Führer (Izak/Isaac)

Laatste wijziging: 25 april 2016

Gezin Izak (‘Isaac’) Führer (Ciezhowice/Ciezkowice/Ciezkowo, 18-11-1892)1 en Gisela Führer-Haber (Buczacz/Beiczacz, 23-2-1896) met Harry (Keulen, 29-3-1924 – Verenigde Staten, 28-4-2014) en Alfred (Keulen, 1-8-1927)

De hoofdbewoner was zakenman en had de Poolse nationaliteit. Op de verklaring van niet-radiobezit uit april 1941 vulde Izak bij zijn beroep ‘lederhandelaar’ in. Het Habsburgs-Poolse echtpaar was op 14 februari 1922 in Keulen getrouwd. Ze kregen er twee kinderen: Harry en Alfred. Izak begon in Keulen samen met een Duitse partner de lederhandel Nolte & Führer.

Keulen 1933

Nadat de nazi’s in januari 1933 de macht overnamen, wist de Hitler-gezinde vrouw van zijn zakenpartner met steun van de NSDAP beslag te leggen op het bedrijfsdeel, de bankrekening en tegoeden van Izak Führer. Vervolgens slaagde ze erin zijn huis te laten plunderen en hem te laten arresteren. Moeder en kinderen vluchtten daarop naar een familielid in Antwerpen. Na zijn vrijlating volgde vader Führer hen. Een bevriende zakenman, die eerder vanuit Keulen naar Amsterdam was gegaan, bood commerciële samenwerking aan. Izak ging er op in en vertrok naar Nederland.

Burgemeester Ter Laan

Het gezin Führer kon op 8 september 1933 worden ingeschreven in het verblijfsregister voor vreemdelingen te Zaandam. Het was er overigens al in april/mei van dat jaar gearriveerd. Zoon Harry vertelt in zijn autobiografie dat de ‘roode burgemeester’ Ter Laan hen en veel andere ‘bona fide’-vluchtelingen hielp. Toen Harry’s ouders na een paar jaar bij hem op bezoek gingen om te bedanken voor die hulp, antwoordde Ter Laan: “Geen dank noodig.”2

Schoenmakerij

In Zaandam begon Izak met zijn Amsterdamse zakenvriend Abraham Insdorf (Grabno, 21-10-1895), ook een Pools-Duitse vluchteling uit Keulen, aan het Rustenburg 100 de Zaanlandse Heeren Confectie Engroshandel Insdorf en Führer. Gisela begon voor verkoop op de markt hoeden te maken uit resten vilt. Vanaf 1935 begon Führer een zaak voor zichzelf, als schoenreparateur. Daarnaast maakte hij gummi regenkleding. Maar hij werd vooral bekend vanwege schoenmakerij De Adelaar. Die werd gevestigd in de Burchtgalerij, op Zuiddijk 28, tevens het woonadres van de familie. Izak had hier een, soms twee schoenmakers in dienst. Insdorf verplaatste zijn zaak, die inmiddels Zaanlandse Heeren Confectiefabriek heette, naar de Amsterdamse Plantage Prinsenlaan 9. Hij, zijn vrouw en twee dochters zouden de oorlog niet overleven.

Lees meer

Harry

In september 1933 gingen de twee zonen naar de lagere school aan het Kattegat. Later bezochten ze School 9 in de Stationsstraat. Harry hielp zijn vader soms met de bestellingen en leerde zo Loe Pais* en diens fascinerende scheepscontacten kennen. Hij was bevriend met de wat oudere Emanuel Drukker*. Harry was een vlotte leerling en sloeg enkele klassen over, waardoor de twee samen door konden naar het Gemeentelijk Lyceum aan de Westzijde. Een andere vriend was Manfred Rosenbaum*, eveneens Duitse vluchteling. In 1940 begon ook Alfred Führer op het lyceum. Harry deed er in 1939 vervroegd eindexamen. ’s Avonds studeerde hij aan de Zaanse Chemische School, die aan het lyceum gelieerd was. Zodoende kon hij zich in september 1939 aanmelden voor de hts in Amsterdam. Die kon hem niet aannemen omdat hij pas eind maart 1940 zestien jaar zou worden. Men vond een oplossing: Harry kon het praktijkjaar dat normaal in het derde schooljaar viel tot maart doen en vervolgens alsnog in de eerste klas van de hts starten. De praktijkstage deed hij bij de Hilversumse vestiging van het befaamde Zaanse essencebedrijf Polak & Schwarz*.

