken tot in detail te weten welke kostbaarheden haar vriend bij haar had achtergelaten. Freddy: “Een der bedoelde personen die, naar mij later is verteld, [Christaan] Van Ham was genaamd en in de omgeving van Oudkarspel moest wonen, liet daarop een smid halen om de brandkast open te breken en nam, na opening daarvan, de inhoud van de brandkast, bestaande uit juwelen, sieraden en effecten daaruit. Deze juwelen vertegenwoordigden een vooroorlogse waarde van ruim twintigduizend gulden, de sieraden een waarde van ruim drieduizend gulden en de effecten een waarde van ongeveer zesduizend gulden. Tevens hadden voormelde personen een beschrijving bij zich van de in de woning aanwezige Perzische tapijten welke beschrijving beslist van Koops afkomstig moest zijn.”

Vertrek

Over de roof gealarmeerd door Catharina Berghuijs verlieten Freddy en zijn moeder begin september 1943 in allerijl de Westzaanse woning van Tiny Roza. Debora vertrok naar Haarlem, Freddy dook elders in de Zaanstreek onder. Toen Koops en zijn trawanten korte tijd later langskwamen in Westzaan vingen ze bot. Ook hun zoektocht in Zaandam naar Sophia Niekerk-van Adelsberg leverde niets op. Tiny Roza: “Na enige weken kwam Freddy weer bij mij terug, omdat ook dat adres niet veilig bleek te zijn.”

Jodenjager

Hij was er nog maar kort toen een in burger geklede jonge man zich bij Roza meldde die beweert bij de Sicherheitsdienst te werken. “Hij zeide mij, dat ik Joden verborg en dat hij daarnaar een onderzoek kwam instellen. Toen ik echter, gesterkt door de aarzelende houding die hij aannam, hem weigerde binnen te laten en hem resoluut terugwees, is hij weer onverrichter zake vertrokken.” Freddy was intussen aan de achterkant uit het raam geklommen en heeft zich in het riet verborgen. Na het vertrek van de jodenjager komt hij terug, geschrokken, maar niet betrapt.

SD’ers

Een dag later ging Tiny Roza naar Haarlem om Debora van Adelsberg wat van haar eigendommen te brengen. Na terugkomst vertelde Cor Steijn haar dat ‘Gerrit Koops die dag aan mijn woning was geweest, terwijl hij tussen twee hem onbekende personen werd geleid, welke personen zich uitgaven voor SD’ers.’ Freddy: “Ik zag door een venster van een zolderkamer, waarin ik als regel verbleef, dat een auto voor de woning stilhield, waaruit Koops stapte, vergezeld van twee andere personen, waarvan de een reeds de dag tevoren als SD’er bij juffrouw Ten Voorde [de naam van Tiny’s in 1941 overleden echtgenoot] was geweest. Koops liep tussen bedoelde personen in en was blijkbaar hun gevangene.”

Riet

Freddy, die alleen thuis was, dook opnieuw tussen het riet. Het drietal liep naar Cor Steijn, die tegenover Tiny Roza in de pastorie woonde, J.J. Allanstraat 187. De weduwe: “Koops had toen tegen Steijn gezegd: ‘Als Freddy niet voor de dag komt, hang ik.'” Steijn deed alsof hij van niets weet. Het gezelschap verliet het dorp zonder iets te hebben bereikt.

Omsingeld

Het intimiderende bezoek was voor Freddy van Adelsberg het sein om Westzaan definitief achter zich te laten. Hij vertrok naar een onbekend adres en zou de oorlog heelhuids doorkomen. Tiny Roza daarentegen was nog niet uit de problemen. In het najaar van 1943 werd haar woning ‘plotseling omsingeld door 5 personen in burgerkleding, die plat Hollands spraken (…) Ik kreeg wel de indruk, dat, in tegenstelling met vorige malen, deze personen wel van de SD waren’, zegt ze. De naam Van Adelsberg viel en de ongenode gasten wilden ook weten of ze Gerrit Koops kende. Roza deed of haar neus bloedde. Een huiszoeking leverde niets op. “Ik had alle Joodse eigendommen reeds verwijderd, behalve een koffer met Joodse boeken, die zij echter niet vonden.” De bezoekers vertrokken, Tiny Roza ondervond verder geen problemen.

