Duis (Herman)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Gezin Herman Duis (Zaandijk, 16-2-1909)1

Herman was getrouwd met Geertje Duis-Groot (Wormer, 7-7-1910). Het echtpaar had twee kinderen: Judith (Wormer, 23-2-1929) en Marie Jacoba (‘Rie’) (Wormer, 2-12-1935). Herman en Geertje hadden een manufacturenwinkel. Volgens de gezinskaart was Herman aanvankelijk fabrieksarbeider en daarna voermenger in een veevoederfabriek. In een opgave aan de Beauftragte voor de provincie Noord-Holland vanwege de arbeidsinzet werd in november 1942 als beroep ‘handelaar in katoenafval’ ingevuld. Herman Duis was een van de zeven kinderen van Samuël en Judith Duis*. Dit Amsterdamse echtpaar verhuisde rond 1908 vanuit Alkmaar naar Zaandijk. Ze bleven net als drie van hun kinderen in Zaandijk wonen. Herman ging naar Wormer, waar hij op 22 november 1928 trouwde met Geertje Groot. Het echtpaar woonde er aanvankelijk in de Eendrachtstraat 10 en verhuisde daarna naar de Knollendammerstraat 142. Rond de oorlogsjaren verbleven ze aan de Zandweg 56, na de oorlog op de Zaandammerstraat 12.

Chauffeur

Na de oorlog werd er meer bekend over Hermans werk tussen 1940 en 1943, want er waren vragen gerezen die leidden tot verhoren door de Politieke Opsporingsdienst (POD). Herman Duis vertelde tijdens zijn eerste verhoor dat hij tot medio 1942 bij zijn vader in Zaandijk als chauffeur had gewerkt. “Maar ik was in die tijd dikwijls werkloos, omdat mijn vader niet doorlopend werk voor me had.” Voor een joodse ondernemer werd het inderdaad steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden. Over zijn werk in Zaandijk zei Herman dat dat duurde ‘tot medio 1942, toen de zaak van mijn vader werd geliquideerd’. Zijn vader, Samuël Duis, moest immers op 22 april naar het getto van Amsterdam.

De Kooy

Herman Duis verklaarde ook dat het Gewestelijk Arbeidsbureau hem in die half werkloze periode naar de firma Ran en Vermeulen op het vliegveld De Kooy bij Den Helder stuurde. Het vliegveld was al op 10-5-1940 door de Duitsers gebombardeerd, en de hele stad kreeg het hierna zwaar te verduren. “Ik heb mij gemeld bij genoemde firma en heb aldaar plus minus één jaar gewerkt als timmerman, waarna ik werd ontslagen, omdat ik werd betrapt op het maken van een kinderledikantje, waarvoor ik hout gebruikte van mijn werkgever.”

Lees meer

Dekens

Na zijn ontslag zou Herman Duis in contact zijn gekomen met onder meer een ‘zekere Snoek, wonende Albert Cuypstraat’.  Dat was de vader van de joodse winkelier Jacques Snoek uit Zaandam (zie ook Nathan Snoek in Zaandijk). Daarnaast was er contact met ene Thöring (Govert Flinckstraat) en Barend Italiaander, de leider van de inkoopvereniging ‘Ons Belang’ (1e Jan van der Heijdenstraat 87). Herman kocht dekens, die hij aan genoemde personen leverde. Hij wist dat zij er handschoenen en oordopjes van maakten, die bij zaken als V&D en De Bijenkorf te koop waren. Deze handel was hem toegestaan, zo luidde zijn verklaring, omdat zijn vrouw christelijk was. Na mei 1943 had hij die toestemming niet meer en ruilde hij met boeren goederen tegen levensmiddelen.

Aanmelding

Hoewel het om een gemengd huwelijk ging, vulde het gezin tussen 10 en 23 februari 1941 drie aanmeldingsformulieren in voor ‘personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’ en gaf die tegen betaling van 3 gulden af bij de secretarie. Het gezin Duis was feitelijk het enige joodse huishouden in Wormer en als zodanig bekend. Vóór juni 1941 verhuisde Herman Duis* echter in z’n eentje naar Krommenie. Vermoedde hij problemen?