Synagoge

In Turbulent Times geeft Harry een sfeervol beeld van zijn Zaandamse jongensjaren in Zaandam. Hij gaat echter niet in op de verhouding van het gezin met de joodse gemeenschap. Uit het tweede nummer van Joodsch Zaandam blijkt dat in ieder geval Izak Führer lid was van de joodse gemeente. Hij had, samen met Bernard Stein*, Georg Rosenbaum* en uiteindelijk zeven autochtone leden, zitting in het comité dat het 75-jarig bestaan van de synagoge op 21 januari 1940 voorbereidde.3

Oorlog

De schoenmakerij/lederhandel Füher zal tussen oktober 1940 en augustus 1941 dezelfde pesterijen hebben meegemaakt als alle joodse ondernemingen: registratie, overmaking van gelden en tegoeden naar de Liro-bank, aanstelling van een niet-joodse Verwalter. In september 1941 mochten joodse leerlingen niet meer naar niet-joodse scholen. Hts-directeur Bethlehem was in tranen toen hij vertelde dat Harry weg moest. Harry kreeg een privé-docent, Max van Kleef. Alfred Führer kon niet meer naar het Gemeentelijk Lyceum en werd ingeschreven in de tweede klas van het Amsterdamse Joodsch Lyceum. Een van zijn Zaanse docenten, ‘Puck’ Elte*, werd er rector.

Verzet

Harry vertelt in zijn memoires dat hij tijdens zijn hts-studietijd door het studentenverzet werd benaderd om boodschappen over te brengen. Via het verzet kreeg hij ook tekeningen om een onopvallende kristalradio te bouwen. Hij overlegde met hen wat de familie te doen stond, toen zij binnen zes dagen ‘met ieder één koffer’ naar het Drentse vluchtelingenkamp Westerbork moesten. Men had een onderduikplaats voor hem, maar niet voor vier personen, van wie er twee bovendien een Duits accent hadden. Daarnaast, bijna niemand dacht toen aan zoiets als een ‘Holocaust’. “Achteraf gezien klinkt het vreemd, maar niemand vermoedde dat we in levensgevaar verkeerden.”4

Joodsche Raad

Toen zijn vader overlegde met de Joodsche Raad kreeg hij te horen dat het de Duitsers in Westerbork om concentratie van de stateloze vluchtelingen ging. Zij zouden producten gaan maken voor de Duitse markt. De raad kon daarnaast bevestigen dat Izak Führer op 23 juli 1936 een gezinsvisum voor Palestina had ontvangen. Dat had hij toen niet gebruikt, maar het zou nog geldig kunnen zijn. Het vertrek leek niet hopeloos. Het gezin stond op 19 januari dus klaar voor de huisuitzetting.

Nazorg

Door de strenge vorst van januari-maart 1942 sprongen in sommige onbeheerde huizen de leidingen. Zo ook op 15 februari bij de familie Führer. Een politieman nam de huissleutel en ging poolshoogte nemen. Een ander probleem waren de reparaties bij enkele joodse winkels die plotseling dicht waren. Iemand leverde bij de politie 17,25 gulden af voor Führer, vanwege een onbetaalde schoenreparatie. Het geld ging niet naar de winkelier, maar naar P.G. Docter van de Hausraterfassung.

