Rijn, van (Davina/Rita)

Laatste wijziging: 2 mei 2016

Davina (‘Rita’) Margot van Rijn (Watergraafsmeer, 23-2-1919 – Amsterdam, 1-12-2000)1

Davina van Rijn dook begin 1943 onder bij de familie Rijpstra in Zaandijk. Ze overleefde als enige van haar familie de jodenvervolging.

Gezin

Davina was een dochter van de procuratiehouder bij Gerzon’s Modemagazijnen, Salomon van Rijn (Veendam, 4-7-1881), en van Judith van Rijn-Cohensius (Waalwijk, 14-2-1884). Ze had één broer, Hans Frederik (‘Fred’) (Sloten, 11-3-1915). Het gezin woonde begin 1941 op de Zuider Amstellaan 233 hs in Amsterdam. Fred stierf al op 20 september 1942, in Auschwitz. Ook Davina’s ouders werden allebei in Auschwitz om het leven gebracht, op 1 februari 1943.

Herinneringen

Davina van Rijn heeft kort voor haar dood in 2000 haar herinneringen aan het gezinsleven opgeschreven, met name die aan de periode voor de Duitse inval. Het verhaal eindigt bij haar onderduik. Enkele citaten uit de periode 1940-1942: “Een korte tijd vormden we nog een rustig ‘doorsnee’ gezin dat een leven leidde zonder grote ups en downs. Totdat de Duitsers het land binnenvielen – 4 mei 1940. Wie enigszins nadacht, wist dat dit het begin van het einde was voor ons Joden. Even nog was er thuis iets te vieren, toen ik voorjaar ’42 doctoraal examen [geschiedenis en Oud-Egyptisch] deed. Mijn ouders waren blij, vooral vader, die bij het bescheiden feestje ’s avonds opeens een buiten passerende straatzanger naar binnen haalde, om de stemming op te vrolijken. Kort daarna hield het gewone leven op.”

Razzia

“Mijn broer werd in augustus 1942 om 8 uur ’s avonds uit huis gehaald door Duitsers met naamlijsten in de hand. Hij had gepland om de volgende dag onder te duiken. Tal van Joodse jongeren werden die avond opgehaald en bij ons voor het raam verzameld.” J. Presser vertelt in Ondergang over deze zwarte donderdag, 6 augustus, ‘de razzia der 2000’. Hij werd toen ook zelf met zijn vrouw opgepakt en maakte de volgende dag de bloedstollende selectie mee op de binnenplaats van de Zentralstelle. Aus der Fünten wees van een bejaard echtpaar de vrouw naar links -‘arbeidsverruiming’, ofwel Westerbork en de gaskamers-, de man naar rechts – de vrijheid. De man kreeg de ‘gunst’ om met zijn vrouw mee te mogen gaan. Ook Fred van Rijn werd voor Westerbork geselecteerd. Het Joodsche Weekblad kwam nog dezelfde avond met een extra editie, waarin alle joden die een oproep tot ‘arbeidsverruiming’ in Duitsland hadden ontvangen en  zich niet voor zaterdag 9 augustus om 5 uur zelf kwamen melden, met gevangenisstraf en overbrenging naar Mauthausen werden bedreigd.2 “Mijn ouders waren zwaar terneergeslagen. Moeder heeft nog brieven geschreven naar allerlei joodse instanties in Oost-Europa, denkend dat die voor een jongen, terechtgekomen in een concentratiekamp (we dachten toen: Mauthausen) iets konden doen. Later bleek dat hij op 30 september 1942 in Auschwitz is omgebracht.”

Lees meer

Lena Koperberg

Judith van Rijn probeerde ook Freds transport uit Westerbork te verhinderen. Er is een brief (zie foto’s) bewaard gebleven aan Lena Koperberg-Baanders*,  die op de dreigende deportatie van haar zoon betrekking heeft. Het gemengd gehuwde echtpaar Koperberg had midden januari 1942 vanwege de jodenevacuatie Zaandam moeten verlaten en woonruimte gevonden op de Zuider Amstellaan 95 III. De niet-joodse Lena Koperberg had bewegingsruimte en beschikte mogelijk over vervoer. Judith schrijft haar brief om half vier ’s nachts, en opent als volgt: “Straks ga ik naar uw huis, maar misschien is er geen tijd meer om de dingen te zeggen, daarom schrijf ik ze nu maar op.” De brief hoorde bij een pakje, dat Fred naar zij hoopte ‘nog wel zal kunnen krijgen’. Ze vroeg Lena om naar de heer Wachtel te gaan, hem documenten te overhandigen en hem ‘met nadruk [te] vragen iets te doen’. Voor Fred, zal bedoeld zijn. De Duitse emigrant S.A.J. Wachtel vertegenwoordigde in 1939/’41 het Joodse Vluchtelingencomité in kamp Westerbork en later de Joodsche Raad. Hij werd algemeen als een rechtschapen persoon gezien3 Eerdere post vanuit de Joodsche Raad voor de zaak van Fred was aan hem geadresseerd geweest. Daarnaast vroeg ze om vriend en neef Vleeschhouwer te benaderen, die in Westerbork eveneens een leidende positie had, en hem te vragen hoe de toestand was. En anders kon een portier die van Rijn zou kunnen heten haar helpen Vleeschhouwer te vinden. Tenslotte schreef Judith: “Ik ben vannacht heel bang. Haast u zoveel mogelijk om Westerbork te bereiken, anders is het misschien te laat.” In een naschrift zei ze: “Als Fred te veel goed heeft en werkelijk zou moeten gaan, moet hij maar wat aan anderen geven.” Fred van Rijn zat waarschijnlijk in het Auschwitz-transport van 27 september 1942.

