Rozenszajn-Korn (Fajga)

Laatste wijziging: 2 mei 2016

Fajga Rozenszajn-Korn (Pabianice, 10-5-1906 – Auschwitz?, 7-7-1944?)1 en haar zoon Leo (‘Mozes’) Rozenszajn (Duisburg, 13-3-1935 – Auschwitz, 7-7-1944)2

Fajga Korn werd geboren in Polen, niet ver van Lodz. Haar echtgenoot was Jacob (Jakob) David Rosenszajn (Kaluszyn/Lodz3, 25-5-1896). Ze waren op 30-6-1933 in Keulen getrouwd. Twee jaar later, toen Leo werd geboren, woonden ze in Duisburg. Volgens het verblijfsregister kwam Fajga Rozenszajn op 16-7-1939 vanuit Duitsland naar Oostzaan, en haar zoontje op 19-8-1940 vanuit Amsterdam. Jacob verbleef volgens het Gemeentearchief in een kamp (Hoek van Holland), geheel volgens de regeringspolitiek.

Uit elkaar

Uit enkele bewaard gebleven brieven blijkt echter dat Leo en zijn vader al in 1938 naar Nederland kwamen. Op 18-12-1938 werden zij opgenomen in de Amsterdamse ‘Quarantaine-Inrichting’, die aan de Zeeburgerdijk 321 gevestigd was. Dit noodziekenhuis werd lange tijd voor lijders aan besmettelijke ziekten gebruikt, en later voor ontluizing van nieuw aangekomen vluchtelingen. Een maand later werd Leo overgeplaatst naar het joodse (‘Israëlitische’) weeshuis in Rotterdam, Megadle Jetomiem, dat was aangewezen als een van de 25 opvangplekken voor vluchtelingen en hun kinderen. Jacob werd opgesloten in het overvolle Huis van Bewaring aan de Weteringschans in de hoofdstad.

Gevangenisbrief

Vanuit zijn cel vocht Jacob er voor dat zijn zoontje, hijzelf en zo mogelijk ook zijn vrouw een beter lot kregen. Hij stuurde op 23-1-1939 in een met Jiddisch en Nederlands vermengd Duits een brief aan de ‘hochwoll geboren heer’ S.J. Kopelman -Jacob schreef abusievelijk Koppelman. Die was directeur van het Rotterdamse joodse weeshuis en had Rozenszajn laten weten dat diens zoon daar was opgenomen. Hij gebruikte officieel gevangenispapier, referentienummer C.3/3-pas. Allereerst bedankte hij de heer Kopelman voor dat levensbericht. “Heute Muntag habe ich ihren lbn [lieben] Brief mit gewein erhalten. Sie haben mich bei meinem Leben erhalten.” Vervolgens vroeg hij de directeur om goed voor de kleine Leo te zorgen. “Die Haupsache: wen das libe Leolein gesundheit behält.”

Lot

Hierna beklaagde Jacob zijn lot: “Ich habe zo elend hier ganz aleine, kein mensch kommt zu mir”, en vroeg hij de directeur of die ‘feleich’ [vielleicht] iemand van het Vluchtelingencomité of een advocaat kende. Hij was immers een immigrant en had dus ‘nakenden Leben mit meinem lbn Knd [Kind] gerettet’. Nu was hij zonder middelen en zonder bezoek. Hij hoopte dat de directeur hem kon helpen. Hij vroeg hem met name naar een ‘heer van Justitie’ te schrijven, vermoedelijk voor een verblijfsvergunning, en verwees naar een bijgevoegd formulier. Hij wilde hier alleen tijdelijk blijven; ze waren op doorreis: “Wir besizen Papire und Schifskarte für Amrika, nur das Visum fehlt uns.”