Westerbork

Het gezin Führer werd op 3 februari 1942 ingeschreven in het gemeenteregister van Westerbork. Omdat mevrouw Führer astma had, kreeg het gezin woonruimte die meer privacy had dan de barakken. De Führers hoorden door hun vroege komst en Duitse achtergrond tot de alte Kamp-Insassen, de oude kampbewoners. Veel van hen woonden in huisjes.

Alte Kamp-Insassen

De eerste lichting had de kamporganisatie opgebouwd in de stille Nederlandse tijd (eind 1939 tot midden 1942) en hield die ook in de Duitse tijd van de massadeportaties in handen. De Nederlandse joden voelden dit vaak als achterstelling. Over de transporten schrijft de journalist Philip Mechanicus: “Toen de transporten der Joden in de zomer van 1942 als ‘polizeilicher Arbeitseinsatz’ naar Polen een aanvang namen, promoveerde de toenmalige Duitse commandant Deppner de ruim tweeduizend Duitse Joodse kampbewoners, die van de drieduizend nog over waren, als alte Kamp-Insassen, die niet voor deportatie in aanmerking kwamen.”5

Vertraagde deportatie

Dat laatste bleek maar ten dele juist. Inderdaad haalde de joodse kampoudste Kurt Schlesinger op het laatste moment de jonge Manfred Rosenbaum* van de lijst voor het eerste transport (15 juli 1942), maar de drie kinderen Knopf* gingen wel mee met dit transport. Veel Duitse vluchtelingen uit Zaandam konden tot begin 1944 in Westerbork blijven, maar in andere gevallen duurde de bevoorrechting slechts tot februari 1943 (familie Herzfeld-Rollmann* of september 1943 (Adolf Frankenstein*).

Bergen-Belsen

De Führers gingen op 1 februari 1944 in een personentrein naar Bergen-Belsen. In Turbulente Tijden staat een kopie van de transportlijst. Het gezin Führer heeft de nummers 256-259. Izak heeft als beroep ‘schoenmaker’. Hij noemde zichzelf in de kampen liever niet ‘zakenman’, want volgens de Joodsche Raad kon je het beste een ambacht opgeven. Harry heette ‘chemisch analist’.6 Het Rode Kruis had tegenover de Joodsche Raad in Westerbork de geldigheid van het Palestina-visum bevestigd en zo hadden de leden van het gezin een Sperre voor transport naar Auschwitz en Sobibor. Bergen-Belsen, noordelijk van Hannover, werd als even ‘goed’ gezien als Theresienstadt, waarheen de grootste groep oude kampbewoners ging. Isaac en Gisela Führer namen behalve hun eigen zoons ook een dochter van goede vrienden mee, Trude Rosenthal. Voor veel geld was het via het Rode Kruis gelukt om voor haar een staatsburgerschap van El Salvador te krijgen. Nu had zij een dubbele nationaliteit.

Austauschlager

Het uitgebreide gezin Führer moest in Bergen-Belsen naar het ‘Austauschlager’. Het gedeelte waar zij waren ondergebracht heette ook wel ‘Sternlager’, omdat men daar -zoals ook in Westerbork- de gele ster moest dragen. Men werd er niet getatoeëerd, maar moest wel dwangarbeid doen. SS-kamp Bergen-Belsen kende verschillende afdelingen. Begin 1944 was de afdeling voor Russische krijgsgevangenen het grootst. Slechts 10% van hen zou de gevangenschap overleven. Andere gedeeltes waren voor Duitse verzetsmensen, Jehova’s getuigen, homoseksuelen, andere ‘vijanden van het Rijk’ en gewone criminelen. Er was ook een ‘Holländerkamp’. Het Austauschlager was een iets minder gruwelijk gedeelte van Bergen-Belsen. Het was bestemd voor belangrijke joden, joden met een dubbele nationaliteit (bijvoorbeeld Engels-Nederlands) of joden met een Palestina-certificaat.

