Speyer (Aron)

Laatste wijziging: 5 mei 2016

Gezin Aron Elkan Speyer (Harlingen, 26-8-1883 – 27-10-1948) en Rachel Wilhelmina Speyer-Pais (Delfzijl, 15-3-1890 – Koog aan de Zaan, 23-4-1945)1

Het echtpaar Speyer was ondergedoken met Rachels stiefmoeder Wilhelmina (‘Mina’) Pais-Cohen en de vier kinderen, van wie twee met hun verloofde: Elkan Aron Speyer (Harlingen, 8-6-1913), Jetty (‘Jet’) Speyer (Harlingen 14-8-1914), Levi (‘Wiek’) Speyer (Harlingen, 20-11-1915) met zijn verloofde Sara (‘Pim’) Leijdesdorff, en Saartje (‘Sari’) Sientje Speyer (Harlingen, 26-1-1919) met haar verloofde Abraham (‘Bram’, ‘Ab’) Aronson (29-9-1916).

Hout en antiek

Deze joodse familie vond vanaf juli 1942 toevlucht bij antiekhandelaar Simon (Siem) van de Stadt (1905). Siem had in de jaren twintig samen met zijn broer Onno een houtdraaierij, de Fa. van de Stadt & Co. De zaak liep niet al te best, hoewel het hem toegang verschafte tot de goed aangeschreven verenigingen De Zaansche Molen (opgericht in 1925) en De Hollandsche Molen (1923). Invloedrijke leden van de laatste vereniging, jurist Jan den Tex en bankier Jan Boissevain, beiden Amsterdammers, werden stille vennoten van de firma Van de Stadt. In de jaren dertig schakelde Siem over op antiek, zonder zijn broer. Tijdens de oorlog kwamen zowel Siem als de stille vennoten in het verzet terecht.

Familiewoning

Siem woonde met zijn moeder (‘Opoe’) en twee personeelsleden aan het Zuideinde 20 in Koog aan de Zaan, vlak bij de grens met Zaandam.2 Het was oorspronkelijk de familiewoning van moeder Eefje Wijnberg (1875), de weduwe van Klaas van de Stadt, en haar tien kinderen. Eefje had er een tijd lang een schoenenwinkel. Ze was, mogelijk generaties terug, van joodse afkomst. Siem en zijn moeder waren niet de enigen van het gezin die joodse onderduikers hadden. Simon bracht in september 1943 het joodse gezin Härtz*bij zijn broer Gerrit onder. Simon schoot de kosten voor en regelde bonnen en voedsel. Na de oorlog noteerde Siem de namen van de twee ondergedoken families en de kosten voor hun onderduik op kleine blaadjes, die bewaard gebleven zijn. Zodoende weten we dat de bij Simon ondergedoken groep uit negen verwanten bestond.

Fries

Ook Aron Speyer was antiekhandelaar. Hij bezat De Friesche Antiekhandel, gevestigd aan de Amstel 147-149 te Amsterdam. Zijn vrouw kwam uit de Pais-familie die eigenaar was van de Amsterdamse IJzerhandel Hollandia. De familie Speyer was op 14 november 1934 vanuit Harlingen, waar ze aan de Zuiderhaven 17 een manufacturenzaak dreven, naar Amsterdam verhuisd en woonde aan de Amstel 153. In Harlingen leefden veel joodse gezinnen met de namen Pais, Speyer en Leijdesdorff. Ook de Zaandamse Pais*-familie kwam oorspronkelijk uit Harlingen.

Contract

Op 14 juli 1942 had antiekhandelaar Speyer een oproep gekregen voor kamp Westerbork. Het was het eerste transport vanuit Nederland naar Auschwitz. Juist op die dag kwam Siem van de Stadt bij hen op bezoek. Hij vertelde later aan zijn pleegzoon ‘een innerlijke stem te hebben gehoord’. Deze zei hem naar de Amstel te gaan. Daar aangekomen liep hij bewust aan zijn klant Pais voorbij. De stem stuurde hem echter naar Pais terug. Diezelfde dag nog kon de familie, met name dankzij een tante van Rachel, met Simon van de Stadt de afspraak maken dat het gezin 500 gulden per maand zou betalen als vergoeding voor voeding, onderdak en inkomstenderving. Men ging toen nog uit van een spoedig einde van de oorlog.

