Dispeker-Goldschmidt (Isabella)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Isabella (‘Bella’) Dispeker-Goldschmidt1 (München, 17-8-1874/Lugano, 1961)

In 1938 verliet Isabella Dispeker nazi-Duitsland en trok naar Nederland, in navolging van haar dochter Margaretha (‘Grete’) Elisabeth Weil-Dispeker (Rottach-Egern, 18-7-1906) en schoonzoon Edgar Weil (Frankfurt, 7-7-1908). Een jaar eerder was haar echtgenoot Siegfried (1865) gestorven, een gerespecteerd advocaat en rechter tot het moment dat de nazi’s hem ontsloegen en enige tijd gevangen zetten. De dramaturg Edgar Weil werd in 1941 opgepakt bij een razzia in Amsterdam-Zuid en in september van dat jaar om het leven gebracht in Mauthausen. Edgars weduwe Grete ging werken bij de Joodsche Raad in Amsterdam en zou na de oorlog veel boeken en toneelstukken schrijven over de Holocaust. Tramhalte Beethovenstraat (Wiesbaden, 1963) gaat over haar ervaringen in Amsterdam. Eind jaren dertig en tot de inbeslagname van haar studio in de zomer van 1943 voorzag Grete in haar levensonderhoud door foto’s te maken.

Beethovenstraat

Het echtpaar Dispeker bewoonde in de jaren ’30 in de buurt van München een groot huis waar literaire humanisten als Thomas Mann over de vloer kwamen. Na nazi-Duitsland te zijn ontvlucht, betrok Isabella een woning in Amsterdam. Haar dochter woonde aanvankelijk op de Beethovenstraat 48 III, waar ze vanaf 1942 dagelijks getuige was van de jodendeportaties. Daar kwam ook haar moeder te wonen. In het literaire magazine De Parelduiker beschreef Reinjan Mulder hoe Grete Weil op zondag 5 juli 1942 bij haar moeder lunchte toen er een panisch telefoontje kwam van een Nederlandse vriendin: een joodse vluchteling had een oproep gekregen voor de Arbeitseinsatz en moest zich op het Centraal Station. Nog dezelfde dag bleken de Duitsers ook op zoek te zijn naar Grete. Ze ontsnapte aan arrestatie, omdat ze niet thuis was. Een paar dagen later solliciteerde ze met succes bij de Joodsche Raad, wetend dat ze zo een Sperre kon krijgen. Ze kon vrijwel meteen beginnen.

Joodsche Raad

Door Gretes werk bij de Joodsche Raad kon ze zelf langdurig bovengronds blijven leven en hoopte ze dat haar moeder voorlopig ook gespaard zou blijven. Ook dat lukte aanvankelijk; Bella Dispeker kreeg eveneens een Sperre. Grete Weil moedigde haar moeder overigens aan om onder te duiken, maar die weigerde aanvankelijk. Reinjan Mulder: ‘Tussen 3 en 5, wanneer ook Joden de straat op mogen, gaat ze daar [de Transvaalbuurt] haar boodschappen doen, waarbij ze haar tas zo houdt dat niemand de zespuntige, gele ster op haar jas ziet. De rest van de dag bezoekt ze bekenden, zoals de vrouw die vroeger bij haar als “dienstmeisje” heeft gewerkt. Deze “boerenvrouw” biedt haar zelfs aan om bij haar onder te duiken. Maar Bella Dispeker wil daar nog niets van weten. Zij heeft nog haar dochter bij de Joodse Raad.’   Vanaf 11 augustus 1943 woonde Isabella Dispeker op de President Steynstraat 5. Pas toen ze, eind september 1943, door toeval en bluf werd gespaard tijdens een razzia in de hoofdstad accepteerde ze alsnog een schuilplaats.

