Hoorn, van (Levie)

Laatste wijziging: 26 april 2016

Gezin Levie van Hoorn (Amsterdam, 13-3-1897 – Auschwitz, 31-1-1943)1 en Roosje van Hoorn-Croese (Amsterdam, 14-9-1895 – Auschwitz, 28-9-1942) met Aäron (‘Arie’, ‘Rini’) (Zaandam, 25-8-1933 – Auschwitz, 28-9-1942)

Het gezin woonde op de Narcisstraat 9. Levie was ‘arbeider in een beschuitfabriek’, vermoedelijk Hille. De website joodsmonument.nl noteert ‘uienfabriek’, een Zwiebel-verschrijving van het woord ‘Zwieback-Fabrik’.

Zaandam

Het gezin had aanvankelijk een huis in Zaandam. Levie van Hoorn werd hier op 4 juli 1930 ingeschreven op het adres Kweekerstraat 16. In Zaandam kwam Aäron ter wereld. Het huwelijk van Levie met Roosje Croese had plaats in 1938. Aäron was een zoon uit Levies eerste huwelijk. Zijn moeder was Sara Paraira, die op 14-12-1937 in Koog aan de Zaan overleed. Levie trouwde in 1938 met Roosje, een zus van zijn schoonzuster Leentje van Hoorn-Croese. Levies jongere broer Bernard* kwam in april 1932 eveneens naar Zaandam. Hij was getrouwd met een jongere zuster van Roosje en werkte bij beschuitfabriek Hille.

Aanmelding als jood

Het gezin Van Hoorn-Croese leverde de formulieren ter bepaling van de mate van joods-zijn in op 19 februari 1941. Bij het ophalen van de Bewijzen van Aanmelding op 20 maart 1941 hoefde Levie slechts de helft van de leges te betalen, 1,50 gulden. Het bedrag werd verhaald op de joodse gemeente van Zaandam, waarvan het gezin blijkbaar lid was. De Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters nam echter geen genoegen met het feit dat de joodse gemeente slechts 1,50 gulden vergoedde.2 De inspectie kreeg immers de helft van de leges. Uit een potloodaantekening blijkt dat de gemeente opnieuw contact opnam met het synagogenbestuur: “J. Pais* Zaandam, tel. 3123.” Dat werd verplicht de volledige betaling te verrichten. Op basis van de aanmelding, waarbij in dit geval bij alle drie minimaal drie joodse grootouders werden ingevuld, kregen de ouders voor zichzelf en Aäron een zwarte J in het persoonsbewijs gestempeld. Vanwege zijn joods-zijn mocht Aäron in september 1941 niet meer naar school.

Meindert Molenaar

Meindert Molenaar haalde in 2004 een oorlogsherinnering op in het clubblad van de Koogse korfbalvereniging KZ. “Arie was mijn vriendje, hij woonde vlakbij mij, in de Narcisstraat. Op een dag in september 1941 gingen we naar het KZ-veld. We waren allebei 9 jaar. Ik wou het veld op, maar Arie zei: ‘Ik mag niet mee daar.’ Toen ik vroeg waarom niet wees hij op het bordje Verboden voor joden. ‘Ik ben joods’, zei hij en toen zijn we allebei teruggegaan. Ik had dat nooit geweten, wist niet eens wat het betekende. Arie mocht kort daarna ook niet meer naar onze school.”

Lees meer

Wim Kaldenbach

Een andere herinnering aan Aäron komt van zijn voormalige klasgenoot, Wim Kaldenbach (die hem overigens vooral kende als ‘Rini’). Kaldenbach noemt hem ‘een vriendelijk, lief jongetje’. “De dag voor ze weg moesten, liep ik toevallig met hem mee naar huis. Zijn moeder zei toen tegen Rini: ‘Je moet even tegen Wim zeggen dat je morgen op vakantie gaat’.” Het ‘vakantieadres’ was het Judenviertel in Amsterdam.

Jodenevacuatie

Het gezin werd gedwongen op of rond 30 maart 1942 uit Koog te vertrekken. Meindert Molenaar: “Op een dag kregen ze van de gemeente te horen dat ze de volgende dag vroeg met gepakte koffers klaar moesten staan. Ze werden door de gemeentepolitie naar Amsterdam gebracht.” De inboedel, die bij de voorafgaande inventarisatie al gedetailleerd was vastgesteld, werd later door de Hausraterfassung weggehaald en er kwamen nieuwe huurders. De vierkamerwoning was bezit van woningbouwvereniging Volkshuisvesting. De gemeente hield, net als bij de andere vertrokken joden, niet bij wat het Amsterdamse adres was geworden. De Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters wilde dat wel weten, omdat haar doel de totale Erfassung van de (joodse) bevolking was. De burgemeester liet op 17 november 1942 weten dat het gezin naar Amsterdam was ‘geëvacueerd’. Het adres werd daar opgevraagd. Amsterdam meldde in januari 1943 dat de familie Van Hoorn gehuisvest was op de Marcusstraat 19 hs. Op dit adres woonde familie van Levie, vermoedelijk een broer. Het ging om Samson van Hoorn (Amsterdam, 1899) en diens vrouw Sophia van Hoorn-van Hoorn (Den Haag, 1904) en zoontje Aäron (Amsterdam, 1934).

Deportatie

In januari 1943 waren beide gezinnen al opgehaald en gedeporteerd. De vrouwen en kinderen waren al vermoord. Meindert Molenaar: “Later kreeg een familie uit de buurt een briefje van ze, dat ze naar Auschwitz gingen. Destijds wisten ze nog niet wat dat was. Dat zijn we in 1945 te weten gekomen.” Roosje (47) en Aäron (9) werden onmiddellijk na aankomst op 28 september 1942 voor de gaskamer geselecteerd. Dat gold ook voor Sophia (38) en Aäron (8) van Hoorn-van Hoorn. Levie (44) bezweek op 31 januari 1943 in Auschwitz, op dezelfde dag als Samson (43). Het Zaandamse gezin van Levies broer Bernard ging al op 31 augustus 1942 op transport naar Auschwitz en overleefde de vervolging evenmin.

Voetnoten

1 Aanmeldingslijsten maart 1941, nummer 8 (3 pers.), en najaar 1942 (nummer 15-17); Burgemeesterslijst nummer 17-18, 14; Politielijst zevende adres; Opgave geëvacueerden januari 1943; Verzeichnis Judenwohnungen februari 1943 nummer 3; www.joodsmonument.nl; H8, G12-13; Jubileumuitgave KZ Koog Zaandijk 100 jaar!; Informatie van Wim Kaldenbach uit Naarden (27-8-2012) en Geke van de Kamp uit Zaandam 14-3-2013); www.maxvandam.nl

2 Gemeentearchief Zaanstad, Koog aan de Zaan deel 9, doos 195