Pollak (Nandor)

Laatste wijziging: 27 april 2016

Gezin Nandor Pollak (Preselany, 2-8-1890)1 en Elsa Pollak-Goldmann (Oostenrijk, 8-10-1899) met Harry (Wenen, 17-1-1921) en Dorrit (24-11-1922)

De in Slowakije geboren Nandor was fabrikant en bedrijfseigenaar. Op de gezinskaart staat bij zijn naam ‘Isr’ (Israëlitisch), ‘Vr. oost’ (Oostelijke vreemdeling) en ‘bedrijfsleider’. Op 9 september 1938 was hij via Praag vanuit Wenen naar Zaandam gekomen. Zijn vrouw, Elsa Goldmann, stamde uit Oostenrijk.2

Hoedenmakers

De Weense hoedenmaker werd bedrijfsleider in de hoedenfabriek van Poppert* en ging wonen bij de weduwe Van Rooij, die een huis had aan de Czarinastraat 34. In 1939 kwamen zijn vrouw en kinderen als vluchtelingen uit Wenen. Het gezin woonde in de Anna Paulownastraat 28, de oude Spoorbuurt. De straat lag dichtbij de fabriek van Poppert. Nog in april 1940 begon Nandor zijn eigen Hoedenfabriek Nandor Pollak.

Harry

Zijn 18 jaar oude zoon Harry was al in oktober 1939 begonnen met een grossierderij in dames- en herenhoeden, Viltex genaamd. Zijn bedrijfje zat op de J.A. Laanweg 16 in Zaandam. Hij stichtte ook de dames- en herenhoedenfabriek Ascot (Raadhuisstraat 36, Koog aan de Zaan). Of deze in 1942 nog bestond is de vraag.

Huishoudster

Per 1 januari 1942 mochten joden niet langer niet-joods personeel in de huishouding hebben. Zich niet bewust van de aanstaande verbanning uit haar eigen woning plaatste Elsa Pollak op 31 oktober 1941 een advertentie in het Joodsche Weekblad waarin ze een ‘meisje voor hulp in de huish., in- of extern, voor heele dagen’ vroeg. Of ze succes had is onbekend. Vanwege de verordening waarin het verbod op niet-joods personeel was vastgelegd, kreeg het Joodsche Weekblad in het najaar van 1941 een stuwmeer aan personeelsadvertenties te verwerken.

Westerbork

Nandor, Elsa Pollak en Dorrit Pollak vertrokken op 2 februari 1942 naar Westerbork. Zij hadden door ziekmeldingen uitstel weten te krijgen. Er was op 9 februari een aparte inschrijving van het gezin in de gemeente Westerbork, samen met de aanvankelijk weggebleven Maryem Knopf-Ehrenreich*. Op 27 juni 1942 stuurde de Rijksrecherchecentrale in Den Haag een brief naar de commandant van Westerbork. Daarin stond dat er geen bezwaar was om een aantal gevangenen ‘aan den oproep van den Joodsche Raad om op 1 Juni 1942 naar Amsterdam te komen gevolg [te] geven’. Onder de ‘begunstigden’ (die dag waren dat onder anderen elf Zaanse joden) bevond zich ook het gezin Pollak. Ze kregen daarna nog minstens één kans voor een bezoek aan de Joodsche Raad en grepen die aan om te vluchten.

Onderduik

Op 13 juli 1942 stuurde Westerbork-commandant Jac. Schol een brief naar de Zentralstelle in Amsterdam: “Von Transport, das am 7. Juli nach Amsterdam ging (bis 11.7) sind nicht zurückgekommen Nandor Pollak, lsa Pollak-Goldman, Dorrit Pollak.” Vader, moeder en dochter Pollak doken onder en haalden levend het eind van de oorlog. Ook Harry Pollak overleefde. De onderduikplekken van het gezin zijn nog onbekend.

Vervolg

Zowel vader als zoon begonnen na de oorlog weer een hoedenfabriek. Senior aanvankelijk in de Amsterdamse Daniel Stalpaertstraat 93 en later in de voorname Botticellistraat 30. Harry Pollak keerde terug naar Koog aan de Zaan. Daar had hij in november 1945 negen mensen in dienst. In 1949 verplaatste hij het bedrijf Ascot naar het Amsterdamse Rapenburg 104. Het werd per januari 1977 opgeheven.