Robles (Jo/Jopie)

Laatste wijziging: 2 mei 2016

Jo (‘Jopie’) Robles (Amsterdam, 10-8-1942)1

Jo Robles werd als kind ondergebracht bij Cornelis en Antje Groot. Hij overleefde de oorlog.

Amsterdam

Jo was een zoon van typograaf Hijman Robles (Amsterdam, 12-4-1919 – Sobibor, 9-7-1943) en verkoopster/naaister Celina Robles-van Cleef (Amsterdam, 27-6-1921 – Rotterdam, 1-1-1993). Het gezin woonde in 1942 in de Amsterdamse Rapenburgerstraat 16 III en daarvoor in de Van Baerlestraat 15 II. Toen de kleine Jo in 1942 werd afgegeven voor zijn onderduik was zijn vader al opgepakt, maar zijn moeder nog niet.

‘Tante Ans’

Antje Groot-de Jong (Lemsterland, 4-7-1901 – Zaanstad, 17-11-1990) reisde naar het Amsterdamse Centraal Station en kreeg daar van verzetsstrijdster ‘tante Ans’ de baby ‘Jopie’ overhandigd. ‘Tante Ans’ was er in geslaagd om het kind uit de Hollandsche Schouwburg te stelen. De organisatie voor het vinden van onderduikadressen lag in handen van de Zaandamse boekhandelaar Willem Brinkman, een zwager van Antje Groot. ‘Tante Ans’ was de schuilnaam van de Hilversumse Anna (‘Ans’) Rosa van Dam (Rotterdam, 15-9-1916), dochter van een joodse vader en een oorspronkelijk niet-joodse moeder (ze nam in 1926 alsnog het joodse geloof aan). Ans van Dam zou in de loop der jaren tientallen joodse kinderen en volwassenen aan een schuilplaats helpen. Eind 1943 belandde ze echter in Duitse gevangenschap. Ze zou onder meer Dachau overleven en kon na de oorlog terugkeren naar Nederland.

Invallen

Antje Groot nam Jopie mee naar haar huis, gelegen aan de Zaandijkse Tuinstraat 53. Ze woonde daar met haar man, fabrieksarbeider/bedrijfsleider Cornelis (‘Cor’) Groot (Zaandam, 19-2-1898 – 7-4-1972). Jopies vader stierf in juli 1943 in Sobibor, zijn moeder zou een Pools kamp overleven. Cornelis Groot werd in de nacht van 26/27 augustus 1943 gearresteerd, waarschijnlijk door verraad. Hij werd met twee plaatsgenoten die eveneens joden verborgen, Frans en Evertje Westrik, afgevoerd naar het politiebureau aan de Zaandamse Vinkenstraat. Frans Westrik schreef daarover na de oorlog: “In de auto zat reeds Cor Groot, te wiens huize men ook naar een jodenkind op zoek was geweest. Korte tijd later bleek, dat de beide heren politie-agenten [verantwoordelijk voor de arrestaties] op verschillende adressen invallen hadden verricht.”

Jan Bloemsma

Over de inval in haar woning vertelde Antje Groot na de oorlog: “In de nacht van 26 op 27 augustus 1943, te ongeveer 2 uur, werd er aan mijn woning gebeld en kwamen er, nadat ik had opengedaan, drie personen gekleed in politie-uniformen mijn woning binnen. Een van deze personen was de mij bekende Bloemsma uit Koog aan de Zaan. Bloemsma zei mij dat ik een Jodenkind in mijn woning had, waarop Bloemsma met de andere politiemannen huiszoeking deden en het Jodenkind vonden. Mijn man is toen aangehouden en door Bloemsma overgebracht naar het bureau van politie te Zaandam. Enige uren daarna is een der politiemannen teruggekomen en heeft het Jodenkindje, dat omstreeks negen maanden oud was, medegenomen.”

Kindertehuis

Cor Groot zat vijf dagen gevangen in Amsterdam. Jopie werd afgegeven aan het joodse kindertehuis tegenover de Hollandsche Schouwburg. Daar slaagde de Zaandijkse wijkzuster Cornelia Maria Merk (1907), die in de Karl Marxstraat 1 woonde, er een dag later in om Jopie te ontvoeren. Ze deed alsof ze voor het kindertehuis flauwviel en slaagde er zo in om binnen te komen. In de omgeving had ze al een kinderwagen klaarstaan, waarin Jopie kon worden meegesmokkeld. Hij was op dat moment -volgens afspraak met het verzet- nog niet geregistreerd in het kindertehuis. Tot aan de bevrijding werd hij vervolgens ondergebracht in Purmerend, bij het gezin Mars aan de Vooruitstraat. Onder meer de familie Groot kwam af en toe over vanuit Zaandijk om voedselbonnen te brengen voor Jopie en de andere onderduikers die het gezin Mars herbergde. Via de illegaliteit werd het trouwboekje van het echtpaar Mars vervalst; Jopie werd daarin vermeld als Johannes Mars, op 18 augustus 1942 geboren als derde kind in het gezin. Na de bevrijding kwam Celina Robles haar zoon ophalen in Zaandijk. Hij verbleef toen echter nog in Purmerend. Moeder en zoon hebben nog enkele maanden bij de familie Groot gewoond.

Verraad

In 1947 hertrouwde Celina Robles met een niet-joodse man die zij in het kamp had leren kennen. Ze ging in Rotterdam wonen en kreeg nog twee dochters. De familie Groot was mogelijk verraden door de ouders van een schoonzuster. Tijdens een naoorlogs proces kwam de hoofdverdachte echter te overlijden, waardoor de zaak niet kon worden opgelost.

Voetnoten

1 Informatie van Henk Krigee uit Zaandam (30-8-2009), W. Koel-Groot (2007) en Abraham Drukker (29-8-2016); www.joodsmonument.nl; Historisch Purmerend (september 2010); Nationaal Archief, CABR-dossier J. Bloemsma