Kromme, de (Benedictus/Bernard)

Laatste wijziging: 27 april 2016

Gezin Benedictus (‘Bernard’) de Kromme (Amsterdam, 16-7-1898 – Sobibor, 2-7-1943)1 en Marianne de Kromme-Muijs (Amsterdam, 4-7-1895 – Sobibor, 2-7-1943) met Max (Amsterdam, 14-1-1928 – Sobibor, 2-7-1943)

Benedictus en Marianne trouwden op 8 juni 1922 in Amsterdam. De naam Benedictus is overigens de Latijnse vorm van het Hebreeuwse Baruch, dat ‘gezegend’ betekent. Midden november 1938 verhuisden ze van de hoofdstad naar Zaandam. Het echtpaar De Kromme begon een manufacturenzaak op de Burchtgalerij (Zuiddijk 32 en 34). Ze woonden achter en onder de zaak. Lies Harpman*, de vorige eigenaar, werkte soms mee in de winkel.

School nr. 2

Chris Kabel schrijft in zijn weekbladanekdotes over Zaandam-Zuid en de Rosmolenwijk het volgende over Max de Kromme: “Het zal 1938 geweest zijn toen wij op school een nieuwe jongen kregen. Het was in de vijfde klas van school nummer twee op de Doniastraat. Tegenwoordig is dat de Herman Gorterschool. (…) Max kwam in de schoolbank naast mij zitten. (…) Ik vroeg hem wat hij van onze school vond. ‘Wel leuk’, zei hij, ‘maar er is zoveel lawaai op het schoolplein.’ Dat kwam door de klompen die veel kinderen in Zaandam nog droegen. In 1940 ging Max net als ik naar de Gemeentelijke Handelsdagschool op de Zeemansstraat. De leiding van die school was in de handen van een fanatiek lid van de fascistische N.S.B. Tevens waren er enige leraren die lid dan wel sympathisanten waren van die beweging. Je moest altijd op je woorden letten. (…) Voor je wist werd je door die lui verraden. Max moet het in die tijd nog veel zwaarder hebben gehad dan wij.”2

Oorlog

In oktober 1940 moest het echtpaar De Kromme de winkel als ‘joodse onderneming’ laten registreren bij de Wirtschaftsprüfstelle. In maart 1941 vond ‘arisering’ plaats: er kwam een niet-joodse bewindvoerder. Max moest, net als de halfjoodse Connie Petersen*, op 1 september 1941 van school af. Hij kwam terecht op de joodse ULO-school in Amsterdam. Benedictus ondertekende op 28 april 1941 de vooraf ingevulde verklaring die bij de inlevering hoorde van zijn radiotoestel, een Philips. Hij was een van 27 Zaandamse joden die hun toestel kwijtraakten. De rest van de bevolking kreeg in mei 1943 met deze maatregel te maken.

Amsterdam

Het laatste teken dat de familie De Kromme in Zaandam had gewoond was een melding bij de politie op 21 januari 1942. Er was licht blijven branden in het pand Zuiddijk 34. Er moest een agent langsgaan om de verlichting te doven. Na het gedwongen vertrek woonde het gezin De Kromme in Amsterdam op de Jekerstraat 77 II. Het was het huis van de familie Sloog-Nink, ouders met een volwassen zoon. Bernard Sloog was vertegenwoordiger. Max zou volgens www.joodsmonument.nl in februari 1941 bij het gezin Sloog-Nink aan de Jekerstraat 77 II in Amsterdam hebben gewoond. Februari 1942 is logischer.

Lees meer

Kindertransport Vught

Het gezin De Kromme kwam vermoedelijk in Vught terecht. De website www.joodsmonument.nl meldt dat Max deel uitmaakte van het beruchte kindertransport dat op 6 en 7 juni 1943 vanuit Vught in Westerbork aankwam en, gedeeltelijk aangevuld, op 8 juni naar Sobibor vertrok. Als dat klopt, is het hele gezin De Kromme in Vught geweest. Kinderen tussen 4 en 16 jaar gingen met een of eventueel beide ouders in de tweede trein mee, die maandagnacht aankwam in Westerbork.

Sobibor

Uit het dagboek van Philip Mechanicus blijkt dat de inzittenden werden ‘overgeheveld’ naar de veewagen voor Sobibor. Dat zou gezien de overlijdensdatum in dit geval niet gebeurd zijn. Het gezin zat in het eerste transport dat na een onderbreking van drie weken weer uit Westerbork vertrok, op dinsdag 29 juni. “Vandaag weer een transport van tweeëntwintighonderd personen naar het Oosten vertrokken. (…) Met dit transport zijn driehonderd zieken meegegaan en honderdvijftig s[straf]-gevallen, ondergedokenen die gisternacht waren aangekomen en (…) zonder enige uitrusting zijn doorgezonden.”3 Het Oosten bleek dus Sobibor te zijn. Benedictus (44), Marianne (47) en Max (15) de Kromme werden, net als bijna alle andere gedeporteerden naar dit liquidatiecentrum, vrijwel onmiddellijk na aankomst met gifgas gedood. De datum van hun overlijden is 2 juli 1943.

Gastgezin

Louis Sloog stierf op 20 september 1942 in Auschwitz, Bernard Sloog in Westerbork op 30 maart 19434, Clara Sloog-Nink in Sobibor op 7 mei 1943.