Zwemmen

Op 17 juni 1941 stuurde het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming een brief rond ‘betreffende deelname van Joodsche leerlingen aan zwemonderricht in klassikaal verband’. Secretaris-generaal J. van Dam wees de gemeenten erop dat het zwemverbod van 4 juni gevolgen had voor het schoolzwemmen door joden. De gemeentesecretaris van Wormer liet de brief overtypen en doorsturen naar de scholen van Wormer. Onder het exemplaar voor hoofdonderwijzer Ditmars van de openbare school schreef hij: “Het dochtertje van [weggelakt] valt hieronder niet, omdat ze niet als vol-joodsche is aan te merken. Overigens zijn hier momenteel geen joodse ingezetenen.”2 De weggelakte naam is die van Herman Duis. Zijn dochter Judith was toen ongeveer 10 jaar. Het zwembad was vanaf maart 1942 verplicht een houten bord bij de hoofdingang te hebben staan met daarop de tekst ‘Voor Joden verboden’.

Rijksinspectie

Herman Duis liep geen deportatiegevaar. Herman had door de (papieren) verhuizing naar Krommenie voorkomen dat zijn vrouw en kinderen op de evacuatielijst van Wormer kwamen te staan. Zij stonden ook niet op de lijst van Krommenie. Dat gold wel voor hem, maar voor een gemengd gehuwde was het risico niet zo groot. Herman moest vanaf 1-5-1942 wel de ster dragen, en er waren andere ernstige beperkingen.

Mischehe

Inmiddels verhuisde Herman terug naar Wormer. De Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters had op 30 juli 1942 van Krommenie te horen gekregen dat Duis was ‘afgevoerd’ uit het register, maar had nog geen bericht gehad over ‘opneming’ in Wormer. De gemeente was dus laks. De maatregelen bleven komen.3 De Commissaris van de Provincie verordonneerde op 17 juli 1942 dat ‘gemengd gehuwde echtparen met hun geheele huisraad vóór 1 augustus a.s. een woning in Amsterdam hebben betrokken’. De gemeente Wormer stuurde het formulier terug met de naam Duis erop en vermeldde alleen dat het een ‘Mischehe’ betrof. Het gezin bleef. Op 23 september 1942 legde het echtpaar een verklaring af waarmee hun gemengde huwelijk werd bevestigd.

Beauftragte

De gemeente verwees hiernaar toen een geagiteerde Beauftragte voor de provincie op 26 november vroeg waarom zoveel joden niet aan het werk waren in de Arbeitseinsatz. De hoge ambtenaar noemde overigens de joden die nog in ziekenhuizen of instellingen verbleven als voorbeelden van geschikte kandidaten voor dwangarbeid. Ook toen dezelfde functionaris wilde weten welke ‘geëvacueerde jodenwoningen’ er in Noord-Holland waren en welke nog door jodenbewoond werden, schreef Wormer ten aanzien van Herman Duis terug: “Er hat eine Erklärung abgelegt von Mischehe.” Het spel met de verhuizingen en verklaringen doet vermoeden dat Herman Duis goed op de hoogte was van de Duitse procedures en misschien ook een vorm van bescherming genoot. Na de oorlog verklaarde onder andere Arend Luik, een bevriende transporteur uit Zaandijk: “Een Davidster heeft hij zo goed als nooit gedragen.” Die bewering bevestiging op een briefje de dato 9-5-1943 van het nazistische ‘Stützpunkt Zaandam’ Daarop staat vermeld dat Duis ‘geht ohne Stern’.

Afscheidskaart

Dat gold niet voor zijn ouders. Samuël Duis stuurde op dinsdag 5 mei 1943 vanuit Amsterdam een briefkaart naar zijn zoon H. Duis in Wormer. Het was een afscheidskaart voor zijn kinderen in de Zaanstreek: “Waarde Familie, Bij deze deel ik mede dat we gehaald zijn. Dus we zullen zien wat er van komt.”4 Op 21 mei van dat jaar stierf Samuël in de gaskamers van Sobibor. Zijn vrouw onderging een week later hetzelfde lot.

Arrestatie

Midden oktober 1943 werd Herman Duis ’s avonds na een huiszoeking meegenomen naar het politiebureau van Krommenie. Aanleiding was de inbeslagname van een voorraad dekens bij een zakenpartner in Wormerveer. Ook bij Herman thuis werden dekens gevonden. Op het bureau bleek dat hij joods was en geregeld zonder Davidster rondliep. Hij werd nu gearresteerd en de volgende dag door politieman Visser en NSB-burgemeester Jongsma naar het Adama van Scheltemaplein in Amsterdam gebracht. Hier was in een school de Zentralstelle für Judische Auswanderung gevestigd, die de deportatie van de Nederlandse joden organiseerde. Jongsma zou na de oorlog overigens verklaren dat ze naar ‘de Joodse Raad’ waren gegaan. De delegatie werd doorgestuurd naar de overkant, naar de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat. Daar werd Herman naar eigen zeggen opgesloten in de kelder en dezelfde dag nog overgebracht naar het hoofdbureau van politie.

