Groot, de (Saul)

Laatste wijziging: 26 april 2016

Gezin Saul (‘Sal’) de Groot (Amsterdam, 11-7-1915 – 28-7-1981)1

Magazijnbediende De Groot woonde aan de Pieter Latensteinstraat 29. Een politienotitie met namen van niet-joodse partners noemt als echtgenote Aaltje (‘Ali/Alice’) Soepboer, die op 26-7-1897 in Leeuwarden geboren zou zijn. Die geboortedatum klopt niet. Ze werd geboren op 26-9-1917. Uit het aantal personen op de basislijst (Aufstellung) kan men afleiden dat het echtpaar een kind had. Het echtpaar kwam in februari 1939 naar Zaandam. Het betreffende kind was Judith (‘Jupi’), in het Zaandamse Gemeenteziekenhuis geboren op 12-7-1939. Het echtpaar kreeg nog drie kinderen: Hilde, Gerard en Pauline.

Ouders

Sauls ouders, Ezechiel de Groot en Rebecca (‘Jetje’) de Groot-Frankfort, werden naar Westerbork gebracht en vervolgens op transport gesteld naar Auschwitz. In tegenstelling tot het gezin De Groot-Soepboer overleefden ze de Sjoa niet. Er zijn twee kaartjes vanuit Westerbork van hen bewaard gebleven. Op het eerste, de dato 31-1-1943, bedankte Ezechiel zijn zoon en schoondochter onder meer voor een toegezonden pakje met voedsel. “Al onze oude buurtjes zijn doorgezonden. (…) Wanneer wij doorgezonden worden weten wij nog niet. Dat wordt je pas diezelfde ochtend gewaar.” Hij verbleef op dat moment in ziekenbarak 83, hetgeen hem (even) voor deportatie naar Auschwitz beschermde. Op 5-2-1943 volgde er een tweede kaartje naar Saul en Aaltje, dit keer van Rebecca. Ook nu weer een bedankje voor voedselpakketjes. “Mijn Ouders en Jaan zijn dinsdag doorgegaan. Verder moeten wij nog afwachten. (…) Enfin, de moed maar inhouden.” Het was hun laatste levensteken. Op 12-2-1943 werden Ezechiel en Rebecca de Groot in Auschwitz vergast.

Afscheidsbericht

Eerder hadden Saul en Aaltje al een bemoedigend bedoeld, maar -achteraf gebleken- definitief afscheidsbericht ontvangen van de bevriende familie Dessaur. Dit Amsterdamse echtpaar en hun 12-jarige dochter stuurden op de dag dat ze in de trein naar vernietigingskamp Auschwitz stapten een kaartje: “Voordat wij weggaan wil ik jullie nog even van ons groeten. De mogelijkheid bestaat dat jullie en de andere familieleden nu een week niets van ons horen. Maar komt dat omdat wij minstens 3 dagen in de trein zitten. Dus niet ongerust maken hoor.” De allerlaatste woorden van Salomon Dessaur luidden: “Op mijn woord, Sal. Wij maken het best. Dag.” Drie dagen later werden hij en zijn twee gezinsleden vermoord.

Lees meer

Amsterdam

Het echtpaar De Groot leefde toen al in de Amsterdamse jodenbuurt, in de Deymanstraat 14 II. Ze hadden daar een zolderkamer bij Aaltjes tante. Het was niet gelukt om zelfstandig woonruimte te huren. Na een aantal maanden lukte het alsnog om een woning te huren in de Blasiusstraat 106 III. Saul vond het daar niet veilig genoeg. De verzetsman J.P.J. (Joop) op ’t Eijnde, die in december 1945 met Sauls zuster Keetje zou trouwen, schreef in een naoorlogs verslag aan de Uitkeringsraad Vervolgingsslachtoffers 1940-1945: “Zeker is dat hij geruime tijd onderdook bij zijn schoonouders, de fam. H. Soepboer, Klanderijstraat, Leeuwarden. Later nog een tijd op een woning in de H. Conradstraat te Amsterdam, een woning gehuurd door Joep Horopw en waar ook Eva de Groot met kind was ondergedoken.”

Johannes Skorup

Horopw (een schuilnaam van de Duitse politieke vluchteling Johannes Heinrich Skorup) was net als J.P.J. op ’t Eijnde actief in de revolutionair-socialistische beweging. Na van mei tot augustus door de bezetter gevangen te zijn gezet trok hij samen met Sauls zuster Eva in Zaandam twee maanden (illegaal) in bij het echtpaar De Groot. Van daaruit regelde hij via de Vreemdelingenpolitie identiteitspapieren op zijn valse naam. Daarmee kon hij tot 1945 vrijuit over straat. Hij hield zich de rest van de oorlog bezig met het onderdak brengen van joden en de verzorging van valse bonkaarten en persoonsbewijzen.

Persoonsbewijs

In de Blasiusstraat gaven Saul en Aaltje ook onderdak aan J.P.J. op ’t Eijnde, die zich onder meer bezighield met vervalsingswerkzaamheden. Al in de Blasiusstraat beschikte Saul de Groot over een vervalst persoonsbewijs, overigens niet via Op ’t Eijnde of Skorup. Het bestond uit drie op elkaar geplakte velletjes en zag er tamelijk amateuristisch uit. Op ’t Eijnde: “Eenmaal werd hij aangehouden in de v. Woustraat door een Nederlandse rechercheur (in burger). Hij toonde het PB, de man bekeek het, gaf het terug met de woorden: ‘Zorg maar gauw voor een ander, want dit deugt niet.’ Gelukkig had hij een ‘goeie’ getroffen.” Skorup en Op ’t Eijnde zorgden daarna voor een beter exemplaar, dat tot het eind van de oorlog dienst deed.

Hereniging

Saul werd met zijn gezin herenigd, toen Aaltje er in slaagde om op haar eigen naam een woning te huren in de Amsterdamse Pieter Nieuwlandstraat. Hijzelf stond inmiddels te boek als ‘afgevoerd’. Op ’t Eijnde: “’t Geval deed zich voor dat tijdens zijn onderduiken de moffen (of was het zwarte politie, niet bekend) bij zijn vrouw kwamen om hem op te halen. Ondanks de schrik en de angst had zijn vrouw nog tegenwoordigheid van geest genoeg om verontwaardigd te reageren met de opmerking dat ze haar man al veel eerder hadden weggehaald en dat ze dat toch wel moesten weten. Nadien is er geen reactie meer gekomen, noch van Duitse noch van Nederlandse politiezijde. Maar toen was het al 1944.”

Bevrijding

Toen de bevrijding een feit was, verhuisde het echtpaar De Groot naar de Tweede Jan van der Heijdenstraat 3 III in Amsterdam-Zuid. Saul en Aaltje emigreerden in 1958 met hun kinderen naar Australië. Saul de Groot overleed op 28-7-1981, zijn echtgenote op 11-8-2007. Hun vier kinderen bleven eveneens in Australië.