Palestina-certificaat

Daaronder vielen de Führers, Manfred Rosenbaum* en het echtpaar Freund*. Zij zouden uitgewisseld kunnen worden tegen Duitsers in het buitenland. In bijna twee jaar overkwam dit in ‘Austauschwitz’, zoals Harry het in zijn boek betitelt, slechts 357 personen. Van hen bezaten ongeveer 275 het Palestina-certificaat. Zij vertrokken op 29 juni 1944 per trein naar Wenen en van daar naar Istanbul. Een gedeelte van deze groep kwam inderdaad in Haifa aan.7 Dit relatieve voorrecht was echter niet weggelegd voor de familie Führer. Izak en Harry moesten de geconfisceerde persoonlijke spullen van medegevangenen sorteren. Harry overleefde een strafcommando houthakken, en kwam de uit Westerbork beruchte Gertrud Slottke tegen. Zij was een medewerker van Eichmann voor de transporten naar de vernietigingskampen.

Kampevacuatie

De familie Führer doorstond in het Austausch-kamp dwangarbeid en ziektes. Ze maakten ook de treinevacuatie mee van tweeduizend joden uit het uitwisselingskamp. Dat gebeurde vanaf 10 april 1945, vijf dagen voor de bevrijding. Harry verloor hierbij het contact met zijn Poolse vriendin Nina. Het gezin zat in ‘the lost transport’, dat pas op 23 april 1945 opdook in Tröbitz (bij Leipzig), net aan de Russische kant van het front. Overal waren sporen en bruggen kapot en overal was het front, zodat de route van de trein voortdurend veranderde. Amerikaanse jachtvliegtuigen namen de trein onder schot, ziektes hielden huis in de treinwagens zelf en de bewakers moesten voor de gevangenen en zichzelf om eten en drinken bedelen bij boeren langs het spoor. In Tröbitz werden de inzittenden van de trein, en later die van een tweede, door het Russische leger bevrijd. Dit vorderde huizen van de bevolking, die zeer welwillend was, en zette een quarantainekamp en noodhospitaal op.

Tröbitz

Harry’s moeder en broer kregen in Tröbitz tyfus. Harry was bang aangestoken te worden en wilde Nina vinden. Hij vluchtte en werd bijna direct door Russische soldaten gepakt en teruggebracht: “Een van de meest beschamende momenten van mijn leven.”8 Zeven weken na aankomst van de familie werd de quarantaine opgeheven en werden zieken en gezonden door Amerikaanse troepen naar Leipzig gebracht. Na ontluizing kregen ze van de geallieerde strijdkrachten een displaced persons-kaart. Na twee maanden waren volgens Presser zeshonderd van de 2500 oorspronkelijke reizigers gestorven.9

Opgesloten bij de grens

De familie Führer keerde op 23 juni 1945 met Trude, Manfred* en twaalf andere joodse kampoverlevenden vanuit Leizpig terug naar Nederland. De ontvangst aan de Nederlandse grens was verschrikkelijk. De stateloze vreemdelingen werden als vijanden behandeld en acht dagen opgesloten, samen met NSB’ers en Nederlandse SS’ers. Deze gaf men de vrije hand.10 Advocaat Isaac de Vries, een van de teruggekeerden, maakte de zaak in Den Haag aanhangig, waarna men werd vrijgelaten.

Zaandam

De Führers gingen samen met Trude Rosenthal naar Zaandam. Ze woonden in een huis van opgepakte NSB’ers aan de Burgemeester van Ordenstraat 23. “Mijn vader had spullen bij de familie Van der Noorda in bewaring [onderwijzer J.L. van der Noorda, Zuiddijk 16a] en geld bij onze huisarts. We hebben alles na de oorlog teruggekregen. Een employé die ook iets zou bewaren, bekende in 1945 dat hij zo in nood had gezeten dat hij het toevertrouwde had verkocht. Mijn vader vergaf het hem.”11

Bedrijf

De familie moest voor de tweede keer van nul af beginnen. Banktegoeden, investeringen en verzekeringen waren verloren. Gisela begon, voor zij vanwege haar kapotte longen een jaar naar Davos moest, uit viltrestanten corsages te fabriceren. Ze verkocht die aan de Bijenkorf. Izak reisde naar Tilburg om wollen stof te krijgen waaruit hij herenkleding kon maken. Later maakte hij ook regenjassen. En de jongens hadden de studie snel weer op te pakken.