Bootje

Op 24 juli kwamen de ouders Speyer, maar de dag na de afspraak arriveerden de dochters Jet en Sara al. Ze kwamen met een bootje, de Beagle.3 Dit was eigendom van de metaalfabriek IJzerhandel Hollandia (Borneokade in Amsterdam). Oom Raphael (‘Felie’) Pais, een broer van Rachel Speyer, was eigenaar en Wiek Speyer werkte er. Felie Pais slaagde er in het najaar van 1940 in om met een aantal familieleden per trein naar Spanje en vervolgens via Cuba naar de Verenigde Staten te ontkomen. Daar kwamen ze op 27 november van dat jaar aan. Direct na de bevrijding keerde Felie Pais terug naar Nederland.

Lees meer

Familieleden

Elkan Speyer werd op 2 augustus 1942 door Simon van de Stadt uit Edam opgehaald. Daar verbleef hij sinds 16 juli bij de heer C. Tjeertjes. Vanwege het gevaar van Duitse inkwartiering moest hij er echter vertrekken. Op 12 december 1942 noteerde Siem de komst van Saar’s verloofde Bram, die net als zijn toekomstige schoonvader antiquair was. Op 17 mei 1943 kwam de stiefmoeder van Rachel (en Felie) Pais, ‘Mina’ Pais-Cohen, en op 20 juni van dat jaar Levi en zijn verloofde Sara ‘Pim’ Leijdesdorff. De familieleden woonden op de zolder van het woon- en winkelpand. Van de Stadt had intussen bij burgemeester W.P. Allan gedaan gekregen dat hij, vanwege joodse onderduikers, geen evacué’s uit de kuststreek in huis hoefde te nemen. Siems getuigenis zou er na de oorlog overigens toe bijdragen dat burgemeester Allan van blaam gezuiverd werd.

Leijdesdorff

Van Pim is bekend dat ze een dochter is van Bernard Leijdesdorff en Ester Leijdesdorff-Pais. Toen de Duitsers hun meubelzaak in Franeker wilden opeisen, bleken het echtpaar en hun dochter van de ene dag op de andere spoorloos verdwenen. De ouders doken eerst onder in twee verschillende ziekenhuizen in hun woonplaats, Pim vertrok naar Breda en vervolgens naar Koog aan de Zaan. Alle drie zouden ze de oorlog overleven.

Oorlogshandel

Ook met de negen joodse onderduikers op zolder probeerde Van de Stadt zijn antiekhandel voort te zetten. Daarbij deed hij zaken met iedereen, ook met Duitsers. Een opmerkelijk voorbeeld is de zeer grote negenarmige kandelaar (‘menorah’) die hij van een Duitse soldaat kon kopen. Het joodse symbool stond wekenlang in de etalage voor het door iemand werd gekocht.

Huispersoneel

‘Opoe’ en Siem Van de Stadt hadden een knecht en een meid in dienst: Hans van der Kley en Marie (‘Rie’) van Zaanen. Het lijkt er op dat zij ook inwoonden. Marie en Hans zouden na de oorlog trouwen. Uit een briefkaartje uit het voorjaar van 1946 blijkt dat tenminste Hans een aandeel had in de verzorging van de onderduikers en daarvoor door Siem werd betaald. Het Nederlands Volksherstel wilde er meer van weten.

Verzet

In juni 1943 werd Hans van der Kley gedwongen om in Duitsland (Straatsburg) te gaan werken, in het kader van de Arbeitseinsatz. De briefwisseling tussen Hans en zijn baas Van de Stadt, ook namens verloofde Marie, uit de maanden juni en juli is grotendeels bewaard gebleven (die vanuit Koog aan de Zaan in klad). Tussen de regels door gaat het steeds over verzet. Hans gaf in zijn eerste schrijven (5 juni) gedetailleerde inlichtingen over het leven in de kazerne waar hij was gehuisvest en over de vriendelijkheid van de bevolking tegenover de dwangarbeiders. Die konden makkelijk sabotage plegen.

