Muller (Salo)

Laatste wijziging: 27 april 2016

Salo Muller (Amsterdam, 29-2-1936)1

De later als fysiotherapeut van Ajax bekend geworden Salo Muller verbleef tijdens de oorlog korte tijd in Westzaan en Zaandijk. Zijn moeder was Lena Blitz (Amsterdam, 20-10-1908), zijn vader Louis Muller (Amsterdam, 20-7-1903).

Amsterdam

Het gezin woonde op de hoofdstedelijke Molenbeekstraat 34. Beide ouders werkten bij het joodse textielbedrijf De Vries van Buuren & Co. Midden jaren ’30 was dat bedrijf gevestigd aan de Jodenbreestraat en had het 350 mensen in dienst.2 Salo’s moeder werkte op de verkoopafdeling, zijn vader was inkoper van sokken en kousen. Opa Barend Levie Muller (Amsterdam, 1878), diamantbewerker, zong bas in het beroemde elfkoppige Koor van de Groote Synagoge onder leiding van S.F. Englander.3 Op 21 januari 1940 traden enkele leden daarvan, getuige een artikel in De Zaanlander van de dag erna, op aan de boorden van de Zaan.4

Razzia

Lena Muller bracht Salo op een mooie ochtend in 1942 naar de kleuterschool op het Victorieplein en zei hem: “Tot vanavond, en lief zijn hoor”, waarna ze de tram naar haar werk nam. Daar werd die dag een razzia gehouden. Alle joodse medewerkers van De Vries van Buuren werden afgevoerd naar de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan 24. Dat was vanaf oktober 1942 de centrale Amsterdamse deportatieplaats. Salo’s vader was niet op de zaak, maar onderweg. Hij hoorde het nieuws en ging ook naar de Schouwburg. Eerst belde hij nog buurman Colthof om Salo van school te halen en bij oom Louis, tante Ju en hun dochter Etty in de naburige Dintelstraat te brengen. Daar vond eveneens een politie-inval plaats. Tante Ju -de zus van Salo’s moeder- wist verwarring te zaaien door iets te roepen over besmettelijke roodvonk, maar de kleine Salo begreep er niets van en kwam van achter een deur te voorschijn. Hij werd als enige meegenomen en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Daar zag hij zijn ouders op het podium staan. Ze probeerden het ventje vanuit de verte gerust te stellen. Salo (6) moest naar de crèche aan de overkant van de Plantage Middenlaan (op nummer 31), waar hij vier dagen lang huilde. Kinderen tot 13 jaar moesten de deportatie daar gescheiden van hun ouders afwachten. Normaal genomen werden kinderen en ouders weer herenigd in de trein naar Westerbork.

Lees meer

Crèche

Zo ging het niet bij Salo. Hij werd opgehaald door oom Louis. Muller gaat er in zijn boek niet op in hoe dat precies gebeurd is. In de crèche bestond een netwerk van directie, verzorgsters en ondergrondse dat joodse kinderen op allerlei manieren uit het gebouw liet verdwijnen.5 Er waren zeker vier illegale groepen van kinderwerkers actief, waaronder de LO/LKP (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers/Landelijke Knokploegen). Voor de laatste werkte de Zaandammer Piet Bosboom*.6 Het netwerk heeft tot de opheffing in september 1943 kinderen uit de crèche gehaald en ergens ondergebracht. Dat laatste kon pas na toestemming van de ouders – als deze er nog waren.

Onderduik

Zo kon oom Louis de pleegvader worden van Salo. Maar in de Dintelstraat was het niet veilig.7 Al gauw werd Salo naar een ander adres gebracht: ome Co in de Curaçaostraat. Co was alleenstaand en het kind viel te veel op. Salo werdondergebracht bij een gezin met twee kinderen. Ouders noch kinderen bleken het jongetje te accepteren en na een ‘overtreding’ tegen de hygiëne moest Salo weg. Hij kwam nu in Amersfoort bij een familie met één zoon. Die had een gitaar, waar Salo zonder toestemming op tokkelde. Dat leidde meer dan eens tot een pak slaag.

