Milgram (Abram)

Laatste wijziging: 27 april 2016

Gezin Abram (‘Abraham’) Milgram (28-2-1892) en Ester (‘Estera’) Milgram-Zajf (28-4-1895) met Fejga Milgram (24-10-1918)1

Abram Milgram kwam op 15 december 1925 vanuit Kalisz (150 kilometer ten westen van het Poolse Warschau) naar het bij Arnhem gelegen Didam. Hij vond werk in de plaatselijke borduurselfabriek. Een jaar later liet hij zijn vrouw Ester overkomen, een half jaar later gevolgd door zijn zoon Szmul (‘Samuel’) Icek (Kalisz, 28-10-1912) en zijn dochters Anetzja (‘Anna’) (Kalisz, 31-1-1915) en Fejga (‘Fella’) (Kalisz, 24-10-1918).  Het lijkt er op dat Abram Milgram toen al was begonnen met een eigen borduurselbedrijfje, in de volksmond de ‘kanthut’ genoemd. In 1932 kreeg het gezin de Nederlandse nationaliteit.

Failliet

In 1936 liet Abram Milgram op een stuk grond aan de Beekseweg (nu Wilhelminastraat) een riante woning bouwen. Het was de familie enkele jaren voor de wind gegaan. Tientallen Poolse en Didamse werknemers vonden emplooi bij het bedrijf. Nog in 1933 kreeg Milgram een bouwvergunning voor een forse uitbreiding. Maar kort daarna trof de internationale crisis hem. Zijn bedrijf ging in 1937 failliet en moest worden verkocht. Milgram slaagde er echter in om bij zijn nieuwe woning van zijn garage een atelier met winkelruimte te maken. Zijn vrouw, zoon en dochter Fejga stonden hem terzijde. Anna was vermoedelijk al het huis uit.

Inval

Twee weken voor de Duitse inval werd de grond te heet onder de voeten van de familie Milgram. Vader, moeder en in ieder geval zoon Samuel verhuisden naar het veiliger geachte Amsterdam, Kinkerstraat 298 I. Op nummer 300 begonnen ze een winkel in ondergoed. Heel makkelijk zal het niet zijn gegaan, want Dora Nova, een vriendin van Fella, bracht soms voedselpakketten. Fejga ging voor een tijd naar Arnhem, waar ze het ‘filiaal van Didam’ (een kleine winkel aan de Hommelseweg) beheerde. Om aan de nazi’s te ontkomen doken de Milgrams in 1942 aanvankelijk onder in Amsterdam, waar ze op verschillende adressen bivakkeerden. Fejga ging toen al naar Wormerveer. Alleen zoon Samuel ging eind 1942 terug naar Didam, om daar de zaak te beheren. Hij werd opgepakt en kwam in Westerbork -waar Dora hem nog pakketten bezorgde- en vervolgens Auschwitz terecht. Daar stierf hij op 8 september 1943.

NSB

Na het vertrek van de Milgrams naar de hoofdstad en Arnhem stond hun woning in Didam leeg. De voormalige cheffin van de kantfabriek hield een oogje in het zeil. Ze moest echter na enige tijd de sleutels van het huis inleveren bij de Ortskommandant. Kort daarna betrokken de NSB-politieman Gerrit Stap en zijn vrouw de woning. Toen Stap zich eind 1944 realiseerde dat de Duitsers aan de verliezende hand waren, verkocht hij zijn gestolen onderkomen aan de overburen, de familie Morren. Na de oorlog moest de familie Milgram een jarenlange juridische strijd voeren om hun bezit weer in handen te krijgen. De woning was inmiddels in beslag genomen door de gemeente Didam. Tinus Nova, gemeenteontvanger en voormalig raadslid, zorgde er uiteindelijk voor dat het huis voorlopig werd toegewezen aan de weduwe Martha Nova-Willemsen.