Lees meer

Gezinshereniging

Op een tweede velletje van het gevangenispapier schreef Jacob eerst over zijn schaamte om in een gevangenis te zijn. “Globen sie es mir ich habe dass erste mahl in mein Leben assowas angesegen. Wo ich jetzt drin bin Warum ich hierbin ich Weiss es nicht Ich bin ein Vluchteling.” Daarna bracht hij het ontbrekende gezinslid ter sprake, zijn vrouw Fajga. Kon de directeur haar een brief schrijven? “Sie werden bestimmt eine grosse mizwe’ [door God te belonen daad] sich koffen.” Haar adres was: G. Gutsche, Plac Wolnosci 1 [Plein van de Vrijheid], Zbaszyn in Polen. Die naam zal bij het weeshuis bekend zijn geweest.

‘Polenaktion’

Zbaszyn ligt aan de toenmalige Duits-Poolse grens en is de stad waar de meeste Poolse joden terechtkwamen die op 27-10-1938 door de Duitse autoriteiten het land uit werden gezet. Ze werden door de Poolse autoriteiten echter evenmin geaccepteerd en verbleven feitelijk in een ‘niemandsland’. De Duitse actie tegen ‘Ostjuden’ met een Pools, nog te verlengen paspoort had de naam ‘Polenaktion’ en trof 17.000 mensen. Daar waren ook rond de 160 Poolse joden uit Duisburg bij, de plaats waar Leo geboren werd. Of zij daar nog woonde of niet, Fajga Rozenszajn was blijkbaar tijdens deze actie opgepakt en naar het ‘niemandsland’ Zbaszyn gedeporteerd, terwijl haar man en zoon er aan ontkwamen.

Kristallnacht

Kort hierna, op 9 november, brak als vergelding voor de moord op een Duitse diplomaat in Parijs het geweld van de Kristallnacht uit, die zich tegen alle Duitse joden richtte. De aanslag op diplomaat Ernst vom Rath werd echter gepleegd door Herschel Grynszpan, wiens ouders onder erbarmelijke omstandigheden in Zbaszyn zaten. Duitse joden met een Poolse achtergrond liepen nu nog meer gevaar. Jacob Rozenszajn vluchtte met zijn zoontje Leo en met drie tickets voor Amerika naar Nederland.

Fater Jakob

Jacob sloot zijn brief aan directeur Kopelman af met een paar regels die hij aan zijn zoon moest voorlezen: “Mein lieb Knd [Kind] Leolein, sei Lieb un praf [braf] un hoch sam [gehorsam] von deinen lb [lieben] mitfählenden Herrschaften A.J. Koppelmann. Sei herzlich gegrüsst un geküsst von dein unschuldigen Fater Jakob – un [ent]schuldigen mein schlechte Schreiben.” Daaronder stond nog ‘Berake. 9’. Een barak, een zegenbede?

Onderzoek

De brief van Jacob had effect. Het netwerk dat rond joodse vluchtelingen was opgebouwd functioneerde goed. Iemand van het Israëlitisch Weeshuis, vermoedelijk secretaris L. Wijler, belde op 24 januari met de Rotterdamse jurist en rechter M. Franken. Die op zijn beurt belde de Amsterdamse privaatdocent prof. dr. Izaak Kisch. Kisch nam contact op met de zoon van opperrabbijn Vredenburg, die belast was met het pastorale werk in het Huis van Bewaring Weteringschans. De volgende dag schreef Kisch aan Franken dat Izak Vredenburg, adjunct-rabbijn, het ‘geval-Rosenschein van haver tot gort kent’ en ‘gezien de gemoedstoestand van den patiënt’ een verzoek tot overplaatsing naar een vluchtelingenkamp ondersteunde. Het lijkt niet denkbeeldig dat de adjunct-rabbijn Rozenszajn ook bij het opstellen van zijn brief heeft ondersteund. Kisch raadde verder aan het verzoek in te dienen bij procureur-generaal Harinxma Thoe Slooten.

