Degen (Marcus/Max)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Marcus (‘Max’) Degen (Amsterdam, 24-10-1942)1

Marcus Degen was als klein kind onder de naam Max Schaap bijna twee jaar ondergedoken bij het Zaandamse echtpaar Arend en Welmoet (‘Wellie’) Schaap-Vredenduin, Prinsenstraat 10.

Familie

Zijn ouders waren diamantair Louis (‘Loutje’) Degen (Amsterdam, 12-2-1916) en Rebecca (‘Beppie’) Degen-Berger (Amsterdam, 18-9-1916). Van de huwelijksdag, 8 april 1937, zijn foto’s bewaard gebleven. Het eerste kind, Isaias (‘Sjakie’), werd op 13-12-1939 in Amsterdam geboren. Het gezin woonde aan het begin van de oorlog op de Nieuwe Achtergracht 12 hs in Amsterdam, vlak achter theater Carré, en daarvoor enige tijd in Antwerpen. In de periode na 17 januari 1942, toen de joden Zaandam moesten verlaten, kwam het bejaarde echtpaar Aron en Rebecca Pais* boven hen wonen.

Tante en (oud)oom

Toen Max geboren werd, was de deportatie van joden vanuit Amsterdam naar Polen in volle gang. Eva Degen, zuster van Louis, moest al op 17 juli 1942 naar Westerbork; ze stierf op 30 september in Auschwitz – wat de familie niet wist. Rebecca bracht haar kind naar een oudoom van Louis, Isaäc (‘Sjaak’) van der Glas (Amsterdam, 16-10-1887). Die woonde in de Kerkstraat 330 I-II, boven ijzerwinkel Filet (zie de foto). Hij was pianist en werkte onder meer bij filmtheater Tuschinski. Zijn vrouw, Johanna Eduardia Maria (‘tante Wies’) Heick (Hamburg 27-2-1889), was niet-joods en Duitse. Johanna Heick was indertijd met een circus in Amsterdam en trad op in Tuschinski. Een van haar variéténummers was rijden op een eenwielig fietsje. Johanna was mollig en beantwoordde aan het schoonheidsideaal van die dagen. Er ontstond een romance. De familie Degen was sterk tegen het huwelijk geweest, maar Sjaak had doorgezet en de verhoudingen waren tenslotte genormaliseerd. Tante Wies had na de variété ook een café op het Rembrandtplein, met dames van plezier. Rebecca kwam dagelijks langs in de Kerkstraat om haar baby de borst te geven en te verzorgen.

Westerbork

Aan zelf onderduiken dachten Louis en Rebecca Degen niet. Zoals de meeste Nederlanders meenden ze dat het met de jodenvervolging uiteindelijk wel zou meevallen. Toen tante Wies aanbood om ook Sjakie op te nemen, vonden ze dat niet nodig: “Hij is al drie. Als wij moeten gaan werken in een kamp, kan hij wel mee; een baby niet.”2 Midden maart 1943 werden Louis, Rebecca en Isaias opgepakt en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Op 23 maart gingen ze naar Durchgangslager Westerbork, barak 60. De inschrijvingskaarten van de gemeente en van het kamp zijn bewaard. Onderaan staat ‘Diam’ genoteerd. Vermoedelijk werd hiermee de speciale positie aangegeven die werkers en handelaren in de Amsterdamse diamantindustrie sinds de zomer van 1942 hadden.3 Driehonderd ondernemers en vijfhonderd bewerkers kregen vanwege het bedrijfsbelang vrijstelling van deportatie. Later kon men tegen inlevering van industriediamanten ook vrijstellingen voor zichzelf en familieleden kopen. In februari 1943 werd deze, vaak duur betaalde, Sperre opgeheven. Het is mogelijk dat ook de familie Degen een vrijstelling heeft gehad.

