Snoek (Isaac/Jacques)

Laatste wijziging: 5 mei 2016

Gezin Isaac (‘Jacques’) Snoek (Utrecht, 7-10-1906)1 en Sophia Snoek-Deen (Amsterdam, 21-1-1907) met Hendrika (‘Henny’) (Amsterdam, 6-5-1932) en Jacob (‘Jacques’, ‘Sjakie’) Maurits (Amsterdam, 8-1-1937)

Jacques en Sophie trouwden op 11 februari 1931 in Amsterdam. Daar werden ook hun twee kinderen geboren. Het gezin verhuisde in augustus 1936 naar Zaandam. Ze slaagden er in om aan de Westzijde 18 een bloeiende stoffenzaak op te bouwen. Snoeks stoffenhandel stond ook op de Zaandammer markt.2 Henny ging eind jaren ’30 naar de eerste klas van School 9 op de Stationsstraat. Ook Sjakie ging later naar deze school. Sjakie speelde veel met de buurtkinderen, onder andere met Hans en Rob van de Stadt, zoons van de filiaalchef van schoenenhandel Presburg op Westzijde 16.

Verwanten

Isaacs ouders, Mozes Snoek* en Paulina de Leeuw*, kwamen oorspronkelijk uit Amsterdam respectievelijk Utrecht. Eind 1927 trokken ze met hun dochter Henriëtte* naar Zaandam en begonnen aan het Dampad 37b een textielwinkel. Eind 1930 verhuisden zij naar Wormerveer, naar een mooi winkelpand aan de Zaan. Henriëtte trouwde er met Hijman van Praag Sigaar*.

Oorlog

Op 18 juli 1940 werd de zaak van Isaac Snoek, net als die van enkele andere joodse winkeliers, uitgezocht om er het biljet ‘Nederlanders, koopt niet bij Joden’ op te plakken. Het stuk papier was niet groot, 15 bij 10 centimeter. Het was door twee meisjes rond 21.15 uur op de gevel geplakt. Blijkens de politiemelding door Snoek op de dag erna hadden de bewoners van het pand van de Florabioscoop, recht tegenover de winkel van Snoek, het zien gebeuren. Ze hadden het biljet verwijderd. Het politierapport van die dag vermeldt de namen van twee andere winkels waar een dergelijk biljetje was gevonden: Drilsma* textiel en radiozaak Goudal. Daders vond de politie niet.

Anti-joodse maatregelen

Deze winkels lagen centraal en waren bekend. In oktober 1940 moest Jacques Snoek zijn ‘joodse onderneming’ laten registreren bij de Wirtschaftsprüfstelle. In maart 1941 vond de ‘arisering’ plaats van zijn winkel en kwam er een niet-joodse bewindvoerder. Diezelfde maand werden de ‘joodse radiotoestellen’ ingenomen en in augustus moesten alle geld- en giromiddelen naar de roofbank Lippmann Rosenthal. Op 1 september mochten de kinderen Snoek niet meer naar een ‘arische’ school.

Onderduik

Jacques Snoek bleef in januari 1942 (en nog weken daarna) vanwege ziekte in Zaandam. De andere gezinsleden gingen wel naar Amsterdam. De vader van Hans van de Stadt zei dat de familie Snoek aan een wereldreis begonnen was en dat het nog wel enige tijd zou duren voor ze terug zouden zijn. Een aantal spullen was bij buurman Van de Stadt opgeslagen, in een loze ruimte op zolder. Het gezin Snoek kwam in Westerbork terecht. Het werd daar tijdelijk uit gevangenschap ontslagen, dook vervolgens onder en overleefde zo de jodenvervolging. Het belangrijkste onderduikadres was de Twentsche Bank op de Westzijde 114. Bankier Walraven van Hall slaagde er in het gezin Snoek daar onder te brengen. Van Hall woonde en werkte op de Westzijde en had contact met bankdirecteur Gijsbertus Prast en diens vrouw Maria Warnink, die hun gasten 2,5 jaar lang verborgen wisten te houden in hun woning boven de Twentsche Bank. Ondanks een huiszoeking wist de familie Snoek uit handen te blijven van de bezetter.

Lees meer

1945

Op 7-7-1945 plaatste ‘Jack’ Snoek als bewindvoerder van het vermogen van zowel Mozes en Paulina Snoek als van de Amsterdamse mede-eigenaar van zijn zaak Nicolaas Petrus van Stralen (Amsterdam, 17-3-1889) een advertentie in dagblad De Typhoon. Daarin verzocht hij ‘allen die iets te vorderen hebben van, of verschuldigd zijn aan’ bovengenoemden ‘hiervan zoo spoedig mogelijk opgave te doen’. “Het niet voldoen aan dezen oproep is strafbaar.”

Vervolg

Jacques Snoek begon in 1945 opnieuw een stoffenwinkel aan de Zaandamse Westzijde 18, waar tijdens de oorlog een familie De Vries had gewoond. Op 17-91945 plaatste Snoek een nieuwe advertentie in De Typhoon: “Na een gedwongen afwezigheid van eenige jaren openen wij a.s. Dinsdag 18 September onze zaak.” Hij werd bovendien bestuurslid van de bijna verwoeste synagoge. Toen hij de in bewaring gegeven spullen bij Van de Stadt kwam ophalen, miste hij een paar fietsbanden, die de buurman had gebruikt om in de Hongerwinter naar de Wieringerwaard te kunnen fietsen. Jacques Snoek kon daar maar weinig begrip voor opbrengen. De spullen van zijn ouders’ winkel lagen opgeslagen in de Christelijke School aan de Wandelweg in Wormerveer. Jacques of een ander familielid heeft ze daar weggehaald.3 Het gezin verhuisde na enige tijd naar Amsterdam. Sjakie Snoek, overleden in 2010, werd later een zakenman in goeden doen.

Vrijheidsdrang

Onderstaand fragment uit het autobiografisch verhaal van de destijds beroemde actrice en latere filmspeelster Tilly Périn-Bouwmeester4, die gedurende de oorlog in Zaandam woonde, gaat waarschijnlijk over het gezin Snoek: “Natuurlijk wist je in zo’n kleine plaats véél van de mensen om je heen. Je wist dat Jan goed was en Kees helemaal fout. Je wist dat de één scharrelde en zwart handelde, en je wist ook waar de onderduikers zaten. Dat was bijv. het geval met die mensen uit de stoffenzaak, op de Nieuwedijk [in Amsterdam]. Het was een jong Joods gezin. Zo lang de oorlog geduurd heeft, hebben deze mensen ondergedoken gezeten op één van de zolders van een bankgebouw. Niettegenstaande er bij ons velen waren die dat wisten, is het nooit uitgelekt. Ze hebben het overleefd en toen de oorlog afgelopen was, en de mensen het daglicht weer konden zien en de buitenlucht konden opsnuiven, met volle teugen, deden hun kinderen de hele dag niets anders dan fietsen, fietsen en nog eens fietsen. Altijd maar dóór en heen en weer. Fietsen uit pure vrijheidsdrang! Later is het gezin naar Amsterdam verhuisd, waar de ouders nu een mooie zaak hebben.”

Verwanten

Isaacs vader Mozes en moeder Paulina, alsmede zijn zuster Henriëtte van Praag Sigaar en haar man kwamen om in de Sjoa.

Zie ook Isaac Snoek* als onderduiker in Zaandam.