Fieijra-de Gorter (Jansje)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Jansje Fieijra-de Gorter (Amsterdam, 15-4-1862 – Auschwitz, 28-1-1944)1

Jansje de Gorter was een dochter van Samuel Benjamin de Gorter en Paulina van Wijck. Ze trouwde in 1886 met David Fieijra. Het echtpaar kreeg twee kinderen: Abraham en één kind dat de oorlog overleefde. De Portugees-joodse David Fieijra stierf in 1934. Jansje woonde in 1941 op de Ceintuurbaan 221 huis in Amsterdam. In juni 1943 dook de inmiddels 80-jarige vrouw onder bij het gezin van Piet Bakker (12-10-1894), aan de Wilhelminastraat 26 in Krommenie. Piet en zijn jonge dochter Henny (Krommenie, 21-12-1928) brachten haar via het Centraal Station in Amsterdam naar Krommenie. Het uit zes personen bestaande gezin Bakker nam zes joodse onderduikers in huis.

Kleine vrouw

In het boekje ‘Goed volk’ vertelt Henny Bakker over Jansje Fieijra: “Op een bepaald moment is gevraagd of we een Joodse vrouw in huis wilden nemen. (…) Het was geen probleem om haar in huis te nemen. We hadden dat ledikantje toch al, vanwege dat Duitse kind, dus ze kon zo komen. Mijn vader en ik gingen haar halen bij [een] huisarts, De Miranda. Het was een erg kleine vrouw. Ze was een kop kleiner dan ik en mijn vader was één kop groter dan ik. Zie je het voor je? Zo liepen we door het zwaarbewaakte Centraal Station, alsof zij mijn oma was. Ze had haar Jodenster natuurlijk niet op. Dik gearmd liepen wij achter mijn vader en deden alsof er niets aan de hand was, terwijl we allebei de spanning voelden. Het gevaar kon elk moment opduiken. Ik zei steeds in mezelf, dat weet ik nog goed, ‘als ze ons maar niet pakken.’ maar gelukkig is de reis goed verlopen en zijn we zonder problemen in Krommenie aangekomen.”

Arrestatie

Tegen de regels in begon één van de onderduikers te corresponderen met een kennis in Amsterdam. De brieven zijn waarschijnlijk onderschept, waardoor het onderduikadres bekend werd. De onderduikers en Piet Bakker werden op 17 januari 1944 gearresteerd en meegenomen. Henny Bakker: “Ik kwam thuis van mijn werk bij Coöperatie Werkmanskracht en zag gelijk aan mijn moeder [Lies Bakker-Dovis, 11-12-1896] dat er wat was. Met een strak gezicht, ze probeerde haar emoties niet te tonen, vertelde ze dat vader en de onderduikers waren opgepakt door de Sicherheitsdienst en dat ze onder leiding van politiechef Zwart, Hovenier en Koene waren overgebracht naar het politiebureau. Ik zag aan mijn moeder dat ze probeerde het zo rustig mogelijk te vertellen, maar inwendig kookte ze, dat begrijp je.”

Uitstel
Jansje Fieijra-de Gorter mocht in eerste instantie blijven. Henny Bakker: “Die oude vrouw van 80 hadden ze niet gelijk meegenomen, want die was helemaal in de war en was slecht ter been.” Mevrouw Bakker moest, op straffe van arrestatie, zorgen dat haar onderduikster op de Wilhelminastraat bleef. Jansje Fieijra werd een dag later alsnog opgehaald en gedeporteerd. Henny Bakker: “Die soldaten zeiden tegen mijn broer [Piet, 7-5-1922] (die was toevallig net even met verlof over uit Duitsland) dat hij haar met de bakfiets moest komen brengen. Maar die soldaten hadden niet op de kordaatheid van mijn moeder gerekend. Haar strijdlust was nog lang niet verdwenen. Ze zei resoluut: ‘Daar komt niks van in. Als je háár ook wil hebben, dan neem je haar zélf maar mee.’ Dat was natuurlijk heel brutaal tegen die soldaten, maar zo was mijn moeder. Ze was niet bang. Die soldaten overlegden even en zeiden: ‘We komen die oude mevrouw morgen halen. Als ze er morgen niet is, dan nemen wij u mee.’ Mijn moeder stond toen voor een enorm dilemma en kon niet anders dan haar mond houden. Ze heeft, al kostte haar dat heel veel moeite, niets tegen die oude mevrouw gezegd. Ze zal wel gedacht hebben dat wat het zwaarst is, het zwaarst moest wegen. Als ze die oude vrouw had laten gaan was ze zelf de klos geweest en hadden wij het als kinderen niet alleen kunnen redden. De keuze was voor haar vreselijk moeilijk, maar ze kon niet anders. De volgende dag kwamen die soldaten terug om die oude mevrouw te halen. Ik hoor haar nog zeggen toen ze werd weggevoerd: ‘Als ik dit had geweten had ik mij in het slootje verdronken.’ Mijn moeder dacht, dat wist ik wel. Vreselijk dit. Dit vergeet ik nooit meer.”

Auschwitz
Tien dagen later, op 28 januari 1944, werd Jansje Fieijra-de Gorter in Auschwitz vergast. Piet Bakker kwam na ruim een half jaar gevangenschap in kamp Vught vrij. Hij bleek roodvonk te hebben en genas nooit volledig. Hij stierf in 1956 als gevolg van een hersenbloeding. Henny Bakker: “Volgens ons was de slechte gezondheid van mijn vader en zijn uiteindelijke overlijden een gevolg van die periode in kamp Vught. Hij had daar roodvonk opgelopen en door de ontberingen een erg slechte conditie, waardoor hij zieker was dan nodig. Je zou, als je zou overlijden ten gevolge van de oorlog, recht hebben op een uitkering van de Stichting 40-45. Maar volgens die stichting was mijn vader niet aan de gevolgen van een concentratiekamp overleden. Daardoor heeft mijn moeder nooit een cent van ze gehad, terwijl ze zoveel heeft gedaan in de oorlog. Het gevolg was dat mijn moeder toen ze zestig was moest gaan werken om de kost te verdienen. Dat vind ik zo erg. Dat vind ik zo oneerlijk. (…) Zulke dingen kan ik niet zetten. Ik vind het heel erg grof van de Stichting 40-45.”

Voor de andere onderduikers bij de familie Bakker, zie Druk* en Barach*.

Voetnoten

1 Historisch Genootschap Crommenie, september 2006, www.joodsmonument.nl; Stadsarchief Amsterdam, toegangsnummer 1479, inventarisnummer 804; Zwager-Bakker, H. Goed volk