Hoofdbureau

Na de oorlog zei oud-burgemeester Jongsma dat Duis ‘vermoedelijk dezelfde dag of de dag na de arrestatie’ weer terug was in Krommenie. Ook Arend Luik, die de onderneming van Samuël Duis door de bezetting heen wist te loodsen, verklaarde dat Herman al een dag later vrij was. Dat verbaasde hem, gezien Hermans joodse achtergrond. Herman Duis zelf liet optekenen: “Zo ben ik 4 dagen ingesloten geweest. Vervolgens werd ik voorgeleid, waar men mij vroeg of ik jood was. Ik antwoordde bevestigend, ik droeg op het moment van mijn arrestatie de Davidster op mijn jas en was in de veronderstelling, dat ik op transport zou worden gesteld naar Duitsland. Ik heb, nadat er rapport van het verhoor was opgemaakt, gevraagd of er iets aan te doen was en of ik er op een of andere manier nog onderuit kon komen. Hierop zeide men, dat ik, als zwarthandelaar, wel geld of diamanten zou bezitten, waarop ik hun vertelde, dat ik al mijn geld in de dekens had gestoken en dat deze mij waren afgenomen. Ik kreeg ten antwoord, dat ik gestraft zou worden met verplichte sterilisatie. Tevens werd mij gevraagd hoe groot de totale waarde der inbeslaggenomen dekens was. Waarvoor ik f6000,- opgaf.” Herman kreeg de dekens terug, verkocht ze en bezorgde de afgesproken geldsom bij de Sicherheitsdienst.

Sterilisatie

Twee weken later liet hij zich steriliseren aan ‘de Franse laan’. Hiermee duidde Herman Duis vermoedelijk op het Portugees-Israelisch Ziekenhuis (PIZ) aan de Plantage Franschlaan 8-10, de huidige Henri Polaklaan. Hier werden door joodse artsen joodse mannen onvruchtbaar gemaakt. Soms werden er ook valse sterilisatieverklaringen afgegeven. Het PIZ was overigens eind september 1943 bij een Duitse inval volledig ontruimd. Werd er weer gewerkt? Herman kreeg in ieder geval op 9-11-1943, een week na zijn operatie, van de Ärztliche Verbindungsstelle toestemming om zijn ster af te doen. Ook ontving hij een nieuw persoonsbewijs. Er stond in plaats van een zwarte een rode, open J in.

Zwarte handel

Over de periode die volgde op zijn arrestatie zei Herman Duis bij een tweede verhoor: “Na juni 1943 handelde ik in het zwart, onder anderen in levensmiddelen, om in mijn levensonderhoud te voorzien.” Ook behield hij zijn vrijheid van optreden. Op een lijst van de al genoemde Zentralstelle met namen van ‘gesteriliseerde joden die zich op 1 December [1943] niet gemeld hebben’ staat ook Herman Duis vermeld. Bij de gevreesde Duitse instantie waren ze zijn spoor volledig kwijt. Als woonadres werd ‘Vlietzand 20 in Zaandijk’ vermeld. Bedoeld werd ongetwijfeld Duis’ oude adres: Vlietsend 20 in Krommenie.

Onderduik nichtje

Herman Duis was niet alleen voor zichzelf en zijn gezin bezig. Zijn broer Willem* verklaarde na de oorlog dat Herman zijn dochtertje Judith ‘gedurende 2,5 jaar zeer liefdevol in zijn gezin heeft opgenomen’. Of de 2,5 jaar helemaal juist is, zou men op grond van andere bronnen kunnen betwijfelen. Daaruit lijkt naar voren te komen dat Willem met zijn vrouw en dochter eerst bij de al genoemde Erik Luik en vervolgens in Amsterdam was ondergedoken. Herman regelde ook de persoonsbewijzen en distributiepapieren voor het echtpaar. Hij had daartoe meermalen contact met de in illegaal drukwerk gespecialiseerde drukkerij Kleiman in Zaandijk. Verzetsman Gerard J.H. de Leeuw uit Haarlem sprak over twee joden die hij bij Duis ontmoette: “Ondergetekende verklaart dat hij in de zomer van 1944 minstens één keer een bezoek heeft gebracht aan de woning van J. Duijs, Zandweg 56 te Wormer, in verband met een verzoek van de kant van Duijs ter zake van persoonsbewijzen, dat hij zeker weet aldaar aangetroffen te hebben een vrouw en een kind van joodse afkomst.”

