Rosenbaum (Georg)

Laatste wijziging: 2 mei 2016

Gezin Georg Rosenbaum (Saalfeld, 1-11-1898 – Bergen-Belsen, 31-3-1945)1 en Johanna Rosenbaum-Pergamenter (Leipzig, 14-2-1902 – Auschwitz, 6-10-1944) met Manfred (Berlijn, 15-5-1924), zoon van Georg uit zijn huwelijk met Lotti David, en Eva Sara (Leipzig, 9-7-1924), dochter van Johanna uit haar huwelijk met de niet-joodse Werner Kohle, alsmede (schoon-)moeder Emma Rosenbaum-Fabian (28-7-1865)2

Georg Rosenbaum was een afgestudeerd politicoloog. Zijn eerste huwelijk was met de Berlijnse Lotti David. Ze kregen een zoon, Manfred. Op 17 augustus 1933 hertrouwde hij in Parijs met Johanna Pergamenter. Zij was een dochter van Arthur Pergamenter en de niet-joodse Martha Dehlendorf. Johanna bracht uit haar eerdere, gemengde huwelijk dochter Eva Kohle mee. Rosenbaum bleef begrijpelijkerwijs niet bij de politicologie. Na de machtsoverdracht aan Hitler richtte hij het cosmeticabedrijfje Chemicos op. Daarmee vestigde hij zich op de Kloveniersburgwal in Amsterdam. Het echtpaar Rosenbaum was in april 1934 naar Nederland gekomen.

Zaandam

Op 15 november 1934 schreven Georg, Johanna en Eva zich in te Zaandam. Ze vonden een woning op de Czarinastraat 11, waarschijnlijk via het Joods Crisis Comité. Manfred bleef bij zijn moeder in Berlijn, maar kwam wel een keer op vakantie naar Zaandam. Op 9 september 1935 verhuisde het gezin naar de statige Stationsstraat 65. Manfred kwam die dag op een kindervisum uit Berlijn. Zijn moeder had besloten naar Palestina te emigreren. Manfred ging naar de joodse les in de synagoge. Hij volgde de ulo (vergelijkbaar met de latere mavo). In 1940 ging hij naar de vierde klas.

Familie

In 1935 vertrok ook Georgs moeder Emma Rosenbaum-Fabian naar Zaandam. Daar woonde zij een tijd schuin tegenover haar zoon, op de Stationsstraat 60. ‘Oma’ Rosenbaum kwam vaak langs bij de familie Lewkowicz*, bijvoorbeeld als daar erwtensoep was gekookt. Ze kon niet goed zien, maar bleef doorgaan met het haken van kanten kleedjes. Najaar 1936 kwam Werner Pergamenter*, een jongere broer van Johanna, uit Berlijn naar Zaandam. Men zegt dat hij een baan in de fabriek van Poppert* vond. In het voorjaar van 1939 kwam zijn partner, Marie Auguste Jarozwiez, uit Berlijn. Zij maakte dameshoeden.

Kristallnacht

Na de Duitse Kristallnacht vroeg Georg Rosenbaum het Comité voor Joodsche Vluchtelingen in Amsterdam hulp bij het naar Nederland halen van zijn neef Hans Joske (31-1-1888). Die woonde aanvankelijk in Leipzig, maar bevond zich volgens Rosenbaum sinds de Kristallnacht in een concentratiekamp. Volgens Rosenbaum was het mogelijk om Hans via Nederland naar Palestina te laten emigreren, waar zich reeds een zus en een zoon van hem bevonden. De aanvraag werd afgewezen door de uiterst restrictief handelende regering.

Advocaat

Vermoedelijk speelde de Amsterdamse vluchtelingenadvocaat Maurits van Voolen een rol bij de vestiging van de verschillende gezinsleden en verwanten in Zaandam. Politicoloog Rosenbaum was cliënt en vriend. Van Voolen zou medewerker worden van de Joodsche Raad en Rosenbaum zou deze raad in Zaandam gaan vertegenwoordigen.

Chemicos

Georg bouwde in de tuin achter zijn huis een werkplaats voor de fabricage van lotions, parfum, brillantine en andere cosmetica en noemde het Chemicos. Alcohol betrok hij bij Polak & Schwarz*. De zaken gingen redelijk, maar Georg Rosenbaum was volgens zijn zoon geen goed econoom.

