Polak (Marcus)

Laatste wijziging: 27 april 2016

Echtpaar Marcus (‘Max’) Louis Polak (Veendam, 16-7-1884 – Auschwitz, 17-9-1942)1 en Geertruida (‘Truus’) Regina Polak-van Rhijn (Hoogeveen, 14-6-1897 – Auschwitz, 17-9-1942)

Marcus Polak, bijnaam ‘(oom) Moos’, was meer dan twintig jaar leraar aardrijkskunde, handelsrecht en staatswetenschappen aan het Gemeentelijk Lyceum. Hij en zijn vrouw waren, evenals de families Drilsma*, Löwenstein* en Pais*, uit het Noorden des lands afkomstig. Hun huwelijk werd op 16 augustus 1916 gesloten in Hoogeveen. Midden november 1918 werd het vanuit Den Haag komend echtpaar ingeschreven in Zaandam. Als beroep staat er op de gezinskaart ‘leraar HBS’, later doorgehaald voor ‘leraar Lyceum’. Na twee maanden op Dam 8 te hebben gewoond, vestigden zij zich op een bovenwoning aan de Westzijde 95a, vlakbij de Verkade-fabrieken. In januari 1934 verhuisden zij door naar Westzijde 262. ‘Dokter’ Polak was actief in de Nederlandse Zionistenbond. Het is mogelijk dat voorzanger Michel Philipson* enige tijd inwoonde bij de familie Polak.

Lyceumleraar

Harry Führer* tekende een herinnering op aan de lessen aardrijkskunde: “Het ontstaan van vulkanen demonstreerde hij als volgt: [Marcus Polak] nam twee boekensteunen mee naar school, plus een typisch Nederlandse ‘ontbijtkoek’. Hij sneed deze koek in de lengte in tweeën, legde een reep tussen de boekensteunen en dekte het geheel af met een zwarte doek, net als een goochelaar. Dit deed hij zwijgend, maar intussen had hij ieders aandacht. Toen hij tenslotte begon te spreken ging hij uitgebreid in op het fenomeen van de grote krachten die diep in de aarde op zoek waren naar ruimte, wat uiteindelijk resulteerde in een explosie in opwaartse richting, zodat er een vulkaan ontstond. Bij het noemen van het woord ‘vulkaan’ trok hij de zwarte doek weg en ramde hij met een theatraal gebaar de twee boekensteunen tegen elkaar, zodat de dubbelgevouwen reep koek als een feniks omhoogschoot uit zijn as en de karakteristieke kegelvorm van een vulkaan aannam.” Harry vertelt ook dat Polak en zijn vrouw aan het eind van het schooljaar elke klas in hun mooie huis aan de Zaan uitnodigden, voor een glas limonade en iets lekkers. Ze stuurden de leerlingen naar huis met een grote Verkade-reep.2

Oorlog

Het echtpaar had na mei 1940 last van anti-joodse pesterijen en vroeg op 14 oktober toezicht van de politie. Er werd ’s nachts steeds langdurig bij hen aangebeld.

Jood-verklaring

Marcus Polak kon begin oktober 1940 de door het gemeentebestuur toegestuurde niet-joodverklaring niet ondertekenen.3 Daardoor was hij verplicht voor 26 oktober een jood-verklaring in te vullen met opgave van personalia, aantal joodse grootouders, functie en inkomen(s) – het zgn. B-formulier. Bij weigering zou onmiddellijk ontslag volgen, schreef B&W. Zo was de procedure rond de Ariërverklaring.

Lees meer

Ontslagen

Van Marcus Polak staat vast dat hij op 21 november 1940 per brief van zijn functie werd ontheven, net als zijn collega’s Willem Elte* en Samuel Koperberg*. Ook de Amsterdamse Elsa van Dien*, net afgestudeerd als sterrenkundige, werd van het lyceum verwijderd. Andere joodse onderwijsgevenden waren Johannes Heijstek*, en uit Amsterdam Mauritz Adelaar* en David de Vries*.4 Twee weken later regelde rector Oosterhuis de ‘tijdelijke’ vervanging van Polak. Hij stelde ter benoeming door het Zaandamse college de Amsterdammer Gerardus Jacobus Kriste voor. Deze zou 25 lessen aardrijkskunde en staathuishoudkunde gaan geven. Daarnaast gaf de rector twee lyceumdocenten extra uren: drie uur aan de niet-joodse aardrijkskundeleraar Rodenburg en één uur (cosmografie) aan de uitgesproken anti-nazi George Louis Jambroes, wiskundeleraar. Op het formuliertje voor het opgeven van radiobezit vulde Polak eind april 1941 als beroep ‘ontslagen leraar lyceum’ in.