Onderduikersleed

Onduidelijk is of Gerrit Koops bemoeienis had met het laatste bezoek. Het is echter niet denkbeeldig dat de SD-inval samenhing met zijn arrestatie. Die vond op 23 december 1943 plaats in Amersfoort. Teunisje van Ginkel, met wie hij een half jaar eerder trouwde, woonde daar sinds augustus ‘bij een kennis van ons, Paul Hufman genaamd, wonende Celsiusstraat 42’. Naast Koops werden ook Hufman en een zekere Van den Eshof gearresteerd, volgens Van Ginkel allen op verdenking van ‘oplichting van Joden en dergelijke misdrijven’. Of ook Christiaan van Ham, Koops’ partner in crime bij de beroving van Freddy van Adelsberg, werd opgepakt is onbekend. Van Ham, Hufman en Koops hadden een gedeeld verleden. Ze brachten als minderjarigen alle drie enige tijd door in een opvoedingsgesticht in Hoenderloo. Blijkbaar hadden ze in de navolgende jaren contact gehouden met elkaar.

Spijtoptant

Volgens zijn echtgenote Teunisje dook Gerrit Koops na zijn ontsnapping onder op verschillende adressen in Noord-Brabant. Na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, ‘is hij naar huis gekomen, waarna wij naar Haarlem zijn vertrokken’. Gerrit Koops bleek een spijtoptant. Teunisje: “Op 18 October 1944 is hij naar het Zuiden des lands vertrokken om te trachten zich bij het leger in de bevrijde gebieden te voegen om, zoals hij mij zeide, goed te kunnen maken wat hij misdreven had. In de tijd dat hij thuis was heeft hij mij verteld, dat hij tezamen met Van Ham Joden had gechanteerd, iets waarvan hij veel berouw had. Uit de verhalen van mijn man heb ik sterk de indruk gekregen, dat Van Ham hem heeft meegesleept in de verschillende Jodenaffaires.” Betreurde Koops werkelijk zijn zonden – hij had in 1943 ook geprobeerd om een andere joodse man te chanteren – of was hij met de bevrijding in zicht bang een zware straf tegemoet te gaan?

Veenendaal

Gerrit Koops probeerde inderdaad om het al bevrijde deel van Nederland te bereiken. Hij kwam echter niet verder dan Gelderland, net boven de rivieren die hem scheiden van de geallieerde troepen in het zuiden. Daar werd hij opnieuw gearresteerd. De Wehrmacht zette hem in een auto en bracht hem op 30 oktober weg. Op de Nieuweweg in Veenendaal sprong hun gevangene uit de wagen. Een soldaat van de Wehrmacht vuurde op hem. Een kogel raakte de Zaandammer in zijn rechteronderbeen. Daardoor bloedde hij dood. Hij werd daags na zijn overlijden als ‘onbekende’ bijgezet op de gemeentelijke begraafplaats van Veenendaal. Het duurde tot na de bevrijding van Nederland voor zijn identiteit kon worden vastgesteld. Op 23 september 1946 werd Koops voor de tweede keer begraven, op de Algemene begraafplaats in zijn voormalige woonplaats Zaandam.

1 Mededeling van A. Heermans-Smit (oktober 2006) en Theo Valk uit Westzaan (18-4-2018); www.gvanbinsbergen.org; Informatie van Henk Krigee (21-4-2018); De Banier (20-7-1934); www.online-begraafplaatsen.nl; Nationaal Archief-CABR-dossier Gerrit Koops; Historischcentrumfraneker.nl; Meitotmei.nl; Stadsarchief Amsterdam, persoonskaarten