Synagogebestuur

In een Zaandamse gemeentegids uit september 1939 staat ‘Dr. G. Rosenbohm’ genoemd als penningmeester der Nederlands-Israëlitische Gemeente Zaandam. In 1940 was hij vice-voorzitter en parnas.3 Hij was een van de drie buitenlandse joden die deel uitmaakten van het comité dat eind 1939/begin 1940 het 75-jarig bestaan van de synagoge voorbereidde.

Joodsch Zaandam

Rosenbaum schreef een bijdrage in twee nummers van het contactorgaan Joodsch Zaandam. In het nummer van september 1939 plaatste hij een overdenking in het Duits: “Eín Glaube, eín Schicksal, eíne Gemeinschaft”, oftewel ‘Eén geloof, één lot, één gemeenschap’. Zijn tweede bijdrage was in het Nederlands.

Betreurenswaardig

De doctor in de politieke wetenschappen Rosenbaum is in zijn stukken uitgesprokener over de dreigende situatie voor de joden dan opperrabbijn Ph. Frank en gazan Philipson*. In 1939 schreef hij: “Ein Schicksal (…) Wir selbst verkörpern einen bedauerlichen Zeitabschnitt jüdischer Geschichte. Innerlich und äuszerlich muszten wir uns umstellen, um auf gastfreien Boden ein neues Zuhause und eine neue Existenz zu erringen.” (“Eén lot (…) Wij zelf vertegenwoordigen een betreurenswaardige periode van de joodse geschiedenis. We hebben innerlijk en uiterlijk ingrijpend om moeten schakelen, om op gastvrije bodem een nieuw thuis en een nieuw bestaan te kunnen bevechten.”)

Je Maintiendrai

In het derde nummer hangt hij zijn overdenking op aan de wapenspreuk ‘Je Maintiendrai’. “‘Ik zal handhaven’ zijn de woorden die in de Fransche taal bij het Nederlandsche wapen staan, woorden, die een waarborg inhouden voor de eenheid en vrijheid van alle burgers van het Koninkrijk der Nederlanden. Dit geldt ook voor de Joodsche bewoners, die er zich hier in verheugen, hun Godsdienst vrij uit te kunnen oefenen en als volwaardige leden der maatschappij beschouwd te worden.” Het handhaven zou van korte duur blijken te zijn.

Oorlog

De familie Rosenbaum leed als gevolg van de Duitse inval onder dezelfde vernederingen als de andere joodse Zaankanters en had daarnaast last van de maatregelen tegen Duitse vluchtelingen. Op 25 november 1941 werd hun de Duitse nationaliteit en hun vermogen ontnomen. Een maand eerder was Chemicos aangemeld bij de Wirtschaftsprüfstelle en een jaar later ‘geariseerd’. Als Verwalter (zaakwaarnemer) werd C.O. Ullrich aangewezen, die meerdere Zaanse bedrijven beheerde.

Lees meer

‘Evacuatie’-post

Georg Rosenbaum werd vertegenwoordiger van de Joodsche Raad in Zaandam. Mede in zijn naam werd op donderdag 15 januari 1942 een brief bezorgd bij de joodse gezinshoofden van Zaandam: de volgende morgen moesten zij in de kerkenraadskamer van de synagoge opgeven waar zij eventueel in Amsterdam onderdak zouden vinden, en welke gezinsleden eventueel ziek waren.4 Als er onvervoerbare zieken waren, en als men onderdak had buiten de twee joodse wijken, dan moest men dat nog die middag (met doktersattest) opgeven bij de secretaris van de joodse gemeente, Arnold Vet*. Op vrijdag 16 januari 1942 kwam er een tweede brief.5 Tegen de eerdere mededelingen in gingen de niet-Nederlandse joden niet naar Amsterdam, maar naar Westerbork. Ze moesten vanaf zaterdagmorgen 8.00 uur klaar staan. Hun paspoorten en verblijfsvergunningen behoorden ze nog op vrijdagmiddag in te leveren bij dr. G. Rosenbaum. Zaterdagmorgen werd medegedeeld dat de overbrenging naar Westerbork op maandag zou zijn. Voor ze vertrokken brachten ze een deel van hun bezittingen onder bij P. Zethoven, die in de Zeemansstraat 1aa woonde. Waarschijnlijk was hij ook degene die het echtpaar Canes en Max Lewin een schuilplaats bood.