Bombardementen

Siem antwoordde hem in een serie liefdevolle (‘lieve Hans’) en ook serieuze brieven. Het was bekend dat Siem homoseksueel was. Van de Stadt vroeg hem in het eerste antwoord al om op te letten of er in de Elzas veel schuilplaatsen tegen onweer -bedoeld werd: bombardementen- bestonden. Hij moest daarnaast zijn pakketjes goed doorkijken en ook zijn brieven scherp lezen (10 juni). Vijf dagen later werd Hans gewaarschuwd om klaar te staan voor een plan dat hem naar de Zaanstreek moest krijgen. Hij diende er voorzichtig mee om te gaan, want ‘de kogel staat op mijn hoofd’. Hans reageerde er voorlopig niet op. Hij nummerde zijn brieven en liet in nummer 3 weten bij een Pinksteruitje een ontsteking aan zijn voet te hebben opgelopen. Normaal moest hij elf uur per dag werken, tegen 40 Reichsmark per week. Maar de Hauptmann was aardig. In brief 4 schreef hij over de bommen op Duitsland en, zoals gevraagd, over ‘een lief hondje’; blijkbaar een codewoord. In kladbrieven van 23 juni en weer op 22 juli van het thuisfront bleek wat het plan was: ‘oom Leo’ schreef fictief dat Hans’ moeder op de Provincialeweg was aangereden door een auto van de Wehrmacht, en op sterven lag. “Overeenkomst is dringend gewenscht.” De echte brief zou mede ondertekend zijn door de Ortskommandant van Zaandam Leutnant Reiss. Of het plan slaagde is niet gedocumenteerd.

Illegaliteit

Siem beschikte van dezelfde Ortskommandant over een verklaring dat hij Heereslieferant was, leverancier aan het Duitse leger. Het papier was op dezelfde manier gefabriceerd als bovengenoemde brief. Het briefpapier was gestolen door een – anoniem gebleven – telefoonbediende die in verbinding stond met het verzet. Het duplicaat-stempel was voor vijftig gulden gekocht van de firma Van den Brug. Het bevindt zich in de verzetscollectie van het Zaans Museum. Met een dergelijke verklaring kon Siem makkelijker door controles komen als hij voedsel haalde voor de negen onderduikers bij hemzelf en de drie bij zijn broer Gerrit. Siem beschikte voor noodgevallen over een wapen. Hij had schietles gehad van oud-officier gezondheid dokter Schaap, in de kelder van de Honig-fabriek. Kees Honig had op de helling een boot klaar liggen, waarmee de onderduikers konden vluchten. Zo was er via de Zaan een vluchtweg.

Verzetsleider

De precieze plaats van Siem van de Stadt in het Koogse verzet is niet bekend. Zijn pleegzoon Simon Boers weet dat niet alleen Hans van der Kley informatie aan hem doorgaf. Er waren tientallen anderen die hem inlichtingen gaven over verraders, Duitse acties en op handen zijnde maatregelen. Hij zal die hebben doorgespeeld. Van stille vennoot Jan den Tex is bekend dat hij vanuit Athene (Rue Aristoteles) en later Cairo de Engelsen van inlichtingen voorzag. In de laatste jaren van de oorlog was Van de Stadt hoofd van een rechtbank die verraders veroordeelde. Een voorbeeld is Fien Netelbeek, die de ondergedoken Tommy Wolff* verraadde.

Meer onderduikers

In de winter van 1944 vroeg de Zaandamse verzetskapelaan Gerrit Groot of Siem een paar nachten plek had voor veertien katholieke jongens die weg moesten om aan de Arbeitseinsatz te ontsnappen. De Rooms-Katholieke Centrale (RKC) was een belangrijke Zaanse verzetsgroep en verzorgde veel onderduikers. En Hans van der Kley was katholiek. Van de Stadt stemde toe en liet de jongens, zo luidt het verhaal, in de kelder van het huis. Dat werd tevens een wapendepot. Er lagen machinegeweren, granaten en munitie, afkomstig van een Engelse dropping bij Stompetoren. De tijdelijke onderduikers moesten er maar op zien te slapen. Hoe waarheidsgetrouw dit verhaal is, is onduidelijk. Voor zover bekend was de kelder amper twee vierkante meter groot.