Jurist

De heer Wijler had nu opnieuw contact met mr. Franken. Die adviseerde hem om eerst een jurist met Rozenszajn te laten spreken, iets waar deze overigens zelf ook om vroeg, en daarna de zaak over te dragen aan het Amsterdamse Comité voor Joodse Vluchtelingen. Hij beval de advocaten J. Gans en K. Edersheim aan, die vlakbij de gevangenis kantoor hielden, op Weteringschans 84. Op 26 januari legde de secretaris de heren schriftelijk de benarde situatie van zowel Jacob als Fajga Rozenszajn voor en vroeg hen iemand naar de betrokkene te sturen en te onderzoeken ‘wat er eigenlijk is gebeurd’.

Vluchtelingenkamp

In het Dokin-dossier bevindt zich nog één brief, van een maand later. De Amsterdamse hoofdcommissaris van politie richtte zich hierin op 28-2-1939 tot de minister van Binnenlandse Zaken. Daarin deelde hij mee dat de vreemdeling Jakob Razenszajn na een schrijven van de procureur-generaal en een telefoongesprek met het Bureau voor Vluchtelingen van het departement op 24 februari was overgebracht naar het kamp voor illegaal binnengekomen vluchtelingen in Hoek van Holland. Geen verblijfsvergunning dus, maar wel beter dan een gevangenis. Hoek van Hollands was ook de plek waar vandaan emigrantenschepen richting Amerika voeren, en daarmee mogelijk een plek van hoop. In juli 1939 kreeg Fajga toestemming om ook naar Nederland te komen. Het Comité voor Joodse Vluchtelingen en zijn uitgebreide netwerk hadden, hoe relatief ook, Jacobs brief met succes afgehandeld.

Leo

Leo Rozenszajn mocht niet direct naar zijn moeder – wat je eigenlijk zou verwachten. Op 15-10-1939 werd hij van het Rotterdamse weeshuis overgeplaatst naar Huis ten Vijver, Dwarsweg 3 in Scheveningen. Dit was gebouwd als een monumentaal buitenverblijf voor het echtpaar Kröller-Müller en werd door de latere eigenaar Edelstein ter beschikking gesteld aan vluchtelingenkinderen uit Duitsland en Oostenrijk. De nazi-bezetting maakte daar een eind aan en op 1-6-1940 moest Leo naar het Joods jongensweeshuis aan de Amstel 21 in Amsterdam. Ook was hij nog geregisteerd op de Oostelijke Handelskade 12 te Amsterdam, in het zogenaamde Lloyd-Hotel. Dat was vanaf 1938 voor de opvang van Oost-Europese vluchtelingen in gebruik. Leo kwam steeds dichter bij Oostzaan, zodat bezoek van en aan zijn moeder wellicht mogelijk werd. Op 19-8-1940, na precies negentien maanden verblijf in twee weeshuizen, en kindertehuis en een opvangcentrum, kon Leo bij zijn moeder wonen.

Honigstraat

Het eerste Oostzaanse adres van Fajga Rozenszajn was de Jacob Honigstraat 48. Het was om de hoek bij twee bekende panden met joodse bewoners, Zuideinde 443 en 447. Op 18 april 1939 was Hedwig Jonas-Gans uit Westfalen op de Jacob Honigstraat 48 komen wonen. Zij emigreerde op 17 december naar de Verenigde Staten. Per 13 oktober 1939 woonde ook het echtpaar Sternlicht-Teichner uit het Poolse Sieniawa er. Hun drie kinderen Cachin, Bernard en Jakob Abraham waren mogelijk vooruit gestuurd en zaten in een Nederlands weeshuis. Hun situatie zal verder vergelijkbaar zijn geweest met die van Leo Rozenszajn.  Jozef Sternlicht moest direct na het vertrek van zijn huisgenote, op 19-12-1939, naar het kamp Hoek van Holland. Estera Teichner bleef in Oostzaan tot na de Duitse overval op Nederland. Achter haar naam staat op 13 mei 1940 geschreven: “Engeland.” Bekend is dat zij daar inderdaad twee dagen later vanuit IJmuiden heenging. De drie kinderen zaten in die tijd in het Amsterdamse Burgerweeshuis en konden op dezelfde dag met de SS Bodegraven uit IJmuiden naar Engeland vertrekken. Britse troepen vluchtten op 14-5-1940 en namen Duitse krijgsgevangenen en Nederlandse vluchtelingen mee. Voor de 113 bewoners van kamp Hoek van Holland, voornamelijk joodse mannen en een aantal Duitse deserteurs, ‘was geen plaats’ op de Engelse schepen. Jozef Sternlicht werd met de andere kampbewoners op 19 mei met onbekende bestemming afgevoerd. Hij stierf op een onbekende datum in het concentratiekamp Gross Rosen. Het Comité voor Joodse Vluchtelingen meldde de burgemeester op 29-5-1940 dat vrouw en kinderen Sternlicht in Engeland waren.4