Westerbork

Grootmoeder Fabian (76) kon vanwege haar leeftijd naar Amsterdam. Haar zoon zal voor de eventuele attesten hebben gezorgd. De andere leden van het gezin Rosenbaum werden op 3 februari 1942 met de Zaanse groep van 63 vluchtelingen ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Westerbork, allen met als godsdienst ‘Nederlands-Israëlitisch’. Eva, die qua afstamming de minst joodse was, kreeg als tweede naam Sara.6 Op een archieflijst van de gemeente Westerbork uit november 1942 of 1943 staan de gegevens van de persoonsbewijzen van het gezin Rosenbaum, allen met twee grote J’s. Ze zijn uitgereikt in december 1941. Ook bij Johanna staat een J, hoewel zij slechts twee joodse grootouders had. Maar omdat ze met een ‘volle jood’ getrouwd was, gold zij niet als BI (bastaard) of GI (gemengd).7 De gegevens van Eva ontbreken. Het gezin kwam in barak 11 terecht.

Manfred

In het begin van de kamptijd ging het met Manfred bijna mis. Commandant Deppner zette hem op de lijst voor het eerste transport vanuit Nederland naar Auschwitz. Er hadden zich in Amsterdam te weinig opgeroepenen gemeld. Alle ingezetenen van Westerbork die tussen 1902 en 1925 waren geboren werden daarom gekeurd voor ‘Arbeitseinsatz’. 150 van hen werden geselecteerd voor het transport van 15 juli 1942,8 onder wie Manfred. De joodse kampoudste Kurt Schlesinger weigerde echter om Manfred te laten gaan. Hij zou nodig zijn voor werk in het kamp.

Eva

In Westerbork bleek Eva Kohle geen voljood te zijn. Dat is merkwaardig, want zij had een J op haar persoonsbewijs. Eva’s naam kwam niet voor op de eerder genoemde archieflijst. In dezelfde inventarismap9 bevindt zich echter de kopie van een schrijven de dato 5 augustus 1942 van burgemeester J.H.A. Gualthérie van Weezel aan ‘mej. E. Kohle’ (Lager Westerbork, Post Hooghalen No: 1061). Dit betreft haar persoonskaart, waar in Zaandam een J op was gezet. De J betekende dat men minimaal twee, maar in de regel drie of vier joodse grootouders had. Op de rugzijde van het afschrift aan Eva heeft de burgemeester genoteerd dat haar vader Werner Kohle ‘ariër’ en Evangelisch was en haar moeder ‘halfjood’.

Burgemeester

De burgemeester schreef: “Ik deel U mede dat U moet verklaren, zoo mogelijk bewijzen, dat uw grootouders van moederszijde wel of nooit tot de joodsch-kerkelijke gemeente hebben behoord. Eerst hierna zal vak 6 van uw persoonskaart gewijzigd kunnen worden in GI.” Op grond daarvan kon haar een nieuw persoonsbewijs worden gegeven, en zou zij het kamp kunnen verlaten. Een bewijs in dezen was moeilijk, maar verklaren dat een of twee grootouders niet tot de joods-kerkelijke gemeente behoorden leek eenvoudig. Grootvader Pergamenter was weliswaar joods, maar getrouwd met een niet-joodse vrouw. Eva was van zichzelf dus hoogstens ‘kwartjood’.

Definities jood-zijn

Het is overigens de vraag of we hiermee de finesses van het door de staat gereguleerde antisemitisme doorgronden. GI (Gemengd I) stond in principe voor twee joodse grootouders.10 Was bewezen of verklaard dat slechts een van hen joods was, dan zou Eva tot de ‘kwartjoden’ behoren (GII). Verklaarde Eva dat beide grootouders niet-joods waren, dan zou zij zelfs ‘arisch’ kunnen zijn. In ieder geval moest Eva zo veel mogelijk afstand nemen van het voljoodse gezin waarin zij was opgegroeid. Ruim een jaar later werd de afloop duidelijk.