Spanningen

In het archief van Siem van de Stadt bevindt zich ook een brief van een onbekende verzetsman d.d. 1 maart 1946. Het schrijven zegt iets over de omstandigheden van de onderduikers en hun omgeving in de hongerwinter van 1944-’45 en daarna. De verzetsman vertelde dat Jetty Speyer en Sara Leydesdorff op 14 januari 1945, ’s avonds rond acht uur, aanklopten bij ijzergroothandel De Roos aan de Gedempte Gracht 96 in Zaandam. De Roos was een oude zakenrelatie van Wiek Speyer. De twee dames vertelden dat ze met nog zeven familieleden waren ondergedoken bij Van de Stadt en dat ze ‘het verhongeren nabij waren’. Toen twee leden van de Zaanse illegaliteit de zaak kwamen uitzoeken, ontkende Van de Stadt onderduikers te hebben. Dat deed hij niet tegenover een vertegenwoordiger van het Koogse verzet, een bekende van hem. Van de Stadt was verbaasd over de klacht en verklaarde dat de familie per dag ‘6,5 kilo aardappelen, 6 pond groenten (of erwten of bonen) en 3 brooden, alsmede nog extra pakketten van de illegaliteit’ kreeg. Mevrouw Speyer had hem op 14 januari voor haar dochter en schoondochter toestemming gevraagd een lange wandeling te mogen maken, omdat ze zo stijf werden. Moeder was erg ongerust toen de jonge vrouwen om half tien nog niet thuis waren, want om tien uur ging de spertijd in. Tien minuten later waren ze terug. Ze zeiden verdwaald te zijn. Toen Siem van de Stadt van de ware toedracht hoorde, vond hij het een schande dat de familie dit zonder zijn medeweten had georganiseerd. De onbekende verzetsman trok de conclusie dat ‘dit bedrog van de Joodsche familie’ was, ‘die zich achter de rug van de heer Van de Stadt om extra wilde bevoordelen’. Of daarvan werkelijk sprake was of niet, de brief geeft een goed beeld van de spanningen die vanuit en rond het lange tijd ondergedoken zijn konden ontstaan.

Oorlogswinter

Zeker speelde een rol dat de onderduikers zich niet konden voorstellen hoe de mensen buiten leden. Van de Stadt haalde ze daarom een keer naar beneden om een man en zijn zoon te zien die terugkwamen van een hongertocht. De man was uitgemergeld en lag dood in een kruiwagen. “Zo gaan mensen uit Amsterdam op tocht naar Noord-Holland om ergens iets aan eten te vinden”, vertelde hij.

Betaling

De illegaliteit nam vanaf 1 december 1944 de betaling over, voor 135 gulden per week, ofwel 15 gulden per persoon. Genoemd als verzetsmensen worden N. Broers, M.J. Hille, de broers Hans en N.C. van der Kley, S. Oosterbaan en Marie van Zaanen. Hans en Marie zijn ons bekend uit de hierboven weergegeven briefwisseling tussen Van de Stadt en zijn werknemer in de Elzas. De Koogse tuinman Rinus Hille was een van de landelijke leiders van de sociaal-democratische jongerenvereniging AJC (Arbeiders Jeugd Centrale).4 Het staat vast dat Hille contact had met de familie Speyer en betaling voor hen regelde. De AJC had tot 1943 een eigen steunfonds, waarmee onderduikers werden geholpen. Vanwege de groeiende hulpvraag werd in 1943 hulp gezocht bij de Vakgroep J van het Nationaal Steunfonds. Rinus Hille zou later voor de PvdA wethouder worden in Zaandam en vervolgens burgemeester van Wormerveer.