Lees meer

Afscheid

Op 1 april 1943 stuurden Louis en Rebecca Degen een kaartje aan ‘Tante en Oom’ (Wies en Sjaak van der Glas) – zie de kopieën.4 Ze noemden Max niet bij name, maar vroegen: “Hoe gaat het met Uw neefje? Is hij zoet?” Als tante en oom een foto van hem hebben, ‘houden wij ons aanbevolen’. Verder schreven ze: “Vader en Moeder zijn al weg.” De ouders van Louis, Marcus Degen (Amsterdam, 22-3-1885) en Sientje van der Glas (Amsterdam, 31-3-1893), waren op 27 maart in Westerbork gekomen, barak 63, maar al na drie dagen op transport gezet. Onmiddellijk na aankomst in Sobibor, op 2 april 1943, werden ze vergast. Louis en Rebecca kwamen terug op Max: “Tante en Oom, wij hopen spoedig iets van jullie te horen. U mag ons steeds schrijven.” Ze deden de groeten aan familie en bekenden en vroegen hen eventueel iets naar het kamp te sturen. Met ‘1000 kussen van Jacques’ namen ze afscheid van Wies, Sjaak en de vijf maanden oude Max. Louis, Rebecca en Sjakie Degen gingen vijf dagen na de briefkaart op transport. Op de inschrijvingskaart van het kamp staat met de hand ‘op transport’ geschreven, terwijl over de kaart heen met rood ‘Tr 6.4.43’ is aangebracht. Misverstand uitgesloten. Louis, Rebecca en Isaias Degen werden op 9 april 1943 in Sobibor vergast.

Arrestatie

Sjaak en Wies van der Glas hadden behalve hun achterneefje ook een joods meisje van een paar maanden in huis, Martha Zwaaf*. Bovendien had Wies zich al veel eerder over het zoontje van een bekende ontfermd, Gerard Stol. Hij beschouwde oom Sjaak als zijn vader. In augustus 1943 was hij 13. Gerard vertelde Max in de zomer van 2008 in Australië wat er toen gebeurde.5 Wies stond boven aan de trap, onder elke arm een baby. Gerard stond naast haar, oom Sjaak was niet thuis. Een Duitse en een Nederlandse geüniformeerde stonden beneden, het geweer op de vrouw en de drie kinderen gericht. Wies schold hen de huid vol, maar moest Max en Martha afgeven. De inval bleek het gevolg te zijn van verraad. Haar man werd even later opgepakt. Sjaak werd via de gevangenis aan de Weteringschans naar Westerbork gestuurd. Wies ging naar het kamp om, voorzover dat mogelijk was, haar man wat toe te stoppen. Isaäc van der Glas kwam op 31 mei 1944 in Auschwitz om het leven.

Crèche

De baby’s kwamen in de crèche van de Hollandsche Schouwburg terecht. Wies voelde zich verantwoordelijk en ging erheen. Aan ‘goede’ personeelsleden kon ze duidelijk maken dat er toestemming was om de kinderen te laten onderduiken. Wies kwam door de oorlog en overleed in 1975 in Amsterdam. Er is een foto van haar bewaard, gemaakt rond 1960.

Zaandam

Max en Martha bleven maar een paar dagen in de crèche. De illegale organisatie in de crèche kon voor jonge kinderen meestal gauw onderdak vinden. Op 20 augustus 1943 droegen mensen van de Zaandamse Trouw-groep Max in een koffer naar buiten. Martha werd vermoedelijk op dezelfde manier door hen meegenomen. Nel Dekker was de contactpersoon. Haar ouders, Gerrit en Beth Dekker-Broek dreven bakkerij De Zeeuw op de Vinkenstraat 54 en op enkele andere plaatsen in Zaandam. Er zijn over de komst van Max briefjes aan Gerrit Dekker en de LO-man Willem Brinkman bewaard gebleven. De twee kinderen werden bij Gerrit en Beth gebracht. Martha kon terecht bij de oudere zuster van Gerrit, Maria de Vries-Dekker, van de banketbakker op Westzijde 74. Voor Max werd een beroep gedaan op Hendrik Schaap (1877), die met zijn vrouw Marijtje Kaaper (1878) op de Klaas Katerstraat 19 woonde.6 Nel Dekker had op dat moment verkering met hun zoon Rinus. Net als het echtpaar Dekker-Broek was ook dit gereformeerde huisgezin -met acht zonen en een dochter- een opvang- en doorgangsplek voor joodse kinderen. Hun andere zoon, timmerman Arend, had zich met zijn vrouw Welmoet Vredenduin in de kerk aangemeld als onderduikadres voor joden. Omdat zij in die periode geen kinderen konden krijgen, was Max zeer welkom.