Opheffing bedrijf

In Zaandam had C.O. Ullrich intussen de liquidatie ter hand genomen van Rosenbaums bedrijfje Chemicos. Erg tevreden over hetgeen hij daar aantrof was hij niet. Op 1 mei 1942 klaagde hij in een brief aan Omnia Treuhandgesellschaft: “De aandelen van de vennootschap zijn volledig waardeloos, het voorgeschreven register over de aandeelhouders was niet te vinden.” Hij ondernam zelfs een reis naar Westerbork om meer informatie te vergaren. “Van de Joden kon ik, aangezien ik hen in Westerbork heb verhoord, alleen te weten komen dat Van der Laaken in Amsterdam een deel van de aandelen bezit.” Dat er nog een vordering van 637,22 gulden op Chemicos rustte en het echtpaar Rosenbaum hem had verklaard geen financiën te bezitten beviel Ullrich ook niet. Tot een afhandeling van de zaak kwam hij als gevolg van zijn voortijdig overlijden niet. Zijn opvolger werd Wilma Kretzschmar. Op 29 september 1943 schreef ze aan Omnia Treuhandgesellschaft dat Chemicos al in 1941 geliquideerd en uit het Handelsregister geschreven was. “De Jood Rosenbaum bevindt zich in Westerbork. De woninginrichting werd volgens een notitie van de heer Ullrich inbeslaggenomen en meegenomen en de woning al aan een ander verhuurd.”

Commandant Gemmeker

Het is bijna zeker dat in een passage van Mechanicus’ dagboek over Westerbork Eva Kohle wordt beschreven. Hij beschrijft haar op 6 oktober 1943. Hier is zij ‘Arische’. Het meisje ‘komt voort uit het eerste huwelijk van de vrouw, die met een Ariër is gehuwd geweest. Toen zij eenmaal hier was is dat pas gebleken. Zij heeft de commandant in de zaak gemengd en sedert enkele maanden woont zij thans, van haar ouders gescheiden, als Arische onder de naam van mejuffrouw Kohle in een eenpersoonswoninkje. Joden mogen haar niet bezoeken, haar pleegouders uitgezonderd. Zij krijgt geregeld bezoek van de Obersturmführer, die zich blijkbaar sterk voor haar interesseert en aldus haar eenzaamheid verlicht. Mejuffrouw Hassel [secretaresse van kampcommandant Gemmeker] is dit niet welgevallig’.11

Moeder en stiefvader

Mechanicus schetste volgens haar stiefbroer Manfred de werkelijkheid. Eva woonde apart van het gezin en ontving de kampcommandant. De term ‘pleegouders’ is echter onjuist. Johanna Rosenbaum was Eva’s natuurlijke moeder en niet haar pleegmoeder, zoals ook sommigen in Zaandam dachten.12 Werner Kohle had zijn vrouw bij de geboorte van zijn dochter verlaten. Georg Rosenbaum was evenmin pleegouder, maar stiefvader. Tenslotte, dit was natuurlijk niet pas in Westerbork bekend. Anders had men de naam Eva Kohle niet aan de Weitere Aufstellung toegevoegd. Eva heeft Westerbork in ieder geval legaal verlaten.13 Ze leefde in Amsterdam (in de Euterpestraat) en emigreerde na de oorlog naar de Verenigde Staten. Haar eerste man heette Green, haar tweede echtgenoot Conroy.14

Chef-de-bureau

Georg Rosenbaum kreeg in Lager Westerbork snel toegang tot de kamporganisatie. Hij werd chef-de-bureau (‘plaatsvervangend dienstleider’) van de industriële bedrijven in het kamp, ‘Dienstbereich 12’. Hier werden onder meer batterijen uit elkaar gehaald. Door zijn positie kon hij soms iets voor medegevangenen doen. Een voorbeeld daarvan is het gezin van Voolen-Kastan.

