Levy/Levij (Albert)

Laatste wijziging: 27 april 2016

Gezin Albert Levy/Levij (Langerwehe, 5-11-1905 – Dachau, 24-1-1945)1 en Jenny Levy/Levij-Weiss (Flamersheim, 22-4-1902 – Auschwitz, 8-10-1944), Sara Weiss-Metzger (Lantershoven, 29-3-1860) en Friederika Weiss (Flamersheim, 6-5-1892)

Verschillende Duitse vluchtelingen in Zaandam kwamen uit het Zuidelijke grensgebied: van het Rijn- en Roergebied tot aan Westfalen. De families Levy en Weiss kwam uit het gebied tussen Aken en Bonn. In februari 1936 kwam Albert Levy naar Nederland. Eind 1936 werden Samuel Levy* en zijn zoons Josef*, Albert en Otto* in Zaandam ingeschreven. Albert en zijn broer Josef woonden volgens een politieschrijven van 30 november 1936 op de Anna Paulownastraat 27a. Daar kwam in maart 1938 ook Fritz Werner* wonen. De Levys waren marktkooplui geweest en in Zaandam zetten ze dat werk voort. Rond het begin van de bezetting vernederlandsten zij hun naam in Levij.

Huwelijk

Albert vond eind 1938 een woning op de Burcht 2. Hij trouwde op 28 december 1938 met Jenny Weiss, die toen in Amsterdam woonde. Vier dagen later richtten Josef en Albert het bedrijf A. Levy op. Ze fabriceerden er damesceintuurs en waren grossiers in accessoires en fournituren. Ze openden ook een fourniturenwinkel op de Burcht, Het Modehuis. Jenny’s zuster Friederika en hun moeder Sara Weiss-Metzger kwamen in september 1939 naar Zaandam. Ze behoorden bij de laatste vluchtelingen die naar Zaandam kwamen. Alle familieleden werkten mee in de zaak. Jenny deed de boekhouding.

Andere familie

In oktober 1938 had Albert Levy ook pogingen gedaan om andere familieleden vanuit Duitsland naar Nederland te doen overkomen. “Door de laatste ontwikkelingen in Duitsland bevinden mijn twee zusters en hun echtgenoten zich in levensgevaar”, schreef hij op 15 oktober 1938 -kort voor de Kristallnacht- aan het in Amsterdam gevestigde Comité voor Joodsche Vluchtelingen. “Ik verzoek u daarom even vriendelijk als dringend mij behulpzaam te zijn hen van daar naar hier te laten overkomen. Ik woon sinds drie jaar met mijn vader en broer in Zaandam en ben vanzelfsprekend bereid eventuele kosten en hun levensonderhoud te betalen.” Over één zwager schreef hij dat die zich ‘in zeer zieke omstandigheden in het concentratiekamp Dachau’ bevond. Het was Alberts bedoeling om zijn familieleden te laten doorreizen naar Argentinië, waar zich al een andere broer bevond. Het lijkt er op dat zijn pogingen mislukten; de Nederlandse regering voerde een zeer restrictief toelatingsbeleid.

Lees meer

Joodse gemeente

Albert Levy werd in het tweede nummer van Joodsch Zaandam (december 1939) genoemd als een van de Bruidegoms der Wet. De tweede Bruidegom was Adolph Herzfeld*, die naast Samuel Levy woonde2. Omdat de Bruidegom voor de gemeenteleden een klein feest diende te organiseren, moest hij niet onbemiddeld zijn. In hetzelfde nummer is te lezen dat Sara Weiss-Metzger lid was geworden van de joodse gemeente.

Oorlog

De familie maakte in oktober 1940 de registratie van hun ‘joodse onderneming’ mee en vervolgens de ‘arisering’ van het bedrijf in maart 1941 en de roof van geld en tegoeden door de Liro-bank in augustus. Eind november 1941 werden alle joodse Rijksduitsers in Nederland stateloos en bezitloos verklaard. Op 26-1-1942 werd Carl Otto Ullrich (Berlijn, 7-8-1894) benoemd tot bewindvoerder van Levy’s bedrijf. Op 26 mei van dat jaar werd de zaak opgeheven. Ulrich wist niet veel uit de zaak te halen, blijkt uit een naoorlogse verklaring van oud-Zaandammer en verzetsman Herman Waage: “Ik was bevriend met de heer A. Levy, die een fijn-leerzaak dreef te Zaandam. Ik had afgesproken met Levy, de zaak voort te zetten. Hiervoor waren verschillende huiswerkers, o.a. de heer Koene, Zuiddijk Zaandam, de heer Zwart, Wetstraat Zaandam, deze laatste hield de boeken bij. Vervolgens Hameka, Prinsenpad Zaandam, een sigarenwinkelier, hoek Pantepad Zaandam. Bij deze adressen was een ponsmachine geplaatst. Inmiddels kwam er een Verwalter, een zekere Ullrich uit Den Haag (dood). Ik liet toen de hele zaak onderduiken in Amsterdam. Ik woonde toen Bronckhorststraat 36, Amsterdam. Alles was opgeslagen bij mijn vriend en collega C. de Hartog, een stallingbaas aan de Bronckhorststraat. (…) De SD die poogde ons te arresteeren. Er volgde een schietpartij en wij zijn vluchtende weg weten te komen. Bij De Hartog is alles, zowel van Levy als van hemzelf, weggehaald.” De enige resterende goederen van de familie Levy lagen elders opgeslagen.

Sara Weiss

Sara Weiss (81) ging net als zes andere oudere buitenlandse joden al op zondag 18 januari 1942 naar Amsterdam. In haar geval en dat van de schoonvader van haar dochter Jenny verhuisde ze naar de Joodsche Invalide. Haar ziekte was niet gesimuleerd, zoals een aantal andere Zaanse joden wel deed. Enkele dagen na de gedwongen verhuizing overleed zij. Dat was op 25 januari 1942. Sara Weiss-Metzger was feitelijk het eerste dodelijke slachtoffer van de jodenvervolging in de Zaanstreek.

Westerbork

Haar dochters en haar schoonzoon moesten wel naar Westerbork. Albert, Jenny en Friederika ondervonden meer bescherming dan Josef* van hun Duitse afkomst en hun vroege aankomst in Westerbork. Die moest al met een van de eerste transporten naar Auschwitz. De anderen kwamen begin 1944 met Alberts vader Samuel* en tal van andere alte Kamp-Insassen naar Theresienstadt. Van daar kwamen Albert en Jenny -eerst gingen de mannen, daarna als ‘vrijwilligers’ de vrouwen- eind september, begin oktober in Auschwitz terecht.

Deportatie

Jenny Levij-Weiss (42) werd op 8 oktober 1944 voor de gaskamer geselecteerd en omgebracht. Albert was voor ‘werk’ bestemd. Net als de meeste zo geselecteerde Zaanse gevangenen bleef hij echter niet in Auschwitz. Het kamp werd al vanaf augustus ontruimd. In de laatste fase, tussen 17 en 19 januari 1945, werden nog zestig- tot negentigduizend mensen het ondergaande Duitse rijk in gestuurd. Albert Levij kwam in Dachau terecht. Daar kwam hij op 24 januari 1945 om het leven. Hij was 39 jaar.

Theresienstadt

Friederika Weiss werd niet naar Auschwitz doorgestuurd. Zowel zij als de schoonvader van haar zuster, Samuel Levij, overleefde Theresienstadt.