Prins (Abraham/Bram)

Laatste wijziging: 2 mei 2016

Gezin Abraham (‘Bram’) Prins (Amsterdam, 17-12-1904 – Auschwitz, 30-9-1942)1

Abraham trouwde op 19 maart 1932 in Edam met Adriana Maria Groot (Edam, 27-10-1902). Er kwamen twee kinderen: Adry (‘Addy’) (Amsterdam, 18-5-1933) en Henny (Amsterdam, 10-5-1936).

Sport

Abraham Prins, geboren in de overwegend joodse en socialistische Transvaalbuurt, was een enthousiast sportman. Hij werd turner, sportleraar en fysiotherapeut. Op het sportveld ontmoette hij zijn latere vrouw Adriana. Ze trouwden en gingen in het Amsterdamse tuindorp Nieuwendam wonen, in een van de daar gebouwde ‘huurwoningen voor de arbeider’. Godsdienst speelde in zijn leven niet zo’n grote rol. Het echtpaar kreeg een jongen en een meisje, Adry en Henny. Het gezin verhuisde na de geboorte van de jongste naar Krommenie. Bram Prins werd in 1936 namelijk ‘directeur/instructeur’ bij Lycurgus, de bekende Krommenieër gymnastiekvereniging voor mannen. Het echtpaar kwam te wonen aan de Weverstraat 40. Bram was op een gegeven moment tevens ambtenaar bij de Rijkspostspaarbank. Hij was vermoedelijk ook gymleraar bij de ulo in Krommenie.

Oorlog

Het uitbreken van de oorlog schokte Abraham. In oktober 1940 moest onderwijzend personeel de Ariërverklaring ondertekenen. Joodse leraren werden niet lang daarna ontslagen. Dat kan ook Abraham Prins hebben getroffen. Zeker is dat hij werd ontslagen bij de Rijkspostspaarbank. Zijn baan bij Lycurgus, inmiddels gefuseerd met de vrouwensportvereniging Hygeia, en zijn werk als fysiotherapeut vielen niet onder de maatregel. Maar er kwamen wel andere beperkingen. Vader en kinderen moesten zich in het voorjaar van 1941 melden. Vanaf 15 september 1941 (andere bronnen zeggen 31 mei) was het verboden voor joden om van parken gebruik te maken. Toen de voljoodse neefjes van Adry op bezoek kwamen, wilde Chaim per se niet naar het park. Adry begreep dat niet. Het verbod gold namelijk niet voor hem.

Evacuatielijsten

Het gemengde huwelijk leek Abraham en zijn gezin te beschermen. Maar zoals bij velen kwam toch de gedachte aan scheiden op, als mogelijke beschermingsmaatregel tegen vervolging. Daar zagen Abraham en Adriana vanaf. Naast de naam van ‘Turnlehrer’ Abraham Prins kwamen op de burgemeesterslijst van 5 maart 1942 dan ook de namen voor van Adriana Maria Groot en hun twee kinderen. Op de Krommenieër politielijst stond hun naam niet. Bram moest na 1 mei 1942 de ster dragen, wat hij vervelend vond. Zijn vrouw overtuigde hem ervan het toch te doen, om moeilijkheden te voorkomen en niet te worden verraden. Vanaf oktober 1941 dienden joden toestemming te vragen om te reizen. Prins deed dat voor een reis op 2 juli 1942, om een joodse cliënt in Nieuwendam fysiotherapie te kunnen geven (niet-joden mocht hij niet meer behandelen). Hij kreeg de vergunning na het invullen van een papierwinkel en de betaling van 3,30 gulden.