Lees meer

Jen Buma

In het boekje Na vijftig jaar schrijft de Wormerveerse verzetsman Jaap Boot dat hij in 1943 de joodse familie Milgram onderbracht bij zijn vrienden Jen Buma en diens vrouw Adriana (‘Ada’) Buma-Andrea. Zij woonden op de Assendelftse Vaartdijk. “Een wonderlijke bijkomstigheid was dat de toenmalige gereformeerde predikant (in 1944 behorend bij de Vrijgemaakten, ‘art. 31’) van alles in het werk heeft gesteld om te verhinderen dat deze joodse familie bij Jen en Ada zou onderduiken”, aldus Boot.2

Hondema

In een brief de dato 11 augustus 1945 schrijft de Krommenieër verzetsman Sjoerd Hondema, zelf betrokken bij de onderduik van een groot aantal joden, over de familie Milgram. De brief is gericht aan Zaandammer Remmert Aten, een van de Zaandamse leiders van het Nationaal Steunfonds. Volgens Hondema heeft hij de familie Milgram (‘3 pers. p/a J. Buma N. Vaartdijk 55’) 200 gulden uitbetaald, geld dat van het Nationaal Steunfonds kwam. Op een bewaard gebleven NSF-overzicht is te lezen dat voor de ouders Milgram maandelijks elk 70 gulden werd uitbetaald voor de eerste levensbehoeften, terwijl Fejga recht had op 60 gulden. De Milgrams zouden na de oorlog zijn vertrokken naar Amsterdam.

Ondersteuning

Hondema schrijft verder: “In de maand Sept. van het vorige jaar zijn deze mensen het contactpunt van wien zij de ondersteuning ontvingen, kwijt geraakt. Drie maanden daarna kwam ik met hen in contact, en van die tijd af heb ik hen altijd verzorgd, doch de drie maanden dien zij achter waren heb ik niet uitbetaald, daar zij van mening waren, dat hun verzorger nog wel eens zou komen opdagen.” Over Jen Buma noteert Hondema: “Tot nu toe is dit geld nooit verrekend geworden en de man die hen in zijn huis had opgenomen heeft mij gevraagd of dat nog in orde zou kunnen komen. Daar ik deze persoon ken als iemand die zich bizonder verdienstelijk gemaakt heeft tijdens de bezetting, doch financieel er niet goed voor staat, lijkt het mij wel noodzakelijk, dat aan deze zaak voldoende aandacht wordt besteed, en dat deze gastheer, die zijn leven in de waagschaal stelde, het achterstallige kostgeld, groot 3 maal f 200,- alsnog zal ontvangen.”

Klaas Spaander

Op de website www.familytree.spaander.com schrijft Ada’s neef Klaas Spaander overigens dat Fella Milgram al in 1942 onderdook bij Ada en Jen Buma. “In december 1944 besloten ze om ook de ouders van het joodse meisje uit Amsterdam te halen.” Per gemotoriseerde driewieler werd in het donker de tocht gemaakt van Amsterdam naar Krommenie, de onderduikers verborgen onder een dekkleed. Omdat de motor van het voertuig steeds haperde, moest de laatste kilometer te voet worden afgelegd. Klaas zelf vond in augustus 1944 eveneens een schuilplaats bij de Buma’s. Hij was illegaal werkzaam, als drukker van het blad ‘De Luistervink’.

Verkoop

De Milgrams voelden er na de oorlog weinig voor om zich weer in Didam te vestigen. Ze verhuurden hun huis daar aan Martha Nova-Willemsen en bouwden in Amsterdam een nieuw bestaan op. Toen Martha Nova in 1954 verhuisde verkochten de erfgenamen van de Milgrams het huis aan de firma Morren. Fejga en haar eveneens overlevende zus Anna trouwden. Anna met de neuroloog David Moffie, de laatste joodse student die tijdens de oorlog promoveerde. Dat gebeurde op 18 september 1942 aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam, bij C.U. Ariens Kapper. In augustus 1943 werd hij opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd, dat hij -in tegenstelling tot zijn eerste vrouw- overleefde. Anna en David kregen drie kinderen, Joseph Samuel (‘Joe’), Mirjam en Bernard Gideon. Fejga begon met haar man een lingeriezaak. Hun ouders overleden in 1971 (Ester) en 1984 (Abraham). Fejga en Anna overleden in Amsterdam; Anna op 21-7-1977. David Moffie overleed op 16-11-2001.

Voetnoten

1 Boot, J. Na vijftig jaar. Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in de Zaanstreek (Westzaan, 1995); Oudheidkundige vereniging Didam Bezetting en bevrijding van Didam 1940-1945; www.liemersverleden.nl; www.familytree.spaander.com; www.joodsmonument.nl; http://levie-kanes.com; www.jodeninnederland.nl; http://folia.nl; www.olijfmetperen.nl; Informatie van Bernard G. Moffie uit Rotterdam (16-8-2010), N. Nova (17-12-2013) en F. Moffie (4-12-2014)

2 Na vijftig jaar (p. 43); NIOD-archief 185b, inventarisnummer 9d; NIOD-archief 251a, inventarisnummer 24c