Inja-Weijl (Ellen)

Laatste wijziging: 26 april 2016

Echtpaar Ellen Justine Inja-Weijl (Enschede, 13-7-1903)1

Ellen Weijl was getrouwd met Cornelis (‘Cor’) Poulis Inja (Zaandam, 27-7-1903). Het echtpaar Inja woonde gedurende de oorlog op de Kweekerstraat 10. Beiden hadden de doopsgezinde godsdienst. Zowel Ellens vader, een socialistisch denkend fabrikant uit Enschede, als haar moeder waren van joodse komaf. Bij haar is dus sprake geweest van meer dan twee joodse grootouders. Ellen was echter samen met haar moeder doopsgezind geworden. Haar niet-joodse man Cor Inja was een opvallend mens, over wie veel bewaard is gebleven.

Cor Inja2

Cor groeide in een arm gezin op als oudste van drie kinderen. De familie Inja woonde eerst in een van de ‘krimpersloppen’ aan het Krimp in Zaandam, daarna een paar jaar in Krommenie en vervolgens weer in Zaandam, in de Russische Buurt. Cor kon goed leren, maar moest helpen om het brood van het gezin te verdienen. Bij Dekker’s Houthandel werkte hij als ‘stokkenjongen’. Hij deed aan avondstudie en werd actief in de Doopsgezinde Jongerenbond van de Oostzijde-gemeente en in de Transportarbeidersbond. Ook ijverde hij voor drankbestrijding, socialisme en pacifisme. Doopsgezind zijn en militaire dienst weigeren waren voor hem onlosmakelijk verbonden. Omdat in de nieuwe Dienstweigeringswet (1923) nog geen plekken waren benoemd voor tewerkstelling deed hij in 1925 geen beroep op deze wet, maar koos hij voor gevangenisstraf. Tijdens de acht maanden in Strafgevangenis Scheveningen schreef Inja een dagboek, Geen cel ketent deze dromen. Terug in Zaandam vond hij werk bij het houtzaag- en schaafbedrijf De Prins van Oranje. Cor Inja nam deel aan de grote houtstaking van 1929, zoals ook Wolf Bosboom*, maar werd desondanks ‘werfbaas’. Begin jaren ’30 was hij lid van het Comité Socialisme en Kerk van Frits Kuiper, toen doopsgezind predikant in Krommenie, Wormer en Jisp. Kuiper was zijn steun en toeverlaat tijdens zijn dienstweigerperiode.

Huwelijk

Ellen Weijl leerde Cor Inja kennen via een mede-dienstweigeraar, die in Hilversum een kamer had bij de moeder van Ellen. Ellen was lerares bij het nijverheidsonderwijs. Hun huwelijk vond plaats in 1930, waarna het paar in Zaandam ging wonen.

Vluchtelingen

Al voor de oorlog was Cor actief bij de opvang van joodse en andere vluchtelingen uit Duitsland en Oost-Europa. Die hulpvaardigheid gold overigens voor meer socialistische en/of joodse Zaankanters (zie Piet Bosboom*, Saul Smit*, Hein Petersen*, Bernard Eisendrath* en Leentje Schouten-Hagenaar*). Joodse vluchtelingen werden vanaf eind 1939 doorgestuurd naar kamp Westerbork. Het was niet vreemd dat Cor zich ook na mei 1940 bleef inzetten voor de (protestants-joodse) gevangenen van Westerbork, mede gezien Ellens achtergrond.

Lees meer

Oorlog

In zijn na de bevrijding geschreven, niet-gepubliceerde dagboek3 beschrijft Cor Inja de grote indruk die het uitbreken van de oorlog op hem maakte: “Ik riep naar Ellen: ‘We zitten in de oorlog!’ Mijn vrouw wilde er niet aan. (…) Ik ging naar de houtwerf waar ik werkte. Overal verslagenheid. (…) Op 14 mei capituleerde Nederland na een bombardement op Rotterdam. Paniek alom. Enige onzer beste vrienden pleegden zelfmoord. Zelf hadden we het ook plezierig gevonden als we onder waren gegaan in het geweld.”

