Durlacher (Lore)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Lore Zilly Durlacher (Duitsland, 3-12-1920 – Israël, 1991)1

Lore Durlacher dook na haar ontsnapping uit kamp Westerbork onder bij de Zaandijkse familie Westrik, die ook andere joden aan onderdak hielp.

Duitsland

Lore was een uit Duitsland afkomstige Palestina-pionier, ook wel chaloetsa genoemd. Haar ouders hadden in de buurt van Mannheim twee schoenenzaken en behoorden er tot de gegoede burgerij. Tot ontzetting van haar ouders ontwikkelde Lore zich in de jaren ’30 tot zioniste. Op 24 augustus 1939, een week voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, reisde ze als vluchtelinge naar Nederland en belandde er in het joodse werkdorp te Wieringen. In 1941 ontruimden de Duitsers het werkdorp en vervoerden de honderden bewoners naar Amsterdam. Veel van deze Palestina-pioniers belandden al snel in Mauthausen, waar ze de dood vonden.

Apeldoornsche Bos

Lore Durlacher vond werk in het Apeldoornsche Bos, een joodse psychiatrische inrichting. Vlak voordat de inrichting in januari 1943 door de bezetter werd ontruimd -de bewoners zijn vervolgens vermoord-, vertrok ze daar. Ze belandde vervolgens in de illegaliteit en dook onder in Hilversum. Lore kwam tijdens de bezetting in kamp Westerbork terecht, maar wist daar uit te ontkomen. Ze werd, net als mede-pionier Anna Sperber-Clebowski*, lid van de Westerweelgroep, die vluchtroutes voor joden opzette naar Zwitserland en Spanje. In die hoedanigheid was ze ook betrokken bij het bevrijden van joden uit Westerbork en zorgde ze voor onderduikadressen en valse persoonsdocumenten. Ze opereerde op gelijke voet met de mannen in de Westerweelgroep, geen vanzelfsprekendheid in het door mannen gedomineerde verzet. Lore beschikte zelf eveneens over een vervalst persoonsbewijs, op naam van Els Rijsdijk, en had haar donkere haar geblondeerd.

Ontsnapping

Jo Spier was een van de gevangenen in Westerbork die door Lore Durlacher werden geholpen. Op 8 februari 1944 waagde hij met hulp van de Westerweelgroep een ontsnappingspoging, samen met twee joodse meisjes. “De volgende morgen om 6 uur werden wij opgehaald door Kurt Walter, een gevangene in Westerbork, die verzetswerk in Westerbork deed en contact had met een verzetsgroep buiten het kamp. Wij kregen van hem een vals pasje, passeerden met hem de OD [Ordnungsdienst] die bij de uitgang stond en werden buiten het kamp, buiten het zicht van de torens, opgevangen door twee verzetsmensen uit de Westerweelgroep. Ze hadden allebei een fiets bij zich. Die nacht had het gevroren, het had geijzeld, de heidepaadjes waren glad en wij kwamen met één fiets te vallen en door het geluid dat wij maakten, kwam een marechaussee van de kampbewaking die op dat moment toevallig op weg naar zijn werk was, op ons af en poogde ons te arresteren. Hij werd echter door Lore Durlacher, dat verzetsmeisje, overtuigd dat hij ons moest laten gaan. Die marechaussee stond toe dat ik mij verwijderde en Lore bleef bij hem achter.” De drie gevangenen en hun begeleiders wisten te ontkomen.

Lees meer

Echtpaar Westrik

De Amsterdamse Christina (‘Tieneke’) Johanna de Lange (Zeerijp, 9-6-1920, overleden in Amsterdam op 11-6-1984) bood tijdens de oorlog onderdak aan talloze joden, onder wie chaloetsa Eva Fränkel* en Lore Durlacher. In de zomer van 1943 verbleef Lore bij het gereformeerde echtpaar Frans Westrik (Den Haag, 12-3-1886) en Evertje Westrik-Seijmonsbergen (Zaandam, 29-7-1897). Die woonden met hun dochter Corrie aan de Zaandijkse Lindenlaan 28. Daar zaten toen ook Isidor en Erna Berliner* (‘oom Jan en tante Elly’) met hun dochter Doris ondergedoken.