Overlijden moeder

Nog geen twee weken voor de bevrijding, op 23 april 1945, werd Rachel Speyer-Pais om 18.15 uur door een Duitse kogel dodelijk geraakt. Ze zat achter het raam, terwijl Duitse soldaten tevergeefse pogingen deden om een locomotief te lichten die op 5 oktober van de spoorbrug in de Zaan was gevallen. Op 23 februari was er bovendien een aanslag op de brug geweest. Misschien was het de reflex van haar brillenglazen die een scherpschutter voor een wapen of een camera aanzag, misschien was het een lukraak schot (de Duitsers deden geen nader onderzoek). Mevrouw Speyer was op slag dood. Rinus Hille wilde er, vermoedelijk als protestactie, een openbare begrafenis van maken. Van de Stadt hield dat voor een levensgevaarlijk avontuur en beval hem onder dreiging met een wapen van dit plan af te zien. Hij liet haar in zijn eigen tuin begraven. Simon werd overigens bij het ophalen van het hout voor de kist beschoten door Landwachter Dirk K. Op 20-6-1945 is Rachel Speyer bijgezet op de joodse begraafplaats in Diemen. Op de steen staat naast de gemeente en de datum ook de oorzaak van haar overlijden vermeld: “Door een misdadig schot van een Duitscher.”

Terug

Op 18 mei 1945 ging de familie Speyer, met één persoon minder, om 8.00 uur per boot terug naar Amsterdam. Sari schreef aan Siem dat zij van Honig een voedselpakket kreeg opgestuurd met ‘stroop, bouillonblokjes, suikerzoet, stijfsel, enz.’. Het suikerzoet vonden ze lekkerder dan gewone suiker, en in een brief vroegen ze Honig of ze nog meer bij hem konden bestellen. Op 30 juni trouwden Sari en Bram, hij op geleende schoenen. Siem en opoe werden natuurlijk uitgenodigd. Bram Aronson hervatte met zijn broer Nico de antiekzaak van hun grootvader Leon en hun vader David, die evenals zijn vrouw en dochter de Holocaust niet had overleefd. De zaak bevond zich op de hoek van de Spiegelstraat en de Kerkstraat. Op 16 mei 1947 kreeg het echtpaar Aronson-Speyer een zoon, Dave Ronny. Opoe en Siem kregen een kaartje. Dave zou in het familiebedrijf doorgaan, net als later zijn zoon Robert. Wiek Speyer ging door bij IJzerhandel Hollandia, waarvan hij in de loop der jaren directeur werd. Elkan werd bedrijfsleider bij confectiefabriek The Amstel Coat.

Berekeningen

Er ontstonden na de oorlog problemen tussen Siem van de Stadt en Aron Speyer. Op een schriftvelletje staan berekeningen die Simon van de Stadt na de oorlog maakte omtrent het bedrag dat het onderduiken had gekost. Van de Stadt had met de ouders een prijs van 500 gulden per maand afgesproken. Daaronder vielen de ouders en de drie jongste kinderen met hun verloofden. Voor zeven volwassenen was dat ongeveer 16,60 gulden per week, bijna 2,40 per dag. Elkan Speyer en Mina Pais-Cohen hadden een eigen rekening en moesten de gebruikelijke 15 gulden per week betalen, ofwel 2,14 gulden per dag. Simon berekende voor Mina 102 weken, blijkbaar van 17 mei 1943 tot 5 mei 1945. Voor Elkan kwam hij uit op 144 weken, kennelijk van 2 augustus 1942 tot 5 mei 1945. Hij streepte die bedragen echter door en stemde de nieuwe rekensommen af met de datum 1 december 1944, toen de illegaliteit de betaling overnam. Het bedrag voor Elkan Speyer kwam nu op 1819,28 gulden en voor Mina Pais-Cohen op 1204,28 gulden. Voor de overige zeven personen rekende hij in maanden, kennelijk van 16 juli 1942 tot 5 mei 1945. Het betrof 33 maanden maal 500 gulden, oftewel 16.875 gulden. De totale som voor 9 personen gedurende gemiddeld ruim 2,5 jaar kwam daarmee op 20.565 gulden uit.5

