N.N. (Zaandam, 21)

Laatste wijziging: 27 april 2016

N.N.1
Onderduiker, Zaandam

Hendrik Brinkman (Zaandam, 17-10-1895) verborg in zijn woning aan het Blauwe Arendspad 32 zowel een verder onbekende joodse vrouw als -heel even- het joodse meisje Betty.

Willem Brinkman
De gereformeerde Zaandamse verzetsman Willem Brinkman was een spil in het netwerk van de Landelijke organisatie voor hulp aan Onderduikers (LO). Hoogstwaarschijnlijk via hem kwam de onbekende joodse vrouw terecht bij zijn broer Hendrik. Over haar is verder weinig bekend. Willem en zijn echtgenote Aaftje Brinkman-Groot (Koog aan de Zaan, 9-7-1902) hadden zelf ook een onderduikster in huis, de uit Amsterdam afkomstige Betty.* Op 26 augustus 1943 kregen ze echter te maken met een inval in hun woning aan de Westzijde 1. Daarbij was in ieder geval de collaborerende politieman Jan Bloemsma betrokken. ‘Logeetje’ Betty werd gevonden, maar niet meegenomen. Aaftje Brinkman, in een naoorlogse getuigenverklaring: “Ik werd meegenomen naar het politiebureau en werd in een cel gezet. ’s Nachts ben ik driemaal door [politiecommissaris] Ragut verhoord, die erg tekeer ging. ’s Morgens werd ik door Ragut vrijgelaten, onder die voorwaarde dat ik om 10 uur terug zou zijn met het kind. Daar ik wel wist dat het kind dan vergast zou worden, ben ik met hem [moet zijn: haar] ondergedoken, elk op een apart adres.” Haar man werd vastgehouden.

Blauwe Arendspad
Ook Hendrik Brinkman legde na de bevrijding een verklaring af. “’s Morgens had ik vernomen dat mijn broer gearresteerd was, omdat hij een joods kind in huis had. Ik ben toen onmiddellijk naar het huis van mijn broer gegaan, waar ik mijn schoonzuster overstuur aantrof, omdat zij het kind op het politiebureau had moeten brengen, wat ze echter niet gedaan had. Ik heb toen het kind mee naar huis genomen. Dezelfde dag werd ik gewaarschuwd dat ik huiszoeking zou krijgen, omdat de verblijfplaats van het kind bekend was en onmiddellijk hebben toen de Joodse vrouw en het kind mijn huis verlaten.” Zo nam de onbekende joodse vrouw afscheid.

Ohmstraat
Betty werd op de Ohmstraat 1 in Wormerveer ondergebracht bij Philippus (Koog aan de Zaan, 22-8-1908) en Elizabeth de Groot (Zaandijk, 25-2-1910), familie van Aaftje Brinkman. Vermoedelijk was zij ook zelf daar. De Wormerveerse politiecommissaris François Willem de Groot zei hierover nadien: “In 1942 of 1943 heeft de inspecteur [Tonny] Jansen telefonisch verzocht een onderzoek in te stellen bij een familie in de Ohmstraat, waar een inwoonster uit Zaandam [Aaftje], die door de politie aldaar werd gezocht, vermoedelijk thuis zou zijn. De inspecteur Jansen heeft er toen niet bij gezegd dat dit een zaak van de SD was en dat het ging om een verborgen jodenkind. De recherche te Wormerveer heeft toen in de betreffende woning een onderzoek ingesteld en zorg gedragen dat de aanwezige gezochte vrouw daar niet in terugkeerde, daar het ons bekend was dat de politie te Zaandam nog zelf een onderzoek naar die vrouw wilde instellen. Bij dat onderzoek bleek ook dat er een jodenkind verborgen was, waarvoor toen maatregelen zijn getroffen dat dat kind door de politie te Zaandam niet kon worden gevonden.”

Vervolg
Aaftje Brinkman: “Diezelfde morgen, om kwart over tien, werd er bij mijn moeder al huiszoeking gedaan naar mij. Drie nachten hebben ze naar mij gezocht, echter tevergeefs. Bij de huiszoeking op het Blauwe Arendspad, bij mijn zwager, was Jansen ook aanwezig.” De huiszoeking bij Willem en Aaftje vond eveneens plaats op 27 augustus. Hendrik Brinkman: “Die avond vervoegde zich omstreeks half twaalf aan mijn huis kapitein Ragut, luitenant Jansen, Bloemsma, Stam en, volgens de kinderen van mijn zuster, Smit. Ragut vroeg mij waar mij waar het joodse kind dat ik bij mijn broer had weggehaald was gebleven, en mijn schoonzuster [Aaftje] en haar kinderen, waar of zij waren. Ik antwoordde dat ik van dit alles niets af wist.”

Verhoor
Hendrik werd op het politiebureau in Koog verhoord door de beruchte Willem Marinus Ragut en twee SD’ers en daarna tezamen met zijn broer en twee anderen naar de hoofdstad afgevoerd, ‘waar mij in een hotelletje een verhoor werd afgenomen door dezelfde twee SD’ers’, aldus Hendrik Brinkman in een naoorlogs getuigenverhoor. “Hierna werd ik in een of ander politiebureau ingesloten en ’s maandags opnieuw verhoord in het bewuste hotelletje. Hierna werd ik in vrijheid gesteld. Mijn horloge, dat mij was afgenomen, werd mij weer ter hand gesteld. Op een reçutje wat hier bij was stond ‘Hester Hotel’.” Zijn broer Willem werd niet vrijgelaten. Van de anderen kwam een zwager van Willem, Herman Carpentier, die eveneens een joods meisje onderdak gaf, na vier dagen vrij. Onbekend is hoe het de twee onderduikers van Hendrik Brinkman verder is vergaan, al is wel duidelijk dat in ieder geval Betty de oorlog overleefde.

Voetnoten

1 Nationaal Archief, CABR-dossiers Tonny Jansen en Jan Stam; Informatie van Albert Brinkman uit Zaandam (14-3-2013); Gezinskaart GAZ