Grüne Polizei

Frans Westrik beschreef jaren later zijn oorlogservaringen en noemde daarin ook Lore. “Zij noemde zich Els Rijsdijk, was Hollandse, een blonde verschijning en in het bezit van een vervalst persoonsbewijs. Zij was een- of tweemaal aan de Grüne Polizei ontsnapt, hoe zij bij ons te land kwam kan ik me niet herinneren. Zij was onze logé, bewoog zich volkomen ongedwongen, lag b.v. in de tuin onverschrokken te zonnen.”

Politie-agenten

“In de nacht echter van donderdag, de 26e augustus [1943], op vrijdag, werd er om half twee gebeld. Toen ik uit het raam keek waren daar twee Hollandse politie-agenten met bevel open te doen. Naar achteraf bleek was de ene een N.S.B.-er, genaamd [Jan] Bloemsma, wonende Tulpstraat [9] Koog, de naam van de andere is me nooit bekend geweest.”

Nachtpon

“Te gauw ging ik naar beneden om open te doen. Zij zeiden een Joods meisje bij ons te zoeken en zonder een woord te zeggen viel ik op een stoel neer in de voorkamer. In een zeer korte spanne tijds hadden moeder en Els kans gezien het echtpaar en Doris in hun resp. schuilplaatsen te werken. Els had het echtpaar voor haar rekening genomen en het bed op zolder recht gelegd en Moeder Doris in de kast gestopt. Juist was zij daarmee klaar, toen Bloemsma al in de slaapkamer verscheen en wilde weten wat Moeder in die kast deed. Nu dat was heel eenvoudig, n.l. haar peignoir pakken. Bij inspectie van die kast ontdekten zij ook niets bijzonders. Els kwam van de trap af en op de vraag wat zij daarboven moest doen, antwoordde zij heel gevat: ‘Man, ’t is zo warm en ik lag gewoon in m’n broek in bed, ik ben even een nachtpon wezen halen, want ik kan zo ongekleed toch niet voor jullie verschijnen’.”

Ondervraging

“Eindelijk dachten zij in Corrie het gezochte jodenkind te hebben ontdekt! Wat zij niet zagen was, dat voor haar bed twee stellen kleren opgeborgen waren en ook twee paar schoenen. Ofschoon wij konden aantonen, dat Corrie onze eigen dochter was, niets hielp en we moesten beiden mee naar het politiebureau in Zaandam.” Evertje Westrik voegde daar bij een naoorlogs getuigenverhoor aan toe: “Toen wij weggingen zei verdachte [Jan Bloemsma] tegen mijn dochtertje van 12 jaar: je ziet je vader en moeder nooit meer terug.” Frans en Evertje Westrik werden flink ondervraagd, maar lieten niets los. De volgende ochtend werden ze op vrije voeten gesteld.

Echtpaar Rijpstra

“Els had die nacht direct de leiding in handen genomen. Oom Jan was de wanhoop nabij en Els had gedreigd alle lichten aan te steken als hij niet kalmeerde. Voor Doris vond zij een ander onderkomen.” Dat was tijdelijk bij Bart Rijpstra (Huizum, 27-6-1912) en diens vrouw Wytske (Leeuwarden. 19-1-1915). Die woonden aan de Zaandijkse Meidoornstraat 2 en herbergden wel vaker joodse onderduikers. “Ook voor Oom Jan en tante Elly hebben wij na verloop van tijd een ander onderkomen gezocht en gevonden.”

Israël

Na de oorlog trouwde Lore met Aaron Grünbaum, een lid van de Joodse brigade. Ze vertrok met hem naar Israël, waar ze als verpleegster in een kinderdorp werkte. Aaron nam de familienaam Goren aan. Lore noemde zich voortaan Orah.

Voetnoten

1 Informatie van Henk Krigee uit Zaandam (30-8-2009), Corrie Groot-Westrik (2007) en H.C. Oroszlan-de Jong (2008); Rechtvaardigen onder de Volkeren; Abuys, G. e.a. Een gat in het prikkeldraad. Kamp Westerbork – ontsnappingen en verzet; Schippers, H. De Westerweelgroep en de Palestinapioniers; www.westerweel-hechaluz-group.com