Noord-Amerika

Fajga Rozenszajn komt voor in het Oostzaanse dossier van Estera Teichner. Burgemeester Zigeler schreef op 4 december 1939 aan het ministerie van Justitie, afdeling Vreemdelingenzaken. Hij maakte duidelijk waarom hij mevrouw Rozenszajn een tijdelijke vergunning wilde verlenen. Zij deed volgens hem pogingen om te emigreren, en had een al betaalde passage op de Red Star Line, een bekende scheepvaartlijn tussen Europa en Noord- en Zuid-Amerika. Zij werd bovendien ondersteund door het Amsterdamse Comité voor Joodsche Vluchtelingen. Dit had op 30 november aan Zigeler laten weten dat Fajga’s man in het kamp Hoek van Holland zat en haar zoontje Leo in een kinderhuis in Loosduinen. Het comité meldde ook dat emigratie naar de Verenigde Staten mogelijk was, maar dat het tijdstip van vertrek tussen een dag en een jaar later kon liggen.

Zuideinde

Een half jaar na dit schrijven viel het Duitse leger Nederland binnen. Vertrek naar overzee (zoals de Sternlichts nog gelukt was) werd bijna onmogelijk. Fajga verhuisde vermoedelijk in mei 1940 naar Zuideinde 443. Het adres Jacob Honigstraat 48 werd toen niet meer voor vluchtelingen gebruikt. In de nieuwe woning woonden de weduwe Eisner-Warschauer*, het echtpaar Freund-Pelziger* en Laszlo Pollak*. Het is overigens mogelijk dat Fajga feitelijk in het buurhuis op nummer 441 verbleef.5

Foto

De foto van Fajga Rozenszajn met twee buurkinderen is gemaakt in de voortuin van een huis recht tegenover de woning van de familie Braan-Bakels A191f, vermoedelijk Zuideinde 441. Hij moet voor 19-8-1940 zijn gemaakt, want Leo staat er niet op. Mevrouw Rozenszajn draagt een hooggesloten, elegante jurk tot op de knie, met borduursel rond de hals en het middel. Het haar is opgemaakt. Ze draagt zijden kousen. De kinderen dragen zomerse kleding. De jongen heet Bertus (geboren in 1934), zoon van Jan Braan en Wil Bakels, het meisje is zijn nichtje en heet Lia Bakels, de huidige mevrouw Steinvoorte-Bakels (geboren in 1934). Zij woonde in Amsterdam, in de Czaar Peterstraat. Haar moeder had een drogisterij, haar vader werkte als schilder en foto-ontwikkelaar. Lia logeerde vaak bij haar tante en ook bij haar grootouders Lambertus Bakels en Marie Rijnders. Zij woonden in de Jacob Honigstraat (nummer 3 en 38). Opa Bakels was fotograaf en zijn zoons hielpen wel eens mee. Op een zonnige dag in de zomer van 1940 waren de oudste en de jongste zoon, Lambertus jr. en Joop Bakels, in de buurt aan het fotograferen, met een klapcamera. Lia speelde met haar neef Bertus op straat. Fajga stond, zoals vaker, in de voortuin. Joop (geboren in 1920) vond het leuk van haar een foto te maken en riep de kinderen erbij. “Lia, Bertus, gaan jullie nou bij haar staan!” Er was toen in Oostzaan geen (bewustzijn van) gevaar. Fajga zag er bovendien niet joods uit.

