Leeda (Samuel)

Laatste wijziging: 27 april 2016

Samuel Leeda (Amsterdam, 20-11-1913 – Duitsland, 15-11-1943)1

De beruchte Zaanse hulpagent Jan Bloemsma bracht op 13 augustus 1943 boekbinder en straatmuzikant Samuel Leedaop, die hij zonder de verplichte gele ster aantrof bij het Kalf. Samuel woonde in Amsterdam, Haarlemmer Houttuinen 78 vier hoog. Hij was gemengd gehuwd en het echtpaar had twee kinderen.

Straatmuzikant

Zijn echtgenote vertelde in 1947 tijdens een getuigenverhoor meer over de arrestatie. “Toen de oorlog in 1940 uitbrak met Duitsland, maakten mijn man en ik zich tamelijk ongerust, omdat mijn man Jood was. Tot de aanmelding bij de Joodse Raad verliep alles normaal. Mijn man droeg nog geen Jodenster, maar nadat hij zich bij genoemde Raad had laten inschrijven, ontving hij de beruchte Jodenster, die hij, zoals was voorgeschreven, zichtbaar moest dragen. Mijn man heeft dit echter nimmer gedaan. Wel heb ik soms de ster op zijn jas genaaid, maar hij haalde deze er steeds weer af. Wel had hij de gewoonte om de ster in zijn jaszak te stoppen. Mijn man heeft vanwege ons gemengd huwelijk nimmer te maken gehad met de beruchte Jodenpolitie of met Westerbork. Hij kon zich altijd vrij op straat begeven. Dit kwam ons gezin ten goede, daar mijn man van beroep straatmuzikant was, en er iedere dag met zijn banjo op uittrok. Hij kwam dan in verschillende plaatsen en ook in de Zaanstreek.”

Zaandamse politie

“Zo ging hij op 13 Augustus 1943, zoals hij zei, naar de Zaan om daar te spelen. Hij vertrok ’s morgens om 7 uur en tot op heden heb ik niets meer van hem vernomen. Ik heb steeds de gedachte gehad, dat hij door de Groene Politie gearresteerd is en daarna is overgeleverd aan de S.D. (Wij, verbalisanten, melden aan getuige het bericht uit de dagrapporten van de politie te Zaandam, waarin voorts staat, dat Leeda op last van [de Zaandamse politieman Tonny] Jansen is ingesloten.) Ik wist wel, dat hij gevangen zat aan de Amstelveenseweg, want ik heb daar tweemaal wasgoed gebracht, maar hem nimmer gezien. Dat mijn man door de Hollandse politie is gearresteerd, verwondert me toch wel. Hij had zich, zoals ik reeds verklaarde, aangemeld bij de Joodse Raad en mocht dus gewoon op straat indien hij de Davidsster droeg. Daar hij dit laatste pertinent weigerde, was hij alleen hiervoor in overtreding. Mogelijk had men hem niet aan de Duitsers behoeven overleveren, maar men dacht niet aan één mensenleven. Ik leef nog steeds in de veronderstelling, dat mijn man leeft, want ik heb nimmer een officieel overlijdensbericht gehad.”

Euterpestraat

Samuel Leeda werd dag na zijn aanhouding vervoerd naar de SD in de Euterpestraat en was op 15 november dood. De andere leden van het gezin overleefden de oorlog. De weduwe Leeda in 1947: “Ik ontvang thans steun als oorlogsslachtoffer voor mijn twee kinderen, n.l. f 24,- per week.” Ook Meijer Kokernoot*, die door hulpagent Bloemsma op 16 mei 1943 op de treinhalte Koog-Bloemwijk was gearresteerd wegens het niet dragen van de ster, ging de dood in. Het is aannemelijk dat de functionaris voor zijn werk ‘kopgeld’ ontving.

Voetnoten

1 Mededelingen van Erik Schaap uit Zaandam (februari 2007); www.joodsmonument.nl; Nationaal Archief, CABR-dossiers T. Jansen en J. Bloemsma