Lid verzet

Twee verzetsmensen uit Wormer lieten na de oorlog schriftelijk weten dat de schuilnaam van Herman Duis ‘Moerbeek’ was. Hij werkte voor de LO/LKP in Wormer. Herman leverde tegen (redelijke) betaling veel dekens aan onderduikers en vond schuilplaatsen voor onderduikers buiten de Zaanstreek. Wim Duis verklaarde dat zijn broer ‘voor 2 mij zeer goed bekende onderduikers plaats heeft gezocht en gevonden bij boeren in de Schermer en in de Mijsen [Mijzen], genaamd Jan Broerse en v.d. Lee.” Beide namen komen nog steeds in dat gebied voor.

Vervolg

Na de oorlog werkte Herman Duis verder in de manufacturenzaak. Hij ging met een ‘Volksbus’ naar Volendam en Marken, waar hij met een handkar ventte. Er gebeurde echter meer. Er is een naoorlogs bericht bewaard gebleven van een ‘Speurder’ van de Politieke Opsporingsdienst, een onderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten. Het dateert uit mei 1945 en handelt over Herman Duis, wonende Zandweg 56 te Wormer.6 Hij werd er door de POD van verdacht zwarthandelaar in wollen dekens te zijn. Uit het proces dat volgde stammen veel verklaringen die hierboven zijn aangehaald. Maar klopte het vermoeden?

Aanklacht

Er was meer aan de hand. In het strafdossier staat: “Verdachte wordt beschuldigd inkoper te zijn geweest voor de Duitse Weermacht. (…) Heeft vrijwillig als timmerman op het vliegveld te Bergen voor de Duitse Weermacht gewerkt.” Tijdens zijn tweede verhoor gaf Herman Duis het eerste duidelijk toe. “In tegenstelling tot mijn vorige verklaring, waarin ik verklaarde, eerst in 1942 voor de Duitse Weermacht te hebben gewerkt, verklaar ik u thans, dat ik reeds in 1940 vrijwillig voor de Duitse Weermacht heb gewerkt, aan het vliegveld ‘De Kooy’ te Den Helder.” Dat hij er ontslagen werd vanwege een kinderledikantje was dus onjuist. Feitelijk begon hier zijn contact met het Duitse leger.

Inkoper

Duis was niet de enige joodse zakenman in de Zaanstreek die met de Duitsers handelde. In Wormerveer deed Abraham Pais het, en in Zaandam de grote bedrijven Polak & Schwarz en Poppert. Hun keuze redde, al of niet tijdelijk, anderen en niet altijd henzelf. In zijn tweede verhoor vermeldde Duis als Amsterdamse partner opnieuw Nathan Snoek. Duis zei over hem: “Omstreeks deze periode was ik in contact gekomen met de reeds eerder genoemde Snoek te Amsterdam. Genoemde Snoek vroeg mij, of ik idee had, dekens voor hem op te kopen, tegen een provisie van f1,- per deken. Ik nam dat aanbod aan en kocht van die tijd af dekens voor Snoek op, welke nog meerdere personen als zodanig in dienst had.” Dat de productie naar de Duitsers ging, moet bekend zijn geweest, maar staat er niet bij. Het zou Snoek ook niet helpen. In de zomer van 1942 werd hij met zijn hele gezin naar Auschwitz gedeporteerd.