Gezin van Voolen

Het gezin van Voolen15, behalve de vader, maar met beide grootmoeders en een oudtante die bij hen woonden, werd in de grote razzia van 26 mei 1943 aan huis op de Sarphatistraat 25 I en 26 opgepakt. Maurits van Voolen was aan het werk op het kantoor van de Joodsche Raad. Dochter Georgine (1939) put uit de herinneringen van haar moeder, Henrietta (‘Henny’) Kastan. Moeder, Georgine, de negen maanden oude Annelise Julie en de drie oudere dames kwamen diep in de nacht in het kamp aan. Terwijl ze in de rij stonden riep iemand ‘Henrietta’. Het was Georg Rosenbaum, oud-cliënt en vriend van Maurits van Voolen. Hij bracht hen rechtstreeks bij de registratie en nam nog die nacht contact op met de Joodsche Raad om Maurits op te sporen. Maurits was onvindbaar. Dat werd een argument om moeder en dochters op de lijst van Zurückgestellten te krijgen: zolang het gezinshoofd ontbrak zouden zij niet worden gedeporteerd. Beide grootmoeders, Julia van Voolen-Kan en Anna Pezon, en tante Lize Keesing-van Voolen konden hiervan niet profiteren. Op 4 juni 1943 werden zij in Sobibor in de gaskamer vermoord.

Hulp bij ontsnapping

Anneliesje van Voolen kreeg een zware darminfectie, waaraan ze op 1 juli in de ziekenbarak overleed. Ook haar zus Georgine werd ernstig ziek. De Rosenbaums, die als Alte Kamp-Insassen een eigen huisje hadden, waren Henny’s toeverlaat. Middernacht 16 juli stond Georg met twee onbekenden naast haar bed. Ze kon met het zieke kind per trein naar Amsterdam. Kampcommandant Gemmeker was naar zijn wettige vrouw in Duitsland en het kampverzet waagde het erop moeder en dochter Van Voolen mee te smokkelen in de trein die tussen het kamp en de hoofdstad heen en weer pendelde. In Amsterdam kreeg Georgine antibiotica. Ze kwam uiteindelijk in het katholieke ziekenhuis van Sneek terecht.

Hulp bij verblijf

Maurits en Henrietta vonden elkaar, doken onder maar werden op een Hilversums onderduikadres gepakt. Men stuurde hen via de strafgevangenis van Scheveningen naar kamp Vught en (opnieuw) Westerbork. Hier lukte het Rosenbaum om hen, als enigen, van de lijst voor het straftransport halen. Ze waren nodig om te werken in de foliebarak en de lompensortering. Dat was hun werk tot 22 april 1944. Op die dag gingen zij op transport naar Theresienstadt. Het gezin Rosenbaum was toen al gedeporteerd.

Incident

Als dienstleider werd Georg op 6 januari 1944 door plaatsvervangend commandant Van Dam verantwoordelijk gesteld voor de mogelijke vlucht van een personeelslid en persoonlijk door hem naar de strafbarak gevoerd. Daar stond echter wachtmeester der marechaussee De Jong. “Deze vroeg Rosenbaum: ‘Wat komt u hier doen?’ Rosenbaum: ‘Untersturmführer Van Dam heeft mij gearresteerd.’ De Jong: ‘U gaat onmiddellijk naar uw bureau terug.’ Van Dam zwijgt. Rosenbaum af.”16 Er waren dus wrijvingen tussen Rosenbaum en de kampleiding. Manfred denkt dat ook de affaire van de kampcommandant met Georgs stiefdochter en de reactie daarop van mejuffrouw Hassel verhinderd heeft, dat het gezin tot de bevrijding in Westerbork kon blijven. Twaalf dagen na het incident viel het doek. Manfred vertelt dat zijn vader op 18 januari 1944 uit Westerbork vertrok, twee jaar na het gedwongen verlaten van Zaandam.

Deportatie

Op 17 februari 1944 werd Georg Rosenbaum uitgeschreven uit de gemeentelijke registratie te Westerbork. Dat was bijna een maand na zijn feitelijke vertrek. ‘Buitenland, Theresienstadt’ was de bestemming. Johanna Rosenbaum-Pergamenter en Emma Rosenbaum-Fabian maakten deel uit van hetzelfde transport. Mechanicus noteerde op 7 februari 1944: “De alte Kamp-Insassen zijn op een zestigtal na weg; er komen nog slechts Nederlandse Joden, voor het merendeel ondergedokenen, het kamp binnen.” Op dinsdag 18 januari ging een eerste personentrein naar Theresienstadt, op vrijdag 25 februari een tweede, uitgesteld transport.