Westzaan

En toen kwam er een man met een ‘oude koude fiets’. Hij bracht het joch achter op de bagagedrager naar het station. Voor de eerste keer zat Salo in de trein. Die stopte in Koog aan de Zaan. Ze kwamen bij een prachtig wit huis met een groen hek eromheen.8 “Is dat het jongetje?”, vroeg een vrouw. Niemand gebruikte meer zijn naam: “Dat is te joods, gevaarlijk dus.” Salo werd opgenomen door ‘oom Bert’ Valk (Westzaan, 25-2-1902), de directeur van een speelgoedfabriek. Hij woonde met zijn vrouw Aagje Valk-Roorda (22-8-1904) en drie jonge kinderen aan de J.J. Allanstraat 105 in Westzaan. Eindelijk had het kind een goed thuis, waar het tot zichzelf kwam. De mensen sloegen hem niet en behandelden hem met liefde.

Zaandijk

Maar ook hier werd hij door een illegale werker opgehaald. Die bracht Salo naar de Jacob Honigstraat 22 in Zaandijk, naar het huis van Jacob (‘Jaap’) van Eijkern (Amsterdam, 23-11-1907) en Guurtje Valk-van Eijkern (Westzaan, 15-2-1908).9 In de kelder wachtten tante Ju en Etty (‘Tetje’), die nu mevrouw en Paulientje Schut heetten. Salo werd dus herenigd met een deel van zijn familie. Oom Jaap was directeur van een christelijke school en het gezin was zeer gelovig. Salo leerde bidden voor het eten en voor het slapen gaan. Op de gezinskaart komt nog een dochter voor, Corry Elisabeth (Zaandijk, 16-1-1939). Zij zou in 1943 vier jaar zijn geweest, maar in zijn boek zwijgt Muller over haar. De buren hadden een mentaal gehandicapte zoon, die veel praatte. Op een dag zei die buurjongen: “Ik ga lekker tegen iedereen zeggen dat oom Jaap mensen in zijn huis heeft.” Oom Jaap werd zo boos dat hij de jongen, tot verbijstering van Salo, in elkaar sloeg. Nog dezelfde avond gingen de onderduikers weg. Tante Ju en Tetje naar Nederhorst den Berg, waar oom Louis was ondergedoken.

Terug naar Westzaan

Hans Valk kan zich nog herinneren dat de één jaar oudere Salo naar zijn ouderlijk huis in Westzaan kwam, in de J.J. Allanstraat 184. Pieter Cornelis Valk (Westzaan, 19-9-1909) en zijn vrouw Theodora Valk-van Eijkern (Amsterdam, 7-4-1910) namen ‘Jopie’, zoals hij daar werd genoemd, tijdelijk op. Hans Valk: “Op een avond (wanneer weet ik niet meer) bracht Ome Jaap Jopie bij ons. Ik weet het nog, ik lag in een tweepersoonsbed op stromatrassen, dus moest Jopie bij mij in bed.” In het gereformeerde gezin werd uiteraard gebeden. Hans Valk: “Voordat we gingen slapen, moesten we voor het bed knielen en een kindergebed opzeggen, dus Jopie ook. Hij kende die gewoonte niet, maar volgens joods gebruik deed hij zijn hand op z’n hoofd omdat hij geen keppeltje had.”

Snijbonen

Ook Hans’ broer Theo heeft herinneringen aan Salo Muller, die volgens hem in de zomervakantie bij het gezn kwam. “Het heette dat hij net als veel meer kinderen uit de grote steden in de grote vakantie bij mensen op een dorp kwam logeren om wat aan te sterken. Hij heeft het vast niet makkelijk bij ons gehad, want wij behandelden hem als gelijke, geen gezeur. Later merk je hoe hard kinderen voor elkaar kunnen zijn. Maar als kind had je ook geen idee wat joch toen allemaal al had meegemaakt.” Op een zondag, onder kerktijd, reed er een auto met Duitse militairen door het dorp. Salo werd ijlings onder de bloeiende snijbonen in de moestuin verstopt. Het liep goed af.