Westzaan

Een probleem was dat Arend op dat moment vanwege de verplichting om in Duitsland te werken naar Friesland was gegaan om onder te duiken. Welmoet was met hem mee, maar zou terugkomen. Zodoende sprong een zuster van Wellie in, Trien Volkers-Vredenduin. Zij woonde op de Middel 165 in Westzaan. Haar man Jo kwam naar de Klaas Katerstraat en vervoerde Max ’s avonds in een kinderwagen die achter zijn fiets hing naar Westzaan. De kleine jongen bleef er vermoedelijk een paar weken. Max hoorde pas tijdens de overlijdensdienst voor Jo Volkers (rond 1995) dat hij door Jo altijd als hun tweede kind was beschouwd.

Schaap-Vredenduin

Wellie en Arend woonden op de Prinsenstraat 10 in Zaandam. Toen Welmoet terugkwam, bracht haar zuster het jongetje bij haar. In die tijd moet een foto zijn gemaakt van Wellie met de kleine Max. Arend zat in de gemeente Kollumerpomp, ten zuiden van het Lauwersmeer. Kort daarna gingen ook Welmoet en Max daarheen om onder te duiken. Het gezin bleef vanwege het risico echter niet bij elkaar. Max kreeg met zijn pleegmoeder in de stad Groningen onderdak bij de oud-Zaandammers Teun Dekker en Grietje Valk en bij de familie Wim en Mien Beuker. Afwisselend verbleven ze in Kollumerpomp, de Zaandamse Prinsenstraat en Groningen. In de laatste gemeente bleven zij tot na de bevrijding. Volgens de familie Dekker kwam Wellie Schaap toen ook met Max op bezoek bij Martha. Er is uit die tijd een foto van Max met zijn onderduikouders, waarbij Arend een versiering in zijn revers draagt, vermoedelijk vanwege een feestdag.

Voogden

Tante Wies zocht meteen na de bevrijding via allerlei instanties naar haar neefje. Ook een goede vriendin van Beppie Degen, Klaartje Koster, zocht hem. Zij had nog bij Beppie en Louis in Antwerpen gewoond en de oorlog door onderduik overleefd. Klaartje was bovendien in 1945 aan het werk gegaan bij de Voogdijcommissie voor Oorlogspleegkinderen. Deze OPK (mei 1945 – augustus 1949) was de officiële voogd van joodse en niet-joodse oorlogswezen en probeerde de kinderen over te dragen aan een feitelijke voogd: de echte ouders, de pleegouders, familieleden of iemand anders. In sommige gevallen leidde dit tot problemen. Zo ook rond het voogdijschap over Max. Zowel tante Wies als Klaartje vonden Max bij de familie Schaap in Zaandam. Daarnaast meldden er zich overlevende familieleden van de Berger-kant, broers van Rebecca’s moeder Emma Berger-Dekker. Oom Leo Dekker was voogd geweest over Rebecca, omdat haar vader vroeg was overleden. Hij wilde haar zoontje Max in een joods gezin plaatsen. Tante Wies wilde Max graag bij zich opnemen, want Louis en Rebecca hadden hem aan haar zorgen toevertrouwd. Arend en Welmoet Schaap wilden het kind houden.