Studie

Harry was vastbesloten ‘de verloren tijd zoveel mogelijk weer in te halen’.12 Alfred (18) ging naar hetzelfde Gemeentelijk Lyceum dat hij in september 1941 moest verlaten. Na zijn examen belandde hij in het diamantvak. Harry vervolgde zijn hts en meldde zich weer bij rector Bethlehem. Hij had voor zichzelf besloten dat hij ‘niet zou toestaan dat de herinneringen aan de oorlogsjaren mijn leven negatief zouden beïnvloeden’.13

Jan van Bohemen

Oud-Zaandammer Jan van Bohemen, die in juni 1945 uit Duitsland was gekomen, ontmoette zijn vroegere schoolgenoot eind van die maand. Hij was toen per fiets onderweg naar de Spaarndammerdijk in Amsterdam. Harry liep. Hij droeg een Duits uitziende broek en vertelde Jan dat hij uit een kamp was teruggekomen. Jan reageerde gelaten. Zovelen waren uit Duitsland teruggekomen, zoveel mensen hadden het slecht. Pas later besefte hij wat een verschrikkelijke thuiskomst het voor Harry moest zijn geweest.14

Amsterdam

Het gezin Führer verhuisde in 1946 naar de Amsterdamse Van Speijkstraat. De 23-jarige Harry deed in 1947 zijn hts-examen en vertrok in december als ‘pionier’ naar de Verenigde Staten. Het gezin had daar naaste familie. De afspraak was dat hij twee jaar zou proberen hoe het ging, en op grond daarvan zou beslissen of ouders en broer konden volgen. Bij deze beslissing speelde het besef van het Europese antisemitisme een rol, maar ook het feit dat het voor de Führers als ‘vreemdelingen’ onmogelijk bleek om Nederlander te worden. Harry kreeg, als lid van de lichting 1944 (zijn eerste Bergen-Belsenjaar) echter wel een oproep om als dienstplichtig soldaat naar Nederlands-Indië te gaan. De autoriteiten vonden dit geen vergissing. Harry zag daarom geen andere mogelijkheid dan een Pools paspoort aan te vragen. Als Pool emigreerde hij begin december 1947 naar de Verenigde Staten.

Polak & Schwarz

Harry had zijn praktijkjaar gedaan bij Polak & Schwarz* en kon nu op voorspraak van de Zaandamse directeur Dolf Schwarz beginnen bij de Amerikaanse vestiging van de essence-fabriek. De sprong over de oceaan lukte en in 1949 verkocht Isaac Führer voor de derde keer in zijn leven zijn bedrijf. Harry legde in Amerika zijn hatelijke achternaam af -Hitler liet zich ‘Führer’ noemen en voerde overal in het nazi-rijk het ‘Führer-Prinzip’ in- en nam de naam Fields aan. Dat voorbeeld werd gevolgd door zijn ouders en broer die in september 1949 volgden. Izak Fields opende een levensmiddelenzaak, doorstond een autoaanrijding, en vierde in 1992 in New York zijn 100ste verjaardag.

Lintje

Harry maakte carrière bij de Amerikaanse tak van Polak & Schwarz en ging mee in de fusie van dit bedrijf met Van Ameringen Haebler (1960). Het leidde tot International Flavors & Fragrances (IFF). Hij werd tenslotte een van de IFF-topmannen. Fields behield zijn band met Nederland. In 1996 werd hij onderscheiden met een officierschap in de Orde van Oranje-Nassau.