In de zomervakantie (van 1943?) zat Jopie (Salomon) Muller als 7 jarig

jochie bij ons ondergedoken. Nou ja, ondergedoken. Hij speelde met de

andere kinderen ook gewoon op straat. Het heette dat hij net als veel

meer kinderen uit de grote steden in de grote vakantie bij mensen op een

dorp kwamen logeren om wat aan te sterken. Hij heeft het vast niet

makkelijk bij ons gehad. Want wij behandelde hem als gelijken, geen

gezeur. Later merk je hoe hard kinderen voor elkaar kunnen zijn. Maar als

kind had je ook geen idee wat dat joch toen allemaal al had meegemaakt.

Op een zondag onder kerktijd had Opa de oppas en raasde er een auto

met Duitse militairen door het dorp, iets wat maar zelden voor kwam.

Opa verschool Jopie onder de bloeiende snijbonen in de moestuin.

Maar na de schoolvakantie bleef Jopie. Tot dat buren zeiden: “Denk er om

Valk, dit valt te veel op. Straks ziet een verkeerde het en ben je goed de

klos”.

Joop heeft daarna nog een poosje bij tante Cor in de Kerkbuurt gezeten.

Daar had hij de ruimte om te spelen zonder dat het op straat gezien werd.

Soms zochten wij hem op Woensdagmiddag op. Hij voelde zich wel heel

erg eenzaam, want overdag had hij niemand om mee te spelen

In de zomervakantie (van 1943?) zat Jopie (Salomon) Muller als 7 jarig

jochie bij ons ondergedoken. Nou ja, ondergedoken. Hij speelde met de

andere kinderen ook gewoon op straat. Het heette dat hij net als veel

meer kinderen uit de grote steden in de grote vakantie bij mensen op een

dorp kwamen logeren om wat aan te sterken. Hij heeft het vast niet

makkelijk bij ons gehad. Want wij behandelde hem als gelijken, geen

gezeur. Later merk je hoe hard kinderen voor elkaar kunnen zijn. Maar als

kind had je ook geen idee wat dat joch toen allemaal al had meegemaakt.

Op een zondag onder kerktijd had Opa de oppas en raasde er een auto

met Duitse militairen door het dorp, iets wat maar zelden voor kwam.

Opa verschool Jopie onder de bloeiende snijbonen in de moestuin.

Maar na de schoolvakantie bleef Jopie. Tot dat buren zeiden: “Denk er om

Valk, dit valt te veel op. Straks ziet een verkeerde het en ben je goed de

klos”.

Joop heeft daarna nog een poosje bij tante Cor in de Kerkbuurt gezeten.

Daar had hij de ruimte om te spelen zonder dat het op straat gezien werd.

Soms zochten wij hem op Woensdagmiddag op. Hij voelde zich wel heel

erg eenzaam, want overdag had hij niemand om mee te spelen

andere kinderen ook gewoon op straat. Het heette dat hij net als veel

meer kinderen uit de grote steden in de grote vakantie bij mensen op een

dorp kwamen logeren om wat aan te sterken. Hij heeft het vast niet

makkelijk bij ons gehad. Want wij behandelde hem als gelijken, geen

gezeur. Later merk je hoe hard kinderen voor elkaar kunnen zijn. Maar als

kind had je ook geen idee wat dat joch toen allemaal al had meegemaakt.

Op een zondag onder kerktijd had Opa de oppas en raasde er een auto

met Duitse militairen door het dorp, iets wat maar zelden voor kwam.

Opa verschool Jopie onder de bloeiende snijbonen in de moestuin.

Maar na de schoolvakantie bleef Jopie. Tot dat buren zeiden: “Denk er om

Valk, dit valt te veel op. Straks ziet een verkeerde het en ben je goed de

klos”.

Joop heeft daarna nog een poosje bij tante Cor in de Kerkbuurt gezeten.

Daar had hij de ruimte om te spelen zonder dat het op straat gezien werd.

Soms zochten wij hem op Woensdagmiddag op. Hij voelde zich wel heel

erg eenzaam, want overdag had hij niemand om mee te spelen.

NSB’er

De spanning in het gezin Valk kon hoog oplopen door de komst van Salo en andere joodse onderduikers. Hans Valk: “Mijn moeder heeft vaak gehuild als vader weer met iemand aankwam, want tegenover ons woonde een NSB’er, Winkelman. Die was door [verzetsman] Arie Versteeg te kennen gegeven dat als er bij Piet Valk wat gebeuren zou, de hele familie Winkelman zou worden uitgemoord. Gelukkig is er bij ons niets gebeurd.” Salo kon zelfs met de andere kinderen van het gezin Valk buiten spelen.