Beslissing

Wies van der Glas was toen bijna 60 en zag dat er goed voor haar achterneefje werd gezorgd. Ze zag af van een juridische procedure bij de OPK. De relatie tussen de Zaanse pleegouders en de eerste pleegmoeder bleef echter moeilijk. De andere partij, oudoom Leo Dekker, stelde als voogd een joods gezin in Naarden voor, de familie Ryxman. Deze begonnen wel een procedure, die werd verloren. Daarop ging de familie Ryxman in hoger beroep. Ook die verloren zij. Na vier jaar touwtrekken, op 1 september 1949 -toen de OPK werd opgeheven-, ging de voogdij over Max naar pleegvader Arend Schaap. Klaartje Koster werd toeziend voogd.

Zaans jongetje

In de loop van 1945 bleek definitief dat de ouders en andere naaste familieleden van Max niet terugkwamen uit de kampen. Hij was wees, al wist hij dat toen niet. Zijn pleegouders vertelden hem wel, zoals het OPK had gevraagd, dat zij niet zijn echte vader en moeder waren. Maar Max was een kind. Hij hield van Arend en Welmoet en het verschil zei hem niets. Max werd als een gereformeerd Zaans jongetje opgevoed. Hij kreeg een goed verzorgde jeugd en bewaarde ook goede herinneringen aan opa en oma Schaap uit de Klaas Katerstraat. Op de school- en sportdiploma’s die Max kreeg uitgereikt, stond Schaap vermeld als zijn achternaam. De naam Degen was hem vreemd. Enveloppen waarop die naam stond, gooide zijn pleegmoeder weg. Max’ pleegouders waren door de vier jaar durende procedures bij de OPK bang geworden hem kwijt te raken en zwegen over zijn achtergrond. Ook de contacten met de families Dekker en de Vries werden afgeschermd. In 1958, toen hij 16 jaar werd, had Max zijn naam ook officieel kunnen wijzigen in Schaap, zoals de pleegouders het liefst zagen. Maar Max wilde niet.

Naam

In 1960 kreeg Max een oproep voor militaire dienst, bestemd voor Marcus Degen. Die brief was een enorme schok voor hem. Hij besefte plotseling dat hij een andere, onbekende geschiedenis had. Nu stoorde het hem dat hij zijn eigen naam niet droeg en hij ging die aan iedereen vertellen. Dat was soms ingewikkeld. Familie en kennissen van zijn pleegouders, die tot dan alleen Max Schaap kenden, werden plotseling geconfronteerd met de naam Marcus Degen.

Huwelijk

Tot zijn huwelijk in 1965 woonde Max bij Arend en Wellie Schaap in huis. Hij trouwde met Lutske (‘Lutie’) Kruijver (Zaandam, 16-2-1945). Het echtpaar kreeg twee kinderen: Marcus jr. (Westzaan 21-12-1966) en Wouter (Westzaan 28-9-1969). Arend en Wellie Schaap waren een droom-opa en -oma. In 1982 werd Max gevonden door een achterneef en een achternicht, die evenals hij de Sjoa hadden overleefd. Zij hadden nog een foto waarop zijn moeder Rebecca en zijn broertje Sjakie stonden.

Zie ook Marcus Degen* in Westzaan.

Voetnoten

1 Mededelingen Max en Lutie Degen-Kruijver (Callantsoog 2006-2009); www.kampwesterbork.nl

2 Alex Bakker, Dag pap, tot morgen. Joodse kinderen gered uit de crèche (2005), (p. 45-48)

3 Website Joods Momument, www.joodsmonument.nl/article-509587-nl.html

4 Ibidem (p. 46)

5 www.joodsmonument.nl heeft een verkeerde datum: 19 september 1943. Dit kan het ontslag uit de gevangenis zijn geweest

6 http://home.wanadoo.nl/sytskebarkhuis/schouten.htm