Manfred

Manfred Rosenbaum verliet Westerbork op 1 februari 1944. Hij reisde naar Bergen-Belsen. Dankzij zijn moeder Lotti David en de Engelse autoriteiten had hij een eersteklas Palestina-certificaat en kon hij terecht in het Sternlager van Bergen-Belsen. Dat was bedoeld voor gevangenenruil. Zijn plaats op de Bergen-Belsenlijst was al eerder geregeld. Toen bleek dat de andere leden van de familie naar Theresienstadt moesten, is nog getracht, ook via Eva, van bestemming te veranderen. Eenmaal in Bergen-Belsen werd de 20-jarige Manfred zowel te oud als te jong geacht voor ruiloperaties met de Engelsen.

Theresienstadt

Emma Rosenbaum-Fabian (80) bleef tot de bevrijding van het kamp, op 7 mei 1945, in Theresienstadt. Georg en Johanna Rosenbaum werden met drieduizend andere Nederlandse joden tegen de beloftes in naar Auschwitz doorgestuurd. Een dag na het Jom Kippoer-feest, op 28 september 1944, vertrok het eerste transport voor de ‘Arbeitseinsatz’ in de omgeving van Berlijn, met mannen tot 60 jaar. Daaronder bevonden zich ook zieken. In de dagen daarna volgden er meer transporten, het derde al met vrouwen. De treinen stopten niet in Berlijn, maar in Auschwitz-Birkenau.17 Van de overgebleven Zaanse gevangenen moesten er dertig Theresienstadt verlaten. Zestien van hen werden direct vergast, dertien werden naar andere kampen gestuurd, een werd in Auschwitz bevrijd. Het echtpaar van Voolen was op 24 april in het kamp gekomen en Maurits ging mee met de eerste mannentransporten. Henny, die op de ziekenlijst stond, volgde op 22 oktober.

Auschwitz

Johanna Rosenbaum-Pergamenter (42) vertelde na aankomst van haar transport dat ze ziek was, in de hoop op een betere behandeling. Ze wist niet wat dit voor de selectie betekende en werd onmiddellijk omgebracht in de gaskamers van Auschwitz. Dat gebeurde op 6 oktober 1944.

Dodenmars

Georg Rosenbaum ging vermoedelijk een paar dagen eerder dan zijn echtgenote weg uit Theresienstadt. Hij werd in Auschwitz geselecteerd voor ‘werk’. Al vanaf augustus 1944 was de SS bezig het reusachtige kamp te evacueren, vanwege de nadering van Sovjet-troepen. Per trein, te voet of op gecombineerde wijze werden ongeveer 120.000 gevangenen onder erbarmelijke omstandigheden de resten van het Duitse Rijk ingestuurd. Ze moesten naar andere kampen. De grootste groep, zestig- tot negentigduizend gevangenen, werd tussen 17 en 19 januari 1945 op dodenmars gezonden.18

Bergen-Belsen

Georg Rosenbaum werd van Auschwitz via allerlei omwegen naar het vele honderden kilometers westelijk gelegen Bergen-Belsen vervoerd en/of gedreven. Dit was inmiddels opvangbekken geworden voor tienduizenden zieken en geëvacueerden. Zijn zoon Manfred was vanuit Westerbork in het Sternlager van Bergen-Belsen terechtgekomen. Van de joodse groepsoudste Joep Weiss hoorde hij dat zijn vader zou komen. Maar de conditie van de overlevenden van de dodenmars was zo slecht dat hij zijn vader, die in het Häftlingslager achter prikkeldraad zat, niet herkende. Georg Rosenbaum (46) kwam 2,5 week voor de bevrijding van Bergen-Belsen om het leven, op 31 maart 1945. Pas negen jaar later werd in Zaandam een overlijdensbericht opgemaakt.

The lost train

Manfred zat in de Nederlandse afdeling van het Sternlager (het Holländerkamp). Hij doorstond de ontberingen en werd gezond genoeg geacht om mee te gaan met de ontruiming, die ook in Bergen-Belsen werd toegepast. Er gingen drie treintransporten. Manfred maakte samen met de familie Führer* de reis mee van de derde trein, die dinsdagnacht 10 april uit Bergen-Belsen vertrok. Ongeveer 2500 ernstig verzwakte joodse gevangenen reden ermee door de resten van Hitler-Duitsland. De eerste trein kwam terecht in Maagdenburg, de tweede in Theresienstadt en de derde raakte verloren. Men sprak van de ‘lost train’. Gelukkig stond de trein soms stil, zodat de meest gezonde passagiers eten en drinken konden zoeken. Veel passagiers leden aan vlektyfus. Een aantal stierf, maar minder dan bij andere dodenmarsen. Op 23 april 1945 stopte de trein. Het was in het dorpje Tröbitz, 60 kilometer van Leipzig. Daar waren Russische bevrijders. De meeste inzittenden moesten worden verpleegd. Manfred werd in Leipzig verzorgd, dat toen in Amerikaanse handen was. Na twee maanden waren volgens de schatting van Judenälteste Joep Weiss van de 2500 oorspronkelijke reizigers nog 1900 mensen in leven.19

