Ruben/Ben

Laatste wijziging: 2 mei 2016

Ruben (‘Ben’)1

Nathan* en Dien Bosboom verborgen in hun woning aan de Czaar Peterstraat 68 de joodse Ruben. Het gezin had de hele oorlog door onderduikers en fungeerde als opvangadres (zie ook Greetje Bosboom*). Langer dan zes weken bleef men niet. Nathans broer Piet had behoefte aan betrouwbare adressen. Hij bouwde een schuilplaats in het huis en zorgde voor extra bonnen. Zo nodig zocht Nathan, die ook veel weg was om aan geld en eten te komen, zelf een ander adres. Zijn zoon Adriaan beschrijft in zijn boek Nathan Nussbaum twee schuilplaatsen. Een bevond zich in het hok waar het wc-tonnetje stond: een kruipruimte achter een uitneembaar schot. De andere was achter een schuin schot op zolder. “Het was een ruimte, waar je net aan in staan kon en zonder enige ventilatie. Hoewel dit hok zich op de eerste verdieping bevond, noemden wij het altijd de schuilkelder. Lang kon je het er niet in uithouden. Er hing een rare lucht, benauwend en zuur.”2

Razzia

Nathans zoon Adriaan schrijft over Ruben: “Er is een razzia bij ons in de straat. Huis na huis wordt bezocht en mannen zonder geldige papieren worden opgepakt. Langzaam naderen ze ons. (…) ‘Ben moet weg’, zegt mijn vader, ‘als ze hem vinden zijn we de sigaar.’ Mijn moeder knikt. Ze heeft rode vlekken in haar hals. ‘Breng hem naar Gré de Vries’, zegt mijn vader, ‘daar zijn ze al geweest.’ ‘Ik kan toch zo niet met hem over straat.’ ‘Doe hem een jurk aan en een hoofddoekje om.’ Ben, die eigenlijk Ruben heet, wordt snel verkleed. Een paar weken nadat de tante is vertrokken is hij gekomen. Hij is klein en tenger en nu is het net een vrouw. ‘Neem de baby mee, dan houden ze jullie vast niet aan.’ Mijn moeder pakt mijn broertje en gearmd met Ben gaat ze naar de overkant. ‘Weg bij dat raam’, zegt mijn vader, als ik ze wil nakijken. Zelf kijkt hij vanuit een hoek van de voorkamer of ze bij de mensen schuin tegenover ons binnen worden gelaten. Hij neemt mij op schoot en begint te zingen. Als er bij ons op de deur wordt gebonsd houdt hij op. ‘Psalm negenenvijftig’, zegt hij, ‘een prachtig lied’.”3

[Psalm 95 begint in de nieuwe berijming met: “Kom, Heer, mij uit de hand bevrijden/ van die mij haten en bestrijden” en kent regels als: ‘Gij, God van Israël, sla ze, sla/ wie ’t recht verraadt, heb geen gena!’,  ‘Als honden die hun prooi begeren/ hoort men ze ’s avonds wederkeren/ en grommend gaan de stadsmuur rond:/ niet een van hen die voedsel vond’].4

Voetnoten

1 Mededelingen van Adriaan Bosboom; A. Bosboom, Nathan Nussbaum

2 Nathan Nussbaum (p. 43)

3 Idem (p. 32-33)

4 Liedboek voor de kerken. ‘s-Gravenhage 1973 (p. 98-99)