Groenman (Hartog)

Laatste wijziging: 26 april 2016

Hartog Groenman (Amsterdam, 14-9-1873 – Auschwitz, 7-5-1943)1

Hartog Groenman behoort tot de vier gepensioneerden op de plaquette met oorlogsslachtoffers van essencefabriek Polak & Schwarz*. Hij was vermoedelijk vertegenwoordiger. In september 1938 werd hij 65 jaar.

Gezin

Hartog woonde voor zijn huwelijk bij zijn moeder, de weduwe van Jacob Mozes Groenman. In 1910 trouwde hij met Hesther Polak (Leiden, 25-3-1861), die uit een eerder huwelijk twee oudere kinderen meenam: Jacob Kijzer (Amsterdam, 9-5-1888) en Meijer (‘Max’) Abraham Kijzer (Amsterdam, 14-1-1893). Als beroep staat bij Hartog Groenman op de gezinskaart aanvankelijk ‘fabrieksarbeider chocoladefabriek’. Vanaf mei 1929 woonde het echtpaar op de Harmoniehof 14.

Sobibor

Dit was ook het adres van waar zij in 1943 naar de Hollandsche Schouwburg moesten vertrekken. Het lijkt er op dat het echtpaar Groenman is opgepakt door de leden van de Colonne-Heinecke, collaborateurs die 7,50 gulden krijgen per opgepakte jood. In zijn boek Kopgeld schrijft Ad van Liempt over de Hollandsche Schouwburg: “Jodenjagers leveren er hun prooi in, en krijgen er, van de dienstdoende bewaker, een waardevol briefje. Je ziet dat ze hun best doen zo leesbaar mogelijk te schrijven. Op 24 april bijvoorbeeld zijn de namen van Hartog Groenman, Hester Groenman-Polak, Sara Polak en Sofie Büchenbachter op papier gezet. Hun geboortedata en het adres waar ze het laatst woonden staan vermeld, plus de handtekening van de SS’er die het briefje aftekent.” Hartog en Hesther werden op 7 mei 1943 in Sobibor vermoord. Max was toen al om het leven gebracht.

Max en Jacob

Max Kijzer verhuisde in 1928 naar Den Haag. Zijn beroep was ‘reiziger’. Later vertrok hij naar Rotterdam, waar ook zijn broer Jacob woonde. Zijn laatste adres daar was ‘s-Gravendijkwal 17. Max was inmiddels schrijver geworden.2 Hij schreef over Adriaan Roland Holst, Willem Kloos en Hendrik Marsman. In 1944 werd nog zijn biografie H. Marsman (1899-1940) uitgegeven. Daarnaast publiceerde hij romans en gedichten.

Salons

In de late jaren ’30 organiseerde hij met zijn broer Jacob literaire salons waar onder andere de schrijfster Anna Blaman kwam. Ook de jonge Alfred Kossmann werd na publicatie van een gedicht in de schoolkrant van het Erasmiaans Gymnasium door zijn klasgenote Jet Kijzer op de salon uitgenodigd. Hierover schreef journalist Tom Rooduijn in een column uit 1998. “Het joods-Amsterdamse milieu van Max en zijn broer was ons volkomen vreemd – en daardoor erg interessant”, vertelde Kossmann. “Hij had in 1936 een bundel met obscene gedichten gepubliceerd, Honderd Kwatrijnen, die wij prachtig vonden.” Hij citeerde weer uit het hoofd:

‘Mijn bed heeft naar de kattepis gestonken,

Mijn denken is na lang geleen verzonken,

Mijn naakte lief geurde naar jasmijn,

Gelukkig ben ik iedere avond dronken.’

Max

Kossmann herinnerde zich dat Max Kijzer tijdens een wandeling op het Beursplein tegen hem zei: “Ik heb niet eens meer een rijksdaalder om naar de hoeren te gaan.” Over zijn roman Sigarenfabriek José Alvarez uit 1939 zei Kijzer: “Heb ik een roman geschreven over het erotische en seksuele leven van beest-mensen, heeft de uitgever erin geschrapt en is er een zakenroman overgebleven.” Max Kijzer werd 23 oktober 1942 vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd en stierf op 31 maart 1944.

Jacob

Jacob Kijzer overleefde de oorlog.

Voetnoten

1 Plaquette Polak & Schwarz; Gezinskaart Amsterdam; www.joodsmonument.nl; Liempt, A. van Kopgeld

2 Tom Rooduijn in de column Het Lot in NRC Handelsblad, 29-6-1998; www.antiqbook.nl/boox/academ/001638.shtml (Willem Kloos, 118 p.); www.xs4all.nl/~nil/overarh.htm (De Nieuwe Gids, 2 p.); www.schrijversinfo.nl/marsmanh.html