Terugkeer

Manfred keerde met zijn groep van achttien joodse kampoverlevenden terug naar Nederland. De ontvangst aan de grens bij Valkenburg was voor hem de meest bittere ervaring uit zijn leven. Hem werd gevraagd of hij Duitser en jood was, en of hij geld had. Hij zei in vertrouwen steeds ‘ja’. Het geld dat zijn vader in Westerbork in Manfreds jas had laten naaien, duizend gulden, werd hem afgepakt. De Nederlandse kampcommandant20 liet hem en de andere kampslachtoffers vervolgens als Duitsers gevangen zetten. Hij koos daarvoor het kamp ‘Voor galg en rad’ in het dorpje Vilt. Het stond de opgesloten nazi’s vrij om de joden te terroriseren. De kwelling duurde acht dagen. Toen wist een van de groepsleden Den Haag te alarmeren.

Kamp ‘Voor galg en rad’

De historica Dienke Hondius beschreef deze gebeurtenis uitgebreid in haar boek Terugkeer: antisemitisme in Nederland rond de bevrijding.21 De groep uit Tröbitz werd op 23 juni 1945 ingeschreven en medisch gekeurd in Maastricht.22 Twee dagen later moesten achttien van hen naar het interneringskamp in Vilt. Er kwamen in die maanden veel repatrianten uit Duitsland en Polen naar Zuid-Limburg. Zij werden in scholen en kloosters opgevangen, maar er was niet altijd plaats. ‘Voor galg en rad’ herbergde SS’ers en NSB’ers. Het kende een streng regime. De gevangenen moesten in een grintafgraving werken.

Gevangen

De achttien joodse repatrianten werden gedeeltelijk volgens het kampreglement behandeld. Op de eerste dag werden hun levensmiddelen en rookartikelen afgenomen. Na protest van advocaat Isaac de Vries, die als Nederlandse repatriant in het kamp kwam, werd de inbeslagname ongedaan gemaakt. Het kampregime voorzag echter ook in exercities en oefeningen. Een van de repatrianten moest kniebuigingen maken en werd geslagen toen hij niet genoeg deed. Daarop protesteerden de anderen. Kamphoofd no. 66 besloot daarop de groep te beschouwen als gewone gevangenen. De teruggegeven bezittingen werden opnieuw in beslag genomen en de het kamphoofd haalde de kapitein (Hondius noemt hem X) erbij. Die verklaarde: “Ik ben geen jodenvriend en dat zullen jullie trouwens ook wel vlug merken.”23 De joodse mannen moesten alle resterende bagage en kleding afgeven. Er was driemaal daags appèl en op het buitenterrein vonden strafexercities plaats. Achter het hek stonden inwoners van het dorp die de groep, SS’ers en NSB’ers immers, bespotten en uitscholden voor ‘vuile landverraders’. Na vijf dagen in Vilt werden de achttien mannen vrijgelaten en naar klooster Mamelis bij Vaals gestuurd. Alle ingeleverde kleding, levensmiddelen en rookartikelen bleken verdwenen.

