Drilsma (Abraham)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Gezin Abraham Drilsma (Harlingen, 11-3-1899 – Auschwitz, 30-9-1942)1 en Rachel Drilsma-Groenstad (Amsterdam, 14-7-1900 – Auschwitz, 26-8-1942) met Roosje (Zaandam, 3-9-1927 – Auschwitz, 26-8-1942) en Leonard Adam (Zaandam, 18-5-1937 – Auschwitz, 26-8-1942)

Abraham Drilsma had samen met zijn vader een groothandel in huishoudelijke artikelen, papier en schrijfwaren op de Gedempte Gracht 95, nu de Rozengrachtsteeg. Abraham begon in 1925, in het pand naast zijn ouders’ winkel. Beide huizen stonden op naam van Adam Drilsma. Het pakhuisje van de groothandel werd in de tuin van nummer 93 gebouwd. Op 3 september van datzelfde jaar trouwde hij met Rachel Groenstad. Het kerkelijk huwelijk had drie dagen later plaats. Rachel kreeg bij die gelegenheid een in leer gebonden Duits gebedenboek (‘siddoer’). Na twee jaar werd dochter Roosje geboren. Evenals de familie Pais* stond het gezin bij de Duitse vluchtelingen die na 1933 naar Zaandam kwamen als ‘hartelijk’ bekend. Roosje wordt door een toenmalig vriendje herinnerd als een heel lief en speels kind. De kinderen speelden op de demp tussen de Gedempte Gracht en het toenmalige Dampad. Roosje ging in september 1940 naar de eerste klas van het Gemeentelijk Lyceum.

Oorlog

In oktober 1940 moest Drilsma de zaak van Drilsma en Zoon bij de Wirtschaftsprüfstelle als ‘joodse onderneming’ laten registreren. Een politieaantekening van 16 januari 1941 werpt licht op economisch antisemitisme door een niet-joodse collega, die dreigt met inschakeling van de Duitse politie: “16 Januari 1941 te 2.30 uur n/m deelt Abraham Drilsma, oud 42 jaar, koopman, wonende alhier, Gedempte Gracht no. 95, mede, dat hij heden een brief heeft ontvangen, onderteekend door J. Kalf, Zeemansstraat no. 63, waarin hem wordt beticht, dat hij nog heden van Kalf een partij boterhammenpapier moet kopen tegen de prijs van fl. 50,- per 1000 rollen. Doet hij zulks niet en stelt hij Kalf niet nog heden voor fl. 5,- schadeloos, dan zal deze (Kalf) aan de Ordnungspolizei doorgeven, dat Drilsma wèl 1000 rol à fl. 40,- wil koopen, doch niet tegen den prijs van fl. 50,-. Volgens Kalf zou Drilsma zich dan, indien hij de rollen voor fl. 40,- per 1000 stuks zou koopen, schuldig maken aan prijsopdrijving. De rechercheur v/d Wulp onderzoek.”2

‘Arisering’

In maart 1941 vond de ‘arisering’ van de firma plaats: de zaak moest aan een niet-joodse bewindvoerder worden overgedragen. In augustus moest het gezin geld, giro- en banksaldi en effecten afstaan aan de roofbank ‘Liro’ (Lippmann-Rosenthal). Op 1 september 1941 werd joodse kinderen de toegang tot school ontzegd. Roosje ging vervolgens naar het Joodsch Lyceum in Amsterdam, en zat daar met Alfred Führer* in klas IIb.3 Haar Zaandamse vriendje begreep niet dat ze plotseling weg was en waarom in de zaak van haar vader een Verwalter was aangesteld.

Lees meer

Plundering

Bij de politiemutaties van begin 1942 staat de vraag van K. Kat om Drilsma’s perceel ‘vrij te geven’. Het pand, eigendom van een levensverzekeringsmaatschappij -waarschijnlijker is echter de Niederländische Grundstück Verwaltung-, was na de gedwongen verhuizing blijkbaar geruimd. Een politierapport van 1 september 1942 meldt dat jongens bezig waren om in te breken in de (lege) winkel. Het gebeurde vaker dat er pogingen werden gedaan de leegstaande woningen van joodse gedeporteerden te plunderen. Klaas Kan (1937) weet dat de bovenwoning in diezelfde tijd werd toegewezen aan Van Wijngaarden. De man stond bekend als ‘een gewelddadige bruut’. De benedenverdieping en het pakhuis in de tuin van nummer 93 stonden tijdens de oorlog leeg.

Amsterdam

In Amsterdam kwam de familie Drilsma terecht op het adres Pieter Aertszstraat 100 III. Daar woonde een oudere zus van Rachel, Elisabeth. Zij was getrouwd met Emmanuel Augurkiesman. Het gezin had twee kinderen. Al met al moet het enorm vol zijn geweest in de woning, gezien het grote aantal inwoners vanaf begin 1942.