Hulpcomité

De Werkgemeenschap van Quakers en Doopsgezinden (WQD), waarvan medeoprichter Inja landelijk secretaris werd, was op 20 maart 1940 onder zijn leiding ook in Zaandam gestart. Het is overigens zeker dat Ellen participeerde in dergelijke activiteiten van haar man. De groep ging pas draaien ‘toen de verbijsterende nood in Rotterdam om hulp vroeg’.4 Men zamelde kleding en huisraad in, die kon worden opgeslagen bij twee leden van de werkgroep, Wijbrand en Geertje Pel*. Overal in Nederland werden in die tijd comités voor hulp aan Rotterdam opgericht.5 De WQD benutte voornamelijk doopsgezinde kanalen. De Zaandamse politie werkte de inzameling tegen, omdat er geen vergunning voor was gegeven. De groep ging desondanks gewoon door en de inzameling bereikte een waarde van 2500 gulden. Een maatschappelijk werkster uit de havenstad vertelde dat het ook nodig was om kinderen uit Rotterdam te evacueren. Daar ging de Zaanse WQD onmiddellijk op in. Op 11 juni kwamen er elf kinderen naar de Zaanstreek Het werden er al gauw veertig. Toen besloot men het werk over te dragen aan een Algemeen Zaans Comité.

Ook Den Helder werd gebombardeerd, eind juni 1940. De werkgroep probeerde opnieuw te helpen en verbond zich met de landelijke Werkgemeenschap, die zich intussen de Elspeetsche Vereeniging had genoemd.

Pakketten voor Westerbork

In september kreeg de Zaandamse groep het verzoek om pakketten te maken voor een groep van tachtig à negentig ‘niet arische protestantse vluchtelingen’ in kamp Westerbork, dat toen nog onder Nederlandse leiding stond. De vluchtelingen hadden in 1939 gewoond in het doopsgezinde Broederschaphuis in Schoorl, maar dat was bij de mobilisatie in beslag genomen. De groep was toen in Sluis beland, en in mei 1940 door de Duitsers eerst naar Hoorn en van daar naar Westerbork gestuurd. Ondanks waarschuwingen van politiemensen in Groningen en Zaandam dat een ‘Führer uit Zaandam [Inja] zu weit’ ging6, bleef de WQD-groep stug doorgaan met de hulpverlening.

Anti-joodse maatregelen

Inja besteedde in zijn dagboek vervolgens aandacht aan de anti-joodse maatregelen. Over de ‘Ariërparagraaf’ van oktober 1940 schreef hij: “Joden werden uit overheidsbetrekkingen geweerd. In Nederland was de pogrom begonnen.” Over Ellen noteerde hij dat ze niet meer in de openbare bibliotheek mocht komen. Ook noemde hij haar bij de verplichte aanmelding van januari/februari 1941: “We waren zo dom geweest op te geven dat Ellen van Joodse bloede was.” Op haar persoonsbewijs kwam een J te staan en later moest ze de jodenster dragen, ‘iets waartoe ze nooit is overgegaan’. Toen woonde het echtpaar echter al niet meer in Zaandam. De antisemitische maatregelen betekenden dat ze voorzichtiger met Ellens identiteit moesten omgaan. Bij het begin van de Februaristaking, 25/26 februari 1941, hadden oudere arbeiders op zijn werf zich tegen deelname verzet, omdat Inja ‘met een joodse vrouw’ niet mee kon doen. Hun gemengde huwelijk was dus bij velen in Zaandam bekend.

Januari 1942

Cor Inja ging in zijn dagboek uitvoerig in op de ‘evacuatie’ van de Zaandamse joden. Op 14 januari 1942 zaten Cor en Ellen rustig wat werkgroepplannen voor het nieuwe jaar uit te werken. Het was 22.00 uur, toen ze een motor hoorden aankomen die voor de deur stopte. “We keken elkaar aan.Wat zullen we nu weer hebben. Ons hart klopte sneller dan gewoonlijk. Er werd gebeld.” Twee politiemannen kwamen het bericht brengen dat het echtpaar ‘krachtens een besluit van burgemeester Van Ravenswaay’ op 17 januari naar Amsterdam moest verhuizen, met achterlating van de inboedel. Het huis zou verzegeld worden. De maatregel gold ook voor gemengd gehuwden. “Natuurlijk waren we daarna in paniek en veel huisraad en goederen werden bij buren ondergebracht.”