‘Kinderfrau’

De weduwe Dispeker dook onder bij een bevriende boerenfamilie in Zuid-Holland. Omdat er kans was op verraad, bracht ene ‘Greet Mutter bald zu ihren Freunden nach Zaandam, wo Mutter es wirklich gut hat, jedoch nicht bleiben kann. Sie wird weitergereicht an ein junges Ehepaar mit zwei kleinen Kindern. Der Mann ist Lebensmittelchemiker, es gibt alsof fast immer genug zu essen. Die Frau ware eine gute Nazisse, doch scheint es inzwischen opportun, etwas gegen den Feind zu unternehmen, und die alte Jüdin ist als Kinderfrau gut zu gebrauchen’.2

Van Ree

Bella Dispeker verbleef op twee verschillende adressen in Koog aan de Zaan. In 1982 haalde Hans van Ree (1928-2004) ‘intense’ herinneringen op aan de door hem gewaardeerde ’tante Bella’. daaruit blijkt dat het Zaandamse adres waar zij ‘es wirklich gut hat’ in werkelijkheid in Koog te vinden was. Hans woonde met zijn ouders Hendrik Eliza (‘Henk’) en Maria (‘Mies’) van Ree en zijn oudere broer Kees in de Koogse Sportstraat 8. Vader Van Ree was in zijn woonplaats bedrijfsleider bij Honig. Volgens Hans van Ree verbleef Bella Dispeker enkele maanden in zijn ouderlijk huis. Daar ontmoette hij toen ook eenmaal haar dochter Grete, die blijkbaar vanuit haar onderduikplek was overgekomen. Twee jaar na de oorlog zou hij nog met zijn ’tante’ een door Bruno Walter gedirigeerd concert bezoeken in het Concertgebouw. Grete Weil had Walter al voor de oorlog gefotografeerd.

Berkhout

Op een naoorlogse lijst van het Nationaal Steunfonds is te lezen dat dit illegale fonds maandelijks 125 gulden betaalde aan onderduikgevers op de Lagedijk in Koog aan de Zaan. Daar woonde op nummer 31 een chemicus van voedselproducent Honig met zijn echtgenote en twee kinderen. Het betrof Frans Berkhout en E. Berkhout-Weissenborn. Hij is de ‘Lebensmittelchemiker’ op wie Grete Weil doelde en naar wie haar moeder verhuisde vanuit de woning van de familie Van Ree.

Cyaankali

Berkhouts zoon Rens weet dat ’tante’ Isabella ongeveer anderhalf jaar, tot een paar dagen na de bevrijding, bij de familie verbleef. Ze had een nierbekkenontsteking en lag daarom vaak op bed. Af en toe verscheen er een peilwagen in de straat, die ongetwijfeld op zoek was naar een op Lagedijk 33 ondergebrachte illegale radiozender van het regionale verzet. Telkens was er daardoor de angst dat er een inval zou volgen bij de familie Berkhout. Isabella Dispeker was niet van plan om in handen van de nazi’s te vallen en hield daartoe een cyaankali-pil paraat.

Prinsengracht

Isabella Dispeker overleefde de jodenvervolging. Vanaf juli 1945 woonde ze aanvankelijk samen met haar dochter op de Prinsengracht 257 huis, Gretes laatste onderduikadres en voordien bewoond door de in augustus 1942 om het leven gebrachte joodse verzetsman Alexander Salomon de Leeuw. Daarna keerde Isabella Dispeker terug naar de Beethovenstraat (na eerst een klein jaar in Bloemendaal te hebben gewoond), op 29 april 1948 gevolgd door de Herman Gorterstraat 13 huis in Amsterdam. Op 9 oktober 1956 vestigde ze zich te Lugano in Zwitserland. Grete Weil, die op 14 september 1956 naar Frankfurt vertrok, zou in de naoorlogse decennia uitgroeien tot grande dame van de Duits-joodse literatuur. Zij stierf op 14 mei 1999 in Grünwald bij München.

www.joodsmonument.nl; NIOD-archief, toegang 185b, inventarisnummer 9d; Weil, G. Leb ich denn, wenn andere leben, Zürich (1998); NRC Handelsblad (27-5-1999), Het Parool (29-5-1999); Informatie van L.F. Berkhout uit Zaanstad (31-8-2009) en Henk Krigee uit Zaandam (22-10-2009); De Parelduiker (nummer 1-2024); Persoonskaart Gemeentearchief Zaanstad; Monacensia Literaturarchiv, brief Hans van Ree aan Grete Weil (30-4-1982)

2 Leb ich denn, wenn andere leben, p. 192