Deportatie

De inbraakpoging in de winkel van de Drilsma’s vond plaats toen het gezin al naar Auschwitz was gedeporteerd. Dat gebeurde namelijk in augustus 1942. Zij hoorden vermoedelijk tot degenen die al voor de eerste ophaalacties waarbij joden werden opgesloten in de Hollandsche Schouwburg (14 oktober 1942) een ‘Oproeping’ kregen of ze werden in een razzia opgepakt. Ze deelden het lot van de grote meerderheid van joodse burgers die niet het geld, de relaties of de wil hadden om aan beschermende stempels te komen die tot uitstel konden leiden. Onderduiken was op dit tijdstip van de oorlog vaak nog moeilijker. En men werd toch alleen voor ‘werkverruiming’ opgeroepen?

Brieven

In de weken voor het vertrek naar Auschwitz schreven de Drilsma’s enkele brieven aan hun Zaandamse overburen op de Gedempte Gracht, de familie Kan. Op 5 augustus liet Abraham Drilsma weten te hopen het verblijf in Amsterdam wat te kunnen rekken. “Zo jullie weet zijn de oproepen hier niet van de lucht, en zo ik reeds eerder zeide, bestaan er nog vrijstellingen. Een ervan is momenteel voor naaisters die voor de Joodse Raad rugzakken maken, dit geeft dan voor het gehele gezin vrijstelling, maar de moeilijkheid zit in de stof, die is zeer moeilijk te krijgen, daar geen nieuwe mag worden verwerkt.” Hij vroeg de familie Kan om bij de Zaandamse zeilmakerij Dekker te informeren naar een partij tentlinnen. “Dan gaat mijn vrouw deze verwerken.”

‘Beter ziek’

Rachel Drilsma voegde daar aan toe: “Zoo mijn man schrijft zijn we gelukkig gezond, maar wij kunnen nu beter ziek zijn, dat geeft altijd een kans op uitstel om naar die hel in het Oosten te gaan. De mensen proberen hier van alles om uit hun handen te blijven, zoo ook wij.” Dochter Roosje schreef eveneens een paar woorden: “Wat een ellende hè? Ja, nu hebben we het nog weer erger als toen we uit Z’dam moesten. Als ik u niet meer zie dan wens ik u allen het beste. We hopen dan maar dat we elkaar na de oorlog weerzien.”

Weggevoerd

Nog geen week later bleek het net zich verder te sluiten. Abraham Drilsma in een brief van 11 augustus 1942: “Van de buren zult U hoogstwaarschijnlijk wel hebben vernomen, dat mijn vrouw en schoonzus Donderdag zijn weggevoerd. Mijn schoonzuster is bereids doorgevoerd naar D., van mijn vrouw hebben we bericht, dat ze word opgehouden tot Vrijdag.’ Blijkbaar zat Rachel op dat moment al in Westerbork. In 1985 haalde overbuurman Wim Kan in dagblad De Typhoonherinneringen op aan de Drilsma’s. “Prachtige mensen”, noemde hij ze. “We hebben ze in de oorlog naar de boot gebracht.De boot naar Amsterdam. Wat ik nog weet is dat hij met zijn kinderen aan de hand naar de Hollandse Schouwburg is gegaan toen zijn vrouw was opgepakt. ‘Waar mijn vrouw is wil ik ook zijn’, zei hij.”

Oproepen

Abraham schreef daarover op 11 augustus: “Gisteravond kwamen er voor het gehele gezin oproepen, om Vrijdagavond te vertrekken. Ik heb onmiddellijk telegrammen doorgezonden met verzoek, haar nog een paar dagen op te houden, daar wij waarschijnlijk niet voor Zaterdag n.m. of Zondag daar zullen zijn.” Hij sprak de hoop uit zijn Zaandamse overburen nog te kunnen ontmoeten alvorens de reis naar Drenthe werd aangevangen. “Moge de Algoede geven, dat we bij elkander kunnen blijven, en de kracht zullen vinden, alles te doorstaan.”

Laatste brief

Op 14 augustus stuurde Abraham Drilsma zijn laatste brief naar de familie Kan. Tot een afscheidsbezoek was het helaas niet gekomen, wel was er vanuit Zaandam een bemoedigende reactie gezonden. Abraham: “Uw woorden heb ik in mijn hart gegrift, ook ik heb het vertrouwen in de Algoede, en ben beslist overtuigd, dat de beker, hoe bitter hij ook moge zijn, wel niet tot het einde behoeft te worden geledigd.” Zijn hoopvolle slotwoorden: “Wat U voor mij doet of gedaan heeft blijf ik dankbaar voor, en zullen we maar hopen dat alles zal meevallen. De brieven die ik tot heden van mijn vrouw heb ontvangen zijn zeer bemoedigend.”

Auschwitz

Rachel (42) en haar kinderen Roosje (14) en Leonard (5) werden op 26 augustus 1942, direct na aankomst in Auschwitz, door vergassing om het leven gebracht. Zij waren het zesde, zevende en achtste Zaanse slachtoffer van de Duitse volkerenmoord. Abraham (43) werd voor ‘arbeid’ geselecteerd en kwam vijf weken later om het leven, op 30 september.