Doopsgezinden en Geestverwanten

Cor kon niet op de Zaandamse houtwerf blijven werken, maar hij zag dat positief: “In ieder geval was door onze uitwijzing uit Zaandam meer tijd vrij gekomen.” Tijd voor het werk bij de doopsgezinde werkgroepen, zowel in Amsterdam als in Zaandam.

De verdrijving van Cor en Ellen kwam direct aan de orde in de vergadering van de Werkgroep Doopsgezinden en Geestverwanten (WDG), zoals de WQD intussen heette. Cor zou gewoon voorzitter van de Zaandamse afdeling blijven, want daar ‘klopte het hart’ van deze beweging. Verder besprak men de houding van de doopsgezinde predikant Sepp, een NSB’er. Tegen een kleinbehuisd NSB-gezin had hij gezegd dat ze naar de burgemeester moesten gaan, ‘want het huis van Inja zal wel goed voor jullie passen. De Joden komen toch niet terug’, of woorden van gelijke strekking. Het eigen huis was de Inja’s echter niet afgenomen en al verhuurd. De aantekeningen van de vergadering sluiten met de bijbeltekst die de voorzitter aan het begin van de vergadering had voorgelezen: “Wij roepen des daags en roepen des nachts. Wij komen niet tot stilte. Maar nochtans zijt Gij de heilige (psalm 22, 3).”

Afwijzing Ellen

Cor beschrijft hoe zijn vrouw, die toen nog haar persoonsbewijs met het J-stempel bij zich droeg, in eigen doopsgezinde kring niet altijd werd geaccepteerd.7 Het echtpaar was in de zomer van 1942 op vakantie in het Broederschapshuis Fredeshiem, bij Steenwijk. De leidinggevende predikant vroeg hen de legitimatie te tonen, en verzocht hen daarop het huis direct te verlaten. “Toen werd het me bewust wat het is in uitgezonderde positie te moeten leven en uitgestoten te worden. (…) Ik behoorde op dat moment tot het Volk dat alle eeuwen door verstoten en vervolgd werd. Ik dacht aan vele familieleden die in gevaar verkeerden en het grote leed dat ook over onze mensen in Nederland was gekomen.” In 1944, toen Ellen een vervalst persoonsbewijs had, werd het echtpaar door dezelfde voorganger welkom geheten. Op enig moment zorgde de Zaandamse gemeenteambtenaar Theo van Boven, die wel vaker joode onderduikers ter wille was, ervoor dat ze een blanco persoonsbewijs kreeg, opdat ze haar vasle kon inruilen voor een origineel exemplaar.

Vrij Nederland

Cor Inja kwam in Amsterdam in aanraking met Co van Tongeren. Zij was werkzaam als maatschappelijk werker bij de Nederlands-hervormde kerk en actief bij de illegale Vrij Nederland-groep. Ze wilde het verzetswerk van haar in Sachsenhausen omgekomen vader voortzetten en bedacht daarvoor een systeem, ‘Groep 2000’. Predikant Frits Kuiper (SDAP), jurist Gerardus Slotemaker de Bruïne (Vrij Nederland) en Co van Tongeren vonden dat Inja moest worden vrijgemaakt voor het illegale werk. Zo gebeurde.

Volgens Co van Tongeren8 leerde zij Cor Inja, ‘als gemengd gehuwde in ’42 met zijn vrouw uit Zaandam verbannen’, al spoedig kennen via het kerkelijk werk. Zij werkten samen op het gebied van bonkaarten, persoonsbewijzen en hulp aan familie van gevallen of gevangen verzetsmensen.