Zuiderschool

Leo werd op 13-3-1941 6 jaar. Misschien vanaf die dag, of al eerder, kreeg hij onderwijs op de vlakbij gelegen Zuiderschool (Zuideinde). Hij kreeg er les tot het moment dat joodse leerlingen niet langer tussen ‘arische’ scholieren mochten verblijven, 1-9-1941. Zijn klasgenoot Simon de Joode herinnert zich dat Leo in de oorlog een schuilnaam kreeg: Leo Oostenrijk. Het jonge vluchtelingetje deed ook mee in de buurt. De Oostzaanse H. Abbring-Evers (1918) woonde in de oorlogf schuin tegenover Zuideinde 443. Bij een Sinterklaasfeest, waarschijnlijk in 1940, speelde zij voor Sinterklaas. Ze had haar eigen bruidsjurk van een kruis voorzien en een mijter met baard en snor opgezet. Leo moest van Sinterklaas een liedje zingen en zong: “In een vliegmachien, in een vliegmachien, kan je hele hoge bergen zien.”

Aanmelding

In februari 1941 vulde Fajga Rozenszajn-Korn voor zichzelf en haar zoontje de aanmeldingsformulieren in waarmee beiden naar de nazi-definitie voljoods werden. Op 16 september van dat jaar kreeg ze vergunning om met Leo bij haar man in Westerbork op bezoek te gaan. De reis werd geregeld door de Joodsche Raad en zou tussen 19 en 24 september plaatsvinden. Fajga vroeg vervolgens overplaatsing aan naar Westerbork. Het kamp had plaatsgebrek voor gezinnen, zodat Fajga en Leo niet voor gezinshereniging in aanmerking kwamen. Het verzoek werd op 16 oktober afgewezen. Een half jaar later moesten zij naar de hoofdstad ‘evacueren’.

Deportatie

Op 9-4-1942 meldde Rozenszajn zich vanaf haar nieuwe adres aan de Oude Schans bij de Amsterdamse politie. Die vroeg de collega’s in Oostzaan of er een dagelijkse meldingsplicht gold. In Oostzaan lijkt daar geen sprake van te zijn geweest. Op een gegeven moment kregen moeder en kind een oproep voor Westerbork, waar Jacob Rozenszajn al was. Eindelijk, maar in onheilspellende omstandigheden, was het gezin herenigd. Leo Rozenszajn werd op 18-1-1944 naar Theresienstadt vervoerd en van daar naar Auschwitz. Zijn moeder zal bij hem zijn geweest.

Overlijden

Van het overlijden van Fajga Rozenszajn-Korn (38) is op de Holocaustsites ‘officieel niets bekend’. Leo Rozenszajn (9) kwam op 7 juli 1944 om het leven in concentratiekamp Auschwitz. Onder de naam Fajga Korn (Pabjanice), met verder dezelfde persoonsgegevens als Fajga Rozenszajn-Korn, vermelden de websites van de Oorlogsgravenstichting en In Memoriam echter het overlijden in Auschwitz op dezelfde dag dat Leo stierf. Volgens de eerstgenoemde site bezweek Jacob David Rozenszajn ergens in Midden-Europa. In Memoriam en het Joods Monument schrijven dat dit 3 juli 1944 was, vier dagen voor zijn vrouw en kind.

Bekenden

Op de Oude Schans 3 I stonden in februari 1941 de Hongaarse kunstschilder Arpad Ignacz Neumann (Boedapest, 1900), zijn Poolse vrouw Chana Gorzyczanska (Sandomierz, 1906) en hun in Amsterdam geboren dochter Josephine Rachel (1934) geregistreerd. Moeder en dochter werden op 28 september 1942 in Auschwitz vermoord. Arpad Neumann stierf vier maanden later in hetzelfde kamp, op 31 januari 1943.