Drilsma (Benjamin)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Gezin Benjamin Drilsma (Harlingen, 8-8-1903 – Auschwitz, 30-4-1943)1 en Esther Drilsma-Jacobs (Amsterdam, 12-12-1904 – Auschwitz, 14-1-1943) met Adolphina (‘Fientje’/’Dolly’) Gabriëlle (Zaandam, 8-8-1936 – Sobibor, 5-3-1943)

Handelsagent Drilsma begon in 1930 een textielzaak aan de Zuiddijk 71. Na een tijdje vestigde hij zich op Westzijde 25 en verhuisde in 1938 naar de gunstige hoek van de Damstraat en de Gedempte Gracht. In 1942 woonde hij met zijn gezin op Damstraat 4. Josephina Jacobs-Kater*, de moeder van Esther, kwam in 1935 naar Zaandam en woonde daar op verschillende adressen in de buurt van haar dochter en schoonzoon. Adolphina bezocht de kleine Montessorischool, gelegen op de hoek van de Gedempte Grachte en de Zilverpadsteeg.

Oorlog

Op 18 juli 1940 plakten NSB’ers een plakkaat met de tekst ‘Nederlanders, koopt niet bij Joden’ op de ruiten van Drilsma’s zaak, een daad die ook plaatsvond bij de in het centrum gelegen winkels van Jacques Snoek* en radiozaak Goudal*. In oktober 1940 moest Benjamin, net als zijn broer en talloze anderen, zijn winkel als ‘joodse onderneming’ laten registreren. In maart 1941 vond de ‘arisering’ plaats: een niet-joodse bewindvoerder moest de zaak op zijn naam zetten. Benjamin Drilsma behoorde bij de 27 joodse radiobezitters van Zaandam. Hij zette op 28 april zijn handtekening onder de verklaring geen andere dan deze Philips te hebben ingeleverd. In augustus 1941 moest hij geld, giro- en banksaldi en effecten afstaan aan de roofbank Lippmann-Rosenthal. Benjamins winkel komt niet voor op de bedrijvenlijst van januari 1942. Vermoedelijk viel de zaak onder het (familie-)bedrijf van broer Abraham*.

Amsterdam

Volgens enkele mutaties in politierapporten van voorjaar 1942 waren er problemen met de winkel van Benjamin Drilsma. De PTT wendde zich om het een en ander tot de politie. Drilsma verzocht zelf om een verblijfsvergunning voor Zaandam en ‘klaagt over het weghalen van goederen’.

Eigendommen

Alvorens Zaandam te verlaten, verdeelden Benjamin en Esther Drilsma veel van hun eigendommen. Hun dienstbode Cornelia Manneveld en haar man Klaas kregen het beheer over de kostbare stoffen uit de winkel en andere waardevolle spullen. Klaas had aan de Heiligeweg 43 in Krommenie een fietsenwinkel. In de winkelkelder was voldoende ruimte om de goederen op te slaan. Het bed en de zware salontafel van de Drilsma’s gingen naar Cornelia’s zus Jannetje en haar echtgenoot.

Jeannette Dreese

Na het gedwongen vertrek uit Zaandam kon het gezin Drilsma intrekken bij een tante in de Amsterdamse Lekstraat 112 II, Jeannette Dreese. Zij was kamerverhuurder. De eveneens joodse Dreese (Amsterdam, 22-10-1900) stierf in Auschwitz op 27-8-1943. Vanaf 19-8-1942 waren de Drilsma’s ingeschreven in de naburige Rijnstraat 167 I. Deze woning van de gedeporteerde familie Bril-Frank stond leeg.

Onderduik

In feite dook het echtpaar al snel onder op de krappe zolder van de familie Bleeker-Loon, die aan de Noorderhoofdstraat 70 in Krommenie woonde. Willem Bleeker (Assendelft, 19-6-1912 – 1967) was kapper, later heilgymnast en masseur. Zijn echtgenote was Ali Loon (1914 – 1995). Voor hun hulpverlening zouden ze in 2017 postuum de Yad Vashem-onderscheiding ontvangen.

Van der Hoorn

Door het ruimtegebrek moest Fientje elders ondergebracht worden. Ze kwam terecht bij de enkele minuten verderop wonende Klaas en Cornelia Manneveld. Het is er echter niet veilig: met haar zwarte haren en donkere ogen liep ze te veel in de gaten, hetgeen leidde tot ongewenste verhalen. Voor dochter Fientje werd een adres gevonden in Beverwijk, bij het echtpaar Van der Hoorn.