Lees meer

IJbosch

’s Ochtends vroeg nam hij de trein van Krommenie naar Amsterdam CS. Vanaf daar ging hij verder met de fiets, die hij bij het station had staan. Bram miste een pont en nam het laatste ‘spits’-bootje van 9.15 uur naar de IJ-oever. Via de Hamerstraat en de Meeuwenlaan reed hij richting Nieuwendam. Rechts van de Meeuwenlaan lag een park, dat het IJbosch -na de oorlog W.H. Vliegenbos- werd genoemd. Er liep een fietspad door in de richting van het tuindorp. Het was mooi weer en Bram wilde niet omfietsen. In het park was op dat moment een onderdeel van het Politiebataljon Amsterdam (PBA) aan het trainen onder leiding van Gerrit van Ravenzwaaij. Opperwachtmeester/veldwachter Van Ravenzwaaij was trainer geweest bij de mariniersopleiding en in politieschool Schalkhaar opgeleid door de Duitse SS. Van Ravenzwaaij had van de SS de spreuk ‘Mijn eer is mijn trouw’ overgenomen. Nu was hij met zijn mannen toevallig in het park aan het marcheren. Ze controleerden een fietser die ‘sterjood’ bleek te zijn en konden die uiteraard niet laten lopen. Van Ravenzwaaij maakte dus proces-verbaal op tegen Bram Prins zie afbeelding hiernaast).

Politiebureau

Terug in Krommenie kreeg Bram een oproep om zich op 11 juli te melden bij het Amsterdamse politiebureau aan de Marnixstraat. Zijn omgeving probeerde hem ervan te weerhouden te gaan. De familie Hondema, actief in het Krommenieër verzet, bood hem een onderduikplek aan. Bram meende echter dat het alleen ging om een oproep voor een werkkamp en voelde zich sportief en sterk genoeg om dat te doorstaan. Bovendien vroeg hij zich af wat de consequenties waren voor zijn gezin als hij onderdook. Zijn vrouw dacht dat het gemengde huwelijk hem zou beschermen. En zo meldde Prins zich samen met haar op zaterdag 11 juli om 11.00 uur in de Marnixstraat. Hij werd vastgezet en zijn vrouw mocht hem niet meer spreken. Ook niet ’s avonds, toen ze volgens afspraak opbelde. Adriana ging naar de politie in Krommenie -die de gemengd gehuwden van de evacuatielijst had gehouden- en naar de burgemeester. Die nam contact op met de Commissaris van de Provincie, Albert Johan Backer. Maar Backer zei ‘geen stappen te kunnen ondernemen’. Abraham Prins werd van het politiebureau overgebracht naar de Euterpestraat 99, het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst en de Zentralstelle für jüdische Auswanderung. In het dagrapport van de Amsterdamse politie is bij de naam Abraham Prins de aantekening te lezen: “14 juli naar Polen.”

Eerste trein

De eerste Nederlandse trein naar Auschwitz vertrok in de nacht van 14 op 15 juli om 2.15 uur van Amsterdam CS en vervoerde 962 personen, vooral Duitse vluchtelingen.2 Hij stopte in Hooghalen. Van daar moest men vijf kilometer naar Westerbork lopen. Daar vond registratie plaats en werd het transport aangevuld met ruim 150 Westerbork-gevangenen, allen Duitse vluchtelingen. De gevangenen moesten (opnieuw) naar station Hooghalen lopen, om de reis van drie dagen naar Auschwitz te vervolgen. Op de Westerbork-transportlijst stonden 1137 personen vermeld. Onder hen zes uit Zaandam. Brams naam kwam op de transportlijst voor als ‘Prinz’. Hij gooide briefjes uit de trein, die Krommenie bereikten. Hij schreef onder meer: “Laat zus zich liever verdrinken” en besluit met: “Wees lief voor elkaar.” Adriana stuurde op 20 juli een brief naar de Euterpestraat: “Ich habe noch nichts gehört.” Op 25 september schreef ze opnieuw. Er kwam geen antwoord.

Auschwitz

Abraham Prins (37) werd niet onmiddellijk gedood. Een derde deel van de mensen van dit transport stierf binnen een maand. Wanneer Bram precies gestorven is, is onbekend. Het Rode Kruis heeft veel data geschat aan de hand van een gemiddelde overlevingstijd. Het gedenkboek In Memoriam houdt het op basis hiervan op 30 september 1942. Dat was ook de geschatte datum waarop tien andere joden uit de Zaanstreek omkwamen in Auschwitz.

Voetnoten

1 Gezinskaart Krommenie; IKON-tv-documentaire Het misdrijf van Abraham Prins (2004); Stadsarchief Amsterdam, toegangsnummer 5225, inventarisnummer 7321; Mededelingen van S. Hondema; Archief gemeentepolitie Amsterdam

2 Presser, o.c. I (p. 262)