Betaling

In het archief van Simon Boers bevinden zich nog andere, afwijkende berekeningen. Wanneer en hoe de betaling voor de onderduik is geschied is niet duidelijk. Dat had deels technische gronden. Op 13 maart 1943 werden biljetten van 500 en 1000 gulden ongeldig verklaard. Daarvan hadden, naast zwarthandelaren, ook onderduikers en de illegaliteit last. De familie kon dus niet meer met briefjes van 500 gulden betalen. Op het chronologisch overzicht staat dat in maart 1943 de laatste betaling van 200 gulden plaatsvond. Op de achterkant van het kalenderblaadje staan echter twintig kunstvoorwerpen vermeld ter waarde van 190 gulden; schilderijtjes, tabaksdozen en andere kostbaarheden. Ze stammen vermoedelijk uit de antiekwinkel van A.E. Speyer. Het ging onder meer om een ‘Pastelschildering m Engel 25,-, Kruisbeeld v. Hout 30,-, Plaat van Luther 5,-‘ en ‘1 chin doosje 1,-‘. Het is duidelijk dat bij alle partijen – bij de Speyers, bij Siem, zijn moeder en vrienden als Jan den Tex (Boissevain was al in december 1941 gearresteerd) – het geld op kon raken.

Dagboek

Een van de gevolgen was dat de onderduikers, hoe gevaarlijk ook, soms werden ingeschakeld voor werkzaamheden. In het dagboek van streekgenoot Cornelis Gerrit Bakker staan enkele zinnen over de activiteiten van Siem van de Stadt. Zo schreef deze verzetsman op 19 januari 1945: “Bij van der Stadt zaten een stuk of 10 Joodse onderduikers, waarvan er een hielp met wegen [van groenten, E.S.].” Op 23 januari was Bakker er weer: “We wogen onze ladingen bij v/d Stadt op het Zuideinde, waar één van de 9 ondergedoken joden aan hielp.”

Van Hall

De in Zaandam woonachtige Walraven van Hall was de bankier van de Nederlandse illegaliteit. Hij beheerde in 1943 het illegale Disconto Instituut Zeelieden en wist met zijn broer Gijs dankzij de maatregel van 13 maart het daar beheerde kapitaal door handigheid en geluk juist te versterken.6 Van Hall stond ook aan de basis van het Nationaal Steunfonds en zijn Vakgroep J(oden), die meer en meer onderduikers ging financieren. Zo ook de familie Speyer. De Vakgroep J betaalde niet meer uit dan 75 en later 100 gulden per maand per persoon. Soms werden er veel hogere bedragen, tot 500 gulden per week per persoon, gevraagd van ondergedoken joden.7 De bedragen in Koog aan de Zaan waren in dat opzicht dus niet buitensporig.

Proces

De problemen tussen Aron Speyer en Siem van de Stadt stamden vooral van een aanvaring met de Belastingdienst. Siem zou met zijn antiekhandel ongeoorloofde oorlogswinst hebben gemaakt. Hij moest een hoge boete betalen. Een persoonlijk en politiek conflict met Rinus Hille – Siem kwam bij de verkiezingen van 1946 uit voor de Partij van de Vrijheid, een voorganger van de VVD, en Rinus voor de PvdA – maakte deel uit van de kwestie. Siem beriep zich tevergeefs op een toespraak van koningin Wilhelmina. Zij had gezegd dat winst uit onderneming die in het verzet werd geïnvesteerd onbelast zou blijven. Siem had onvoldoende geld om de boete te betalen en het huis werd in beslag genomen. Het Nederlands Volksherstel verplichtte hem, aldus Simon Boers, om Aron Speyer een proces aan te doen. Het Volksherstel had ook Hans van der Kley al aan de tand gevoeld. De familie Speyer zou over voldoende middelen beschikken en te weinig hebben terugbetaald. Advocaten van beide zijden berekenden kosten en betalingen. Aron Speyer overleed tijdens het proces. “Hij heeft zich het proces (…) erg aangetrokken en is onze zaak door dit geval erg achteruitgegaan. (…) het verlamde zijn gehele energie”, schreef Elkan aan Siem (5-11-1948). De