Lees meer

Deportatie

Als gevolg van verraad kwamen Benjamin en Esther rond de jaarwisseling van 1942-’43 in Westerbork terecht, en hun gastheer Bleeker in Vught. Onderduikers waren in het kamp ‘strafgevallen’ en werden opgesloten in de S-barak. Het echtpaar Drilsma-Jacobs werd op 11-1-1943 naar Auschwitz gedeporteerd. Esther (38) werd direct na aankomst, op 14 januari, in de gaskamer omgebracht. Benjamin (40) moest eerst werken. Hij bezweek 3,5 maand later, op 30-3-1943. Hun dochtertje Fientje (6) was van hen gescheiden. De bezetter vond het meisje op haar onderduikadres. Ze werd op 5-3-1943 vermoord in het vernietigingskamp Sobibor.

Arrestaties

De arrestaties kwamen ter sprake in het naoorlogse proces tegen de fanatieke Krommenieër NSB-burgemeester Anton Gerrit Jongsma. Die nam volgens dagblad De Zaanlander zelf deel ‘aan de opsporing van het Joodse echtpaar Drilsma, omtrent welk echtpaar bij de Duitse politie een anoniem schrijven was binnengekomen’. dat klopte. De op het gemeentehuis van Krommenie binnengekomen brief werd op 1o-12-1942 geopend door Gerrit Reinier Mozer, net als Jongsma een beruchte jodenjager. Samen verrichtten ze die dag kort na elkaar drie invallen. Ze begonnen bij Cornelia Mannevelds zus Jannetje en gingen vervolgens door naar de fietsenwinkel van Klaas Manneveld. Rond 20.30 uur belden ze aan bij Willem Bleeker. Het echtpaar Drilsma, hun gastheer, Klaas Manneveld en de echtgenoot van Jannetje werden gearresteerd.

Meubels

Jongsma en Mozes namen bij Jannetje de meubels van de Drilsma’s in beslag. Manneveld moest alles stoffen en andere kostbaarheden afstaan. Bij Willem Bleeker haalden ze alles overhoop en vulden er twee koffers met onder meer zeep, ondergoed, een geldkist met zo’n 300 gulden en bussen pruimen. Per bakfiets gingen de meeste buit rechtstreeks naar de woning van Jongsma aan de Zuiderhoofdstraat 70. Na de oorlog verklaarde Jongsma: “Veel spullen van Drilsma hebben in mijn woning gestaan, maar ik heb er niets van gebruikt. Wat overbleef nadat de spullen naar Amsterdam waren gebracht, werd onder de behoeftigen verdeeld.” Er waren echter getuigen die vertelden dat het echtpaar Jongsma volop gebruikmaakte van de geroofde goederen.

Beverwijk

De gearresteerde Klaas Manneveld raakte op het politiebureau in Zaandam in gesprek met agent Visser. Hij vertrouwde hem en vertelde dat de familie Drilsma ondergedoken zat bij kapper Bleeker. Ook vroeg hij hem om Willem Bleeker en, in Beverwijk, Leo van der Hoorn te waarschuwen. Hij gaf Visser een voor zijn echtgenote Cornelia briefje mee, waar op stond dat er in de kelder nog goederen liggen die Jongsma en Mozer over het hoofd hebben gezien. Ook schreef Manneveld dat hij dit tweetal niets had verteld. Agent Visser beloofde het briefje te zullen overhandigen en zowel Bleeker als Van der Hoorn te alarmeren. Er gat echter iets mis. Uit het naoorlogse proces-verbaal: “Onderweg had verdachte [Jongsma] gevraagd, waar het kind [Fientje] zat. Hij had toen een papiertje in de hand, waar dat adres in Beverwijk op stond. (…) Inmiddels had de verdachte Beverwijk telefonisch opgedragen het Joodse kindje aan het onderduikadres bij Van de Hoorn te Beverwijk te arresteren.”