Lijn-8

“Ik vertrok naar het ‘Apeldoornsche Bosch’, waar ik juist als leerling-verpleegster aangenomen was. Ik heb daar gewerkt tot 19 januari 1943. Die 19e januari reisde ik -contra het advies van de geneesheer-directeur, mijn oom dr. Jacques Lobstein- met een 3-daagse reisvergunning ‘om ouders te bezoeken’ naar Amsterdam. Ik wist namelijk dat ze de middag tevoren weggehaald waren: Moeder was met de tram, de beruchte lijn-8, naar het Amstelstation vervoerd en Vader, wat later thuisgekomen, is toen te voet naar het station gegaan en heeft zich daar bij haar gevoegd.”

Joodsche Raad

“Bij ons thuis aangekomen verbrak ik het zegel dat op de deur geplakt was en ging voor de laatste keer naar binnen. In de keuken stonden nog de pannen met eten, door mijn moeder voorbereid voor mijn thuiskomst. Navraag bij prof. D. Cohen van de Joodsche Raad, of ik als ‘zuster’ wellicht nog iets voor mijn ouders zou kunnen uitrichten in Westerbork, werd negatief beantwoord: ‘Niets. En ga niet terug naar Apeldoorn.’ Toen ben ik ondergedoken.”

Schuldgevoel

Davina kwam terecht bij Bart Rijpstra (Huizum, 27-6-1912) en diens echtgenote Wytske Rijpstra-Keverkamp (Leeuwarden, 19-1-1915). Bart Rijpstra was hoofdonderwijzer in Zaandijk en zeer actief in het Zaanse verzet. Het echtpaar Rijpstra hield meerdere joden verborgen op hun woonadres Meidoornlaan 2. In een brief aan de Stichting 1940-1945 de dato 1 juni 1975 beschreef Bart Rijpstra de komst van Davina, die hij overigens alleen onder haar schuilnaam ‘Rita’ kende: “Ik loop nog steeds met een enorm schuldgevoel rond, niet genoeg gedaan te hebben. Daarmee word ik steeds opnieuw geconfronteerd als ik mijn Joodse vrienden en kennissen en m’n huisarts ontmoet. Het begon met het verliezen van persoonsbewijzen, die Mej. Tieke Jansma [een collega-onderwijzeres uit Zaandijk, die talloze joden het leven redde] gebruikte om anderen mee te helpen. Daarna kwam de eerste Joodse onderduikster, Rita werd ze genoemd, was z.g. kindermeisje bij ons.”

Arrestatie

Davina werkte als oppas van dochter Han. Moeder Wytske Rijpstra had namelijk haar werk als onderwijzeres weer opgepakt, nadat haar echtgenoot in de zomer van 1943 was opgepakt en naar Duitsland was gevoerd. Hij had getracht naar Groot-Brittannië te ontkomen, maar werd in België gearresteerd. Bart Rijpstra overleefde diverse kampen en gevangenissen en kon na de oorlog terugkeren naar Zaandijk.

Nieuwe Prinsengracht

Eind 1944 vertrok Davina van Rijn naar een nieuwe onderduikplek, de woning van Tieke Jansma (Ooststellingerwerf, 11-10-1913). Die was inmiddels uit Zaandijk verhuisd en herbergde na verloop van tijd in haar huis aan de Amsterdamse Nieuwe Prinsengracht 90 III acht joden. Davina en haar lotgenoten (zie Karel Fonteijn*), konden zich in geval van nood verbergen boven een voor de gelegenheid verlaagd plafond, dat zich onder de zoldervloer bevond. Er was net voldoende ruimte om alle acht onderduikers te herbergen. De onderduikers bleven tot aan de bevrijding in de woning van Tieke Jansma. Jansma zelf stierf op op 12 januari 1945 aan typhus, waarmee ook een aantal van haar onderduikers te kampen kreeg. In september 2016 werd haar vanwege haar hulp aan joden de Yad Vashem-onderscheiding toegekend.

Voetnoten

1 Informatie van Henk Krigee uit Zaandam (30-8-2009); D.M. Hersch-van Rijn – Ter herinnering aan Salomon van Rijn & Judith Cohensius, Hans Frederik van Rijn (1999); www.joodsmonument.nl (ook de brief)

2 www.dbnl.org/tekst/pres003onde01/pres003onde01_0021.htm, J.Presser o.c. II, p. 269 ev

3 J. Presser o.c. II, p. 310