Joodsche Raad Zaandam

Marcus Polak was sinds de oprichting in het voorjaar van 1941 vertegenwoordiger van de Joodsche Raad in Zaandam. Vanaf oktober 1941 was hij degene bij wie Zaanse joden toestemming moesten vragen om te reizen of te verhuizen. Hij had drie keer per week spreekuur. “Des Zondags van 11-12 uur, des Dinsdags en Donderdags van 13-14 uur … Sociale Zorg na afspraak.” Aldus nog de advertentie in het Joodsche Weekblad van 9 januari 1942. Wat de Sociale Zorg ook mocht hebben ingehouden, vijf dagen later was de circulaire over de verdrijving van alle ‘volle’ joden uit Zaandam een feit, die officieel van hem, vertegenwoordiger van de Joodsche Raad, uitging. Toestemming om te verhuizen was in verplichting omgeslagen. Op donderdag 15 januari zat Marcus Polak met andere leden in de winkel van juwelier Vet* aan de Gedempte Gracht, om uitzonderingen op te nemen op de wijze van het gedwongen vertrek.

‘Evacuatie’

Vrijdagavond 16 januari had het echtpaar een afscheidsmaaltijd bij de buren van 262a, de familie Kakes.5 De Polaks gaven hen een dicht gesoldeerd, loden kistje in bewaring. De heer Kakes begroef het in de tuin. Na de oorlog groef men het op -daarvan werden een paar filmbeelden gemaakt- en stuurde het naar een achtergelaten adres. Marcus en Geertruida Polak sloegen een aanbod om onder te duiken af. Ze dachten toen vermoedelijk dat het allemaal wel mee zou vallen. Reinder Kakes belde op 24 februari 1942 de politie, dat bij hun oude buren de waterleiding was gesprongen. Agent Toorn kwam langs, verbrak de verzegeling op de deur, zag dat de kelder blank stond en sloot de hoofdkraan af.6

Amsterdam

Van verschillende kanten werd er bij het echtpaar Polak op aangedrongen om onder te duiken. Ze deden het niet. Het echtpaar Polak-van Rhijn vond eerst onderdak in de Amsterdamse Banstraat 59,vervolgens op 23 mei bij ‘tante Dora’ op de Weteringschans 92 en later aan de Plantage Kerklaan 7, midden in een der drie jodenbuurten. Daags na de ‘evacuatie’ uit Zaandam schreef David Cohen namens de Joodsche Raad een briefje aan Marcus Polak: “Mijnheer, Door het feit dat U uit Zaandam moest evacueeren en in die stad geen enkele Jood meer woonachtig is, moeten wij U zeer tot onze spijt berichten, dat een vertegenwoordiging Uwerzijds uiteraard geen enkele zin meer heeft. Mitsdien zenden wij U hierbij de door U ingezonden foto’s weder terug. Gaarne maken wij van deze gelegenheid gebruik U onzen beleefden dank te betuigen voor het werk, dat U in Uw functie van vertegenwoordiger hebt verricht.”

Marcus Bakker

Op de Plantage Kerklaan bezocht het latere Tweede-Kamerlid voor de CPN Marcus Bakker (1923) zijn oud-leraar in de zomer van 1942. Bakker: “Het zal tijdens of na mijn eindexamen zijn geweest, dat ik hem een keer ging opzoeken. Hij was mager geworden, wat opviel bij hem, er waren grote donkere kringen onder zijn ogen, zijn boord was veel te ruim. We gingen naar buiten en hebben op een bank zitten praten, waarover weet ik niet meer. Ik zal wel niet veel gezegd hebben. Ik weet alleen nog hoe blij hij was omdat ik naar hem toegekomen was.”

Arbeidsverruiming’

Op 8-9-1942 meldde Marcus Polak zich op het politiebureau. “Inwonend bij Mevr. de Adelsberg, 60 jaar (jodin)”, noteerde de dienstdoende agent ’s middags in het dagrapport. Polak deelde hem mee ‘dat hij niet in de woning kan komen en dat hij vreest dat zijn hospita zich van het leven heeft beroofd. Bij ingesteld onderzoek door Bp. Schimmel en a.p. Reijerskerk bleek dat deze juffrouw met medeneming van al haar goederen gevlucht is. Polak met echtgenoote verwezen naar Joodsche raad voor nieuw pension.”  Niet veel later kreeg het echtpaar de oproep tot ‘arbeidsverruiming’. Ze besloten onder te duiken. Daarvóór namen ze afscheid van een tante in het bejaardenhuis. Tijdens het bezoek werden ze opgepakt. Harry Führer herinnert zich zijn vroegere leraar in Westerbork te hebben gezien. Polak was op weg naar de trein. “Zwijgend omhelsden we elkaar.”

Auschwitz

Acht maanden na het vertrek uit Zaandam en twee maanden na het begin van de deportaties, op 17 september 1942, werden Max Polak (58) en Truus Polak-van Rhijn (45) meteen na aankomst in Auschwitz door vergassing om het leven gebracht.

Op 5 mei 2009 plaatsten drie dochters van Bertje Bloch-van Rhijn (1928), een nicht van Truus, ter herinnering twee ‘Stolpersteine’ voor het pand Westzijde 262. Ze deden dit samen met de Duitse kunstenaar Gunter Demnig, de bedenker van deze ‘struikelstenen’.