Van der Hoorn

De door De Zaanlander genoemde ‘Van de Hoorn’ was de agent Leonardus (‘Leo’) Hendrikus Martinus van der Hoorn (1910-Beverwijk, 14-8-1975), die met zijn echtgenote Sijtje op de Hoflanderweg 85 woonde. Leo was bevriend met Klaas Manneveld. Als liefhebber van motoren en fietsen kwam hij vaak in diens winkel om nieuwe aanwinsten te bewonderen. Tijdens een van die bezoeken vroeg Klaas of Leo en Sijtje wilden zorgen voor Fientje. Aldus geschiedde. Hun huis bood veel schuilmogelijkheden, achter schuifdeurtjes onder het schuine dak in de slaapkamer, op de grote zolder en in de tuinschuur. Een paar van zijn collega’s wisten dat hij joodse onderduiksters had.

Bezoek

Ten tijde van haar onderduik bij het echtpaar Van der Hoorn kwamen Fientjes ouders enkele malen op bezoek. Andersom heeft ook Fientje de reis naar haar ondergedoken ouders gemaakt. Daar deelde ze het bed met Rie, de zus van Aaltje Manneveld. Het bezoek was riskant; vlakbij het onderduikadres woonde burgemeester Jongsma.

Sicherheitsdienst

Op 10 december 1942 belde de Sicherheitsdienst vanuit Amsterdam naar het politiebureau in Beverwijk. Ze waren door burgemeester Jongsma getipt over de verblijfplaats van Fientje Drilsma en verzochten om haar arrestatie. Dat gebeurde om 23.00 uur, door de politieagenten Hugtenburg en Vellekoop. Ook Van der Hoorn werd in een politiewagen meegenomen naar het Beverwijkse bureau. Van der Hoorn bleef in bewaring ‘ter voorgeleiding voor de SD’. Inspecteur Molenaar bracht beide gevangenen op 11 december naar het Amsterdamse politiebureau in de Marnixtraat. Daar werd Van der Hoorn meteen verhoord, door de beruchte SD’er Abraham Kaper. Hij hield vol dat Fientje zijn wettige dochter was. Toen een SD’er echter haar eigen vader liet aantreden, vloog het meisje hem om de hals. Van der Hoorn kon zijn verhaal toen niet meer volhouden. Na afscheid van haar te hebben genomen en het meisje te hebben omhelsd, werd ze weggevoerd.

Blonk

Inspecteur Molenaar trachtte Van der Hoorn vrij te pleiten, daarbij gesteund door de NSB’er Blonk. Die laatste werkte bij de SD, maar kende Van der Hoorn uit het verleden. Hij vertelde dat deze op 26 mei van dat jaar een paar op hol geslagen Wehrmachtpaarden met gevaar voor eigen leven had weten te stoppen. Dat verhaal sloeg aan bij de Duitsers; Van der Hoorn mocht ’s avonds vertrekken. Wel kreeg hij een disciplinaire straf. Hij moest 228 uur extra werken, één per dag. Dat was het aantal uren dat Fientje Drilsma in zijn huis ondergedoken was geweest.

Haarlem

Terwijl Leo van der Hoorn en Fientje Drilsma op het Amsterdamse politiebureau vastzaten, kwam daar de ene na de andere arrestant uit hun kennissenkring aan: Cornelia en Klaas Manneveld, Cornelia’s zus Jannetje en haar echtgenoot, Willem Bleeker en Benjamin en Esther Drilsma. Daarmee was de arrestatiegolf nog niet ten einde. Uit Haarlem werden zeven joden aangevoerd, onder wie Benjamins vader. Onbekend is wie hen verraadde.

Weeshuis

Fientje en haar huis werden dus herenigd, zij het maar heel even. Fientje moest door naar het Joodse Weeshuis in Amsterdam. Sijtje van der Hoorn heeft nog vergeefs geprobeerd om haar daar uit te krijgen.

Sobibor

De eveneens opgepakte Josephina Jacobs-Kater (zij was in november 1942 opgepakt bij een razzia) en haar kleinkind zaten in het eerste Nederlandse transport naar Sobibor. In maart 1943 schijnt in Sobibor een feestje te zijn gevierd vanwege de vergassing van de miljoenste, of halfmiljoenste, jood. Historicus Presser veronderstelt dat het feest samenviel met een bezoek van Himmler. Te zijner ere werd een aantal joodse meisjes vergast. Himmler en zijn escorte volgden het tafereel door een kijkgaatje.2

Zie ook Benjamin Drilsma* in Krommenie.