Kaplan (Otto)

Laatste wijziging: 26 april 2016

Echtpaar Otto Kaplan (Keulen, 8-12-1902)1

De echtgenote van Otto was Anna Maria Philipsen (Mönchen-Gladbach, 18-7-1908). Anna was niet-joods ofwel ‘ARIERIN’. Deze typografie stamt van de politielijst (7 maart 1942). Als het gezinshoofd joods was, werden de echtgenote en eventuele kinderen in principe ook op de lijst gezet.

Schoenenfabriek

Otto Kaplan werkte vanaf zijn 17de zes jaar lang bij de Keulse schoenenfabriek Hubert Gatzweiler. Na enkele jaren wat andere beroepen te hebben uitgeoefend, begon hij in 1933 een incassobureau. Daarbij werkte hij samen met zijn broer Rudolf*. Die emigreerde in oktober 1936 ‘om politieke redenen’ naar Nederland, zo verklaarde Otto een half jaar later tegenover het in Amsterdam gevestigde Comité voor Joodsche Vluchtelingen. Vanaf dat moment werd de als bedrijfsleider achtergebleven Otto opgejaagd en bedreigd door de Duitse politie, in hun pogingen om te achterhalen waar Rudolf Kaplan was gebleven. “We zullen die jodenhond wel weten te vinden”, kreeg hij onder meer te horen. Angstig geworden door de intimidatie reed het echtpaar Kaplan rond de jaarwisseling van 1936-’37 per auto naar de Nederlandse grens, stak die lopend over in de buurt van Heerlen en liftte vervolgens verder. Vanaf dat moment waren ze stateloze vluchtelingen.

Winkelier

Kort na zijn vlucht belandde Otto met zijn vrouw in Zaandam. Hij had als beroep winkelier. In 1937 heet hij op de gezinskaart koopman, Israëlitisch en vreemdeling (‘verm. Duits’). Otto was eerder gescheiden van Irma Hirschhahn. Hij was niet alleen een broer van Rudolf, maar ook van Walter Kaplan*. Het echtpaar Kaplan verhuisde na enige tijd naar de Zaandamse Hoogendijk 150. Otto Kaplan was toen speelgoedwinkelier. Volgens het gemeentelijk adresboek van 1941 was zijn zaak gevestigd aan de Nicolaasstraat 5aa.

Oorlog

Als ondernemer maakte hij dezelfde onteigeningsprocedures mee als allen die zich in oktober 1940 als ‘joodse onderneming’ via de Kamer van Koophandel bij de Wirtschaftsprüfstelle moesten laten registreren. Voor Duitse joden kwam daarbij dat zij door de toepassing van het Reichsbürgergesetz op 25 november 1941 van hun vermogen werden beroofd en dat hun nationaliteit vervallen werd verklaard.

Lees meer

Radio

Op 24 april 1941 stuurde politiecommissaris N. van Doorn een brief naar de Zaandamse joden. Ze moesten hun radio inleveren. “Het is de höhere SS- und Polizeiführer inmiddels reeds gebleken, dat een groot gedeelte der joodse bevolking (…) probeert de radiotoestellen te vervreemden”, schreef de politieman. De joodse eigenaars moesten daarom een verklaring tekenen dat dit in hun geval niet was gebeurd. De Kaplans negeerden het gebod om hun radio op 28 of 29 april ‘tussen 10 en 12 uur en 14 en 17 uur in te leveren in de raadzaal van het gemeentehuis’, maar brachten hun toestel terug naar de radiohandel in Koog aan de Zaan. Het bracht de betreffende handelaar Heyn op een idee. Hij vroeg het Zaandamse college van B&W om een schadevergoeding ‘van 21 gulden, zijnde het tekort op de afbetaling van een radiotoestel, dat in huurkoop aan een jood was geleverd, en door de Duitse instanties in beslag was genomen, ondanks pogingen zijnerzijds tot het terugbekomen van zijn rechtmatige eigendom’. B&W besloot de claim te honoreren. Het lijkt er op dat zijn truc slechts even succes had. Hij liet de Zaandamse politie in april 1941 weten dat Kaplan het betreffende toestel in ‘huurkoop’ had gekregen, maar nog niet klaar was met afbetalen. Daarom was volgens hem het toestel door de winkel teruggehaald. Deze handelaar werd in 1943 bij de Duitse autoriteiten op het matje geroepen, omdat hij betrapt was op het handelen in radio’s die van Zaanse joden waren overgenomen.

Onderduik

Otto was een van de vier Zaanse joden die voor het gedwongen vertrek onderdoken. De anderen waren ook Duitse vluchtelingen: Anton Fränkel*, Ludwig Kunz* en Harry Pollak*. Hij was de enige gehuwde van de groep. Als gemengd gehuwde had hij achteraf gezien niet hoeven onderduiken. Maar hij was dan mogelijk wel met zijn vrouw naar Westerbork gestuurd, zoals ook de meeste andere kinderloze, gemengd gehuwden uit Zaandam van wie het gezinshoofd joods en vreemdeling was.

Takkenberg

Otto dook in eerste instantie onder in de hoofdstad, aan de Stroomarkt 13. Het Nationaal Steunfonds, in de persoon van Zaandammer Willem Hart, zorgde dat Kaplan en zijn echtgenote maandelijks 175 gulden ontvingen om te voorzien in het levensonderhoud. In Amsterdam sprak Otto Kaplan in het huis van een vriend, de joodse marktkoopman Gerrit Sluijter*, met Johannes Hendrik (‘Jo’) Takkenberg. Ze kenden elkaar als buren; Jo woonde namelijk op de Hoogendijk 152. Volgens de Nederlandse editie van de Encyclopedia of the Righteous among the Nations ‘ontfermde’ Johannes Hendrik Takkenberg zich over het echtpaar Kaplan-Philipsen. Het is onduidelijk wat dit betekent. In de eerdere, Engelse uitgave wordt nog gesproken over het vinden van een ‘shelter’, een schuilplaats.

Vervolg

Otto Kaplan overleefde de oorlog. Gerrit Sluijter*, diens vrouw Marianne* en hun dochter Sofia* kwamen om in het vernietigingskamp. Kaplan kwam terug naar Zaandam. Uit een schade-enquêteformulier van november 1958 blijkt dat hij tot 4 juni 1945 op de Hoogendijk 150 stond ingeschreven. In november 1945 verhuisde hij naar de Czaar Peterstraat 30. Op 10 juni 1949 emigreerde hij met zijn vrouw naar New York. Datzelfde deden Walter Kaplan en Erna Suschny*.