Handschoenenfabriek

Herman Duis verklaarde dat hij ook voor verschillende anderen werkte, onder wie tot juni 1943 Italiaander. Wat er precies gebeurde, wordt vooral duidelijk uit de verklaringen van anderen. Zijn broer Willem verklaarde: “Tijdens mijn gedwongen evacuatie naar Amsterdam [vanaf 22-4-1942] is H. Duis verscheidene malen naar Amsterdam gekomen om te informeren of alles nog in orde was. Bij een dezer gelegenheden liepen wij beiden op het Waterlooplein waar ik woonachtig was en kwamen toen langs een handschoenenfabriek van den heer B. Italiaander. H. Duis stelde zich toen in verbinding met den heer Italiaander en kwam toen met hem overeen, dat hij dekens kon leveren om wanten te fabriceren. Deze wanten kon men in verschillende prijzen door geheel Amsterdam kopen en alle grote magazijnen hadden ze in voorraad. Daar H. Duis geen middel van bestaan had omdat hij jood was, greep hij deze kans aan om in zijn levensonderhoud te voorzien.” Dat was in overeenstemming met wat Herman Duis bij zijn eerste verhoor had gezegd: de afnemers waren grote zaken als V&D en De Bijenkorf.

Weermacht

Dat het om een andere afnemer ging kwam pas naar buiten tijdens de rechtbankverklaring van Barend Italiaander: “Tijdens de Duitse bezetting kocht ik ook dekens, welke wij verwerkten tot handschoenen, die werden geleverd aan de Duitse Weermacht. Aan de fabrikatie van deze handschoenen werkten plus minus 150 man joods personeel, die, omdat zij aan de vervaardiging daarvan werkten, waren vrijgesteld van deportatie naar Duitsland. Duis wist, evenals de anderen die de dekens kochten, dat deze voor de Duitse Weermacht bestemd waren.” Daarmee werd ook het eerste deel van de aanklacht tegen Herman Duis bevestigd. Ex-burgemeester Jongsma was nog duidelijker. Duis, zo zei hij, was dezelfde of de volgende dag na zijn arrestatie al terug op het politiebureau in Krommenie ‘en toonde ons papieren, welke ik heb gelezen en waaruit bleek, dat Duis inkoper was voor de Duitse Weermacht en dat de dekens [aan hem] moesten worden teruggegeven.” Men mag dus aannemen dat Herman Duis inderdaad vanaf mei 1940 een goed contact had met de Weermacht en op een gegeven moment inkoper voor hen werd. Dat zou zijn (voor)kennis van Duitse maatregelen en procedures kunnen verklaren, evenals zijn gedeeltelijke onkwetsbaarheid.

Uitspraak

Er stond veel tegenover deze samenwerking met het bezettingsleger. De gezinnen van Herman en zijn broer kwamen min of meer heelhuids de oorlog door, een groot aantal werknemers van Snoek en Italiaander (‘Ons Belang’) verdienden midden in de oorlog een inkomen, onderduikers kwamen via Herman Duis aan papieren en dekens. Het tribunaal in Alkmaar oordeelde op 3-3-1948 dat Duis zich ‘in strijd met de belangen van het Nederlandse volk’ had gedragen ‘door hulp en steun [te] verlenen aan de vijand’, maar dat ‘gezien de geringe ernst ervan en gezien de persoon en de persoonlijke omstandigheden van beschuldigde’ er geen aanleiding was ‘tot het opleggen van enige maatregel’. ‘De gehele beschuldiging’ werd daarom ‘vervallen’ verklaard.

Verwanten

Hermans ouders Samuel en Sophia Duis werden niet lang nadat ze hun afscheidsbriefje verstuurden in Sobibor vermoord. Hun thuiswonende zoon Martin* ontkwam. Ook de andere in de Zaanstreek woonachtige familieleden Duis, de twee gemengd gehuwde broers Jacob Samuel en Willem met hun gezinnen, overleefden de oorlog.

Zie ook Herman Duis* in Krommenie.

Voetnoten

1 Gezinskaart en correspondentie burgemeester Kooiman (Waterlands Archief); Mededelingen van J. Hoek (april 1999) en R. Remmerzwaal-Duis uit Wormer en C. Boschman uit Krommenie (september 2000); NIOD-archief 077, inventarisnummer 1444, Nationaal Archief-CABR-dossier Herman Duis; www.joodsamsterdam.nl; www.katwijkinoorlog.nl; www.wikipedia.org; www.jhm.nl

2 Beklemmende jaren. Kroniek van Wormer in de Tweede Wereldoorlog (p. 22)

3 Correspondentie burgemeester Kooiman (Waterlands Archief)

4 Kopie afgebeeld bij de familie Duis* in Zaandijk

5 Zie voor de sterilisatiepolitiek in Nederland de opmerkingen bij de Duitse vluchteling Gottschalk*

6 Gemeentearchief Zaanstad, PA-81, inventarisnummer 13 (Verzetsorganisaties Koog-Zaandijk)