Kerkbuurt

Na de zomervakantie bleef Salo bij de familie Valk, wat het verhaal over het kind dat tijdens de vakantie kon aansterken ongeloofwaardig maakte. Theo Valk: “De buren zeiden: ‘Denk er om Valk, dit valt te veel op. Straks ziet een verkeerde het en ben je goed de klos.’ Joop heeft daarna nog een poosje bij tante Cor [Valk] in de Kerkbuurt [nummer 15, in Westzaan] gezeten. Daar had hij de ruimte om te spelen zonder dat het op straat gezien werd. Soms zochten wij hem op woensdagmiddag op. Hij voelde zich wel heel erg eenzaam, want overdag had hij niemand om mee te spelen.”

Friesland

Hans Valk: “Op een late avond is Jopie opgehaald door oom Jaap. Hij kreeg mijn kleine speelgoedpaard-en-wagen mee, die hij nu nog heeft. Dat was een heftig emotioneel gedoe. Mijn moeder en oma, die ook bij ons in huis woonde, huilden.” Salo werd door ‘de beroemde Piet Bosboom*’ naar Friesland gebracht. Muller beschrijft hem als een illegale maatschappelijk werker die heel veel joodse kinderen heeft ondergebracht. Bosboom bracht het jongetje naar Ureterp, bij Drachtse Compagnie. Salo kreeg de Friese naam Japje en werd voorgesteld als een neefje uit Limburg. Het gezin werd verraden, maar Salo kon bijtijds uitwijken naar familie, de boerderij van ‘Omke’ Wiegersma, waar meer onderduikers waren. Bij gevaar was zijn onderduikplek een koude kelder vol ongedierte. Bij een grote inval werd de boer meegenomen. Japje was bijtijds het land opgestuurd en werd later door de boerin opgehaald. Hij ging nu naar ‘Beppe’, de grootmoeder van de boer. Zijn onderduikplek was hier het kippenhok. Salo werd ziek, kreeg astma en eczeem. In de buurt waren veel onderduikers op de ‘terroristenhoeve’ van Foppe de Haan. Op een gegeven moment werd heel het dorp bezet en dertien jonge mannen op rij doodgeschoten. Maar Salo kon tot het eind van de oorlog in het dorp blijven.

Verwanten

Na de bevrijding ging hij bij oom Louis, tante Ju en Etty in Amsterdam wonen. Hij miste Omke en Beppe en de Friese taal. Zijn moeder, Lena Muller-Blitz, was op 12 februari 1943 omgekomen in Auschwitz. Vader Louis Muller stierf op 30 april van dat jaar in hetzelfde kamp. Opa Barend Muller, werd samen met zijn echtgenote op 27 augustus 1943 in Auschwitz vergast. Hun dochter Catharina stierf er een week later.

Vervolg

Salo Muller maakte carrière als fysiotherapeut. In 2005 schreef hij een boek over zijn leven.

Zie ook Salo Muller* in Zaandijk.

Voetnoten

1 Muller, S. Tot vanavond en lief zijn hoor. Oorlogsherinneringen (p. 7-8, 27-36); www.joodsmonument.nl; Gezinskaart Amsterdam; Bakker, A. Dag pap, tot morgen. Joodse kinderen gered uit de crèche; Informatie van Hans Valk uit Zaandam (17-3-2011); Website Theo Valk; Gezinskaarten families Valk en Eijkern

2 www.iisg.nl/ondernemers/pdf/pers-1578-02.pdf

3 www.jhm.nl/documenten/InleidingAK.CD.pdf

4 Zie A.D. Drukker*

5 http://www.hollandscheschouwburg.nl/site_nl/deportatie/creche.html

6 Nieuw Israelietisch Weekblad (‘Eresaluut van Piet Bosboom voor vele Nederlanders’), 2-5-1975; en (‘In Memoriam Piet Bosboom’), 11-12-1998

7 Muller, o.c. (p. 37-44)

8 Muller, o.c. (p. 45-59)

9 Gezinskaart; Adresboek voor de Zaanstreek 1941