Militair Gezag

Uit de correspondentie in de maanden hierna tussen advocaat Isaac de Vries en het Militair Gezag in Den Haag blijkt dat kapitein X van het Korps Grensbewaking de groep joodse mannen niet als repatrianten beschouwde. Hij ging er bovendien vanuit dat ze voor mei 1940 geen legale verblijfplaats in Nederland hadden. Daarnaast had hij zich geërgerd aan de ‘verbazingwekkende omvang van hun bagage’, terwijl de mannen zich wel beriepen op hun verblijf in een concentratiekamp. Op de eerste dag van hun verblijf in het kamp had zich een ‘krachtproef’ voorgedaan, ‘tussen mij en sergeant Y enerzijds en de genoemde Joden anderzijds, die jarenlang in een KZ heetten te zijn geweest’ en nu probeerden ‘ons gezag in het kamp te kunnen trachten aantasten’. Toen zij het kampreglement braken, werden daarom alle ‘gunsten’ ingetrokken. In de joodse groep zat ook de eerder genoemde Joep Weiss. Hij had als Judenälteste belangrijk materiaal bij zich, waaronder gevangenenlijsten. Hij had echter nooit de gelegenheid gekregen om de gegevens aan het Militair Gezag over te dragen.

Antisemitisme

Op 19 december 1945 was er een gesprek tussen Van Everdingen, commandant der grensbewaking, kapitein X, sergeant Y, en twee mensen van de joodse groep, onder wie Joep Weiss.24 De commandant ging niet akkoord met het optreden van de kapitein en wilde een schadevergoeding regelen. De kapitein ergerde zich aan het ‘Duitse’ optreden van Weiss. Hij verklaarde op dit punt nog eens: “Ten eerste zijn jullie Duitsers, ten tweede Joden.” Uiteindelijk kregen de slachtoffers wel enige schadevergoeding, maar Joep Weiss vroeg zich af: “Moet dan een jood zonder hoofd aankomen om te laten zien dat hij in een concentratiekamp was?” Hij concludeerde in een afsluitende brief dat de hele behandeling in Vilt op zuiver antisemitisme berustte.

Zaandam

Manfred ging naar Amsterdam, naar zijn stiefzus Eva. Zij woonde in de Euterpestraat (de latere Gerrit van der Veenstraat). Korte tijd verbleef hij ook in Zaandam, bij zijn oom Werner Pergamenter*. Toen hij naar de mensen ging die zijn fiets en een paar andere spullen zouden bewaren, kreeg hij alleen te horen: “Ben je teruggekomen?!” Het sterkte hem in zijn wens zo snel mogelijk naar zijn moeder in Palestina te gaan. Zij was daar getrouwd met dr. Urbach, een tandarts. Op 23 april 1946, een jaar na de bevrijding in Tröbitz, kwam Manfred Rosenbaum aan in Haifa.

Emma Rosenbaum

Grootmoeder Rosenbaum kwam levend terug uit Theresienstadt. Zij vond onderdak in de Joodsche Invalide in Amsterdam, waarschijnlijk haar laatste adres vóór Westerbork. Ze had het niet breed. Dat blijkt mede uit bewaard gebleven correspondentie. In het voorjaar van 1948 schreef haar kleinzoon Manfred haar vanuit Israël over teruggave van bezit van haar zoon Georg. De echtgenoot van Barbara Petersen*, Gert Vollmann, werd in 1948 bewindvoerder voor haar. Gert Vollmann vroeg bij het bureau Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat (LVVS) het relatief kleine bedrag van 11,96 gulden terug uit het voormalige bezit van de familie Rosenbaum. Vollmann legde uit dat Emma’s zoon Georg niet was teruggekomen en dat mevrouw Rosenbaum ‘in zeer behoeftige omstandigheden leefde’. Het antwoord van het bureau is niet bekend. De LVVS was de rechtsopvolger van Lippmann, Rosenthal & Co (Liro), de bank die door de nazi’s werd gebruikt om geroofd joods vermogen onder te brengen. Vier jaar na deze episode, op 88-jarige leeftijd,emigreerde Emma Rosenbaum naar Israël, om zich bij haar kleinzoon en diens moeder te voegen.

Verwanten en vrienden

Werner en Marie Pergamenter* emigreerden naar Fort Lauderdale in de Verenigde Staten.

Maurits van Voolen kwam vanuit Auschwitz in commando Kaufring bij Dachau terecht, waar hij op 9 januari 1945 overleed. Zijn vrouw Henrietta was drie dagen na aankomst in Auschwitz met 100 andere vrouwen te werk gesteld in een munitiefabriek tussen Chemnitz en Dresden. Ze overleefde er tot de opmars van het Rode Leger hen weer in Theresienstadt deed belanden, waar ze, evenals Emma Rosenbaum, bevrijd werd. Georgine van Voolen overleefde in het Sneekse Antoniusziekenhuis.