Werk Cor

Inja, schuilnaam ‘nummer 901’, werd in de loop van 1942 geheel vrijgemaakt voor het illegale werk. Hij bezocht betrouwbare predikanten van de Nederlands-hervormde kerk en de doopsgezinde Broederschap in Noord- en Zuid-Holland, Gelderland, Groningen en Friesland. Zijn doel was om geld in te zamelen voor het ‘Werk onder Protestantsche Joden’. Daarnaast probeerde hij van hen adressen voor joden en andere onderduikers te krijgen, legde verzetscontacten en verkende objecten.

In de Zaanstreek had Cor Inja, zo vertelt hij in zijn dagboek, veel contact met de heren Georg en Kees Honig en de heren Co, Frans, Jan en Tom Verkade – leden van de doopsgezinde families die in Koog aan de Zaan en Zaandam eigenaar waren van de bekende levensmiddelenbedrijven. Zij zorgden voor het nodige geld dat de Groep 2000 gebruikte om inlegvellen te kopen (die bij stamkaarten hoorden en recht gaven op voedselbonnen).

Werk Ellen

Ellen9 gaf volgens Cors dagboek leiding aan de sociale activiteiten van de Werkgemeenschap van Doopsgezinden en Geestverwanten. De leden werkten in de armste buurten van Amsterdam en ondersteunden onder andere vrouwen wier man in de gevangenis zat. Ook nam men de zorg op zich van ‘niet-arische’ christenen in Amsterdam. De zorg werd in 1943 uitgebreid tot de in hoofdzaak Duitse gemengd gehuwden die in juni-juli vanuit Westerbork naar Amsterdam kwamen. In veel gevallen had de joodse partner daarbij moeten kiezen tussen sterilisatie en deportatie. De uit Zaandam verdreven echtparen Beigel-Leischner*, Gottschalk-Brandt* en Krieg-Schaetzke* behoorden mogelijk tot deze groep.

Pakketten naar de kampen

In juli 1943, aldus Co van Tongeren, werd in de Nieuwe Kerk aan de Dam een bureau opgezet om van familieleden ontvangen levensmiddelenpakketten te sturen naar de protestantse joden in Westerbork die nooit iets kregen. Met behulp van een kerkstempel ging dat goed. De actie breidde zich uit naar andere joden en van Westerbork naar Bergen-Belsen en Theresienstadt. De leiding van het bureau werd aan Cor Inja opgedragen, maar die schrijft dat zijn vrouw Ellen het leeuwendeel van het werk voor haar rekening nam. In augustus 1944 stuurde men zes- à zevenhonderd pakjes per week naar de kampen.

Onderduik

In het voorjaar van 1944 werd voor het echtpaar de situatie in de regio Amsterdam te gevaarlijk. Verschillende contactpersonen werden opgepakt. De eerste was in februari 1944 Geertje Pel-Groot, door Cor ‘Moeder Pel’ genoemd, van de Zaandamse werkgroep, die een joods meisje in huis had, Marion Swaab*. De arrestatie van deze heldhaftige vrouw maakte grote indruk op Inja. Begin 1944 werd een naaste medewerkster uit het Amsterdamse netwerk opgepakt, Tine Duvidier-de Beer. Ze ontmoette Geertje Pel in Ravensbrück. Cor zelf ontkwam hierna ternauwernood aan arrestatie door de Sicherheitsdienst. Ellen en hij doken onder in Baarn, waar hun illegale werk voortging. Cors Zaandamse WDG-voorzitterschap kwam wel tot een einde.

Na de oorlog

Ellen en Cornelis Inja overleefden de oorlog. Van Ellens familieleden kwamen er 39 om in de Holocaust. De Inja’s konden Ellens moeder laten onderduiken. Een broer overleed op zijn onderduikadres. Cor in zijn memoires: “Er werd ons gevraagd of we nooit bang waren geweest. Natuurlijk wel. Als we ’s avonds een motor of een auto hoorden in de straat keken we elkander aan. We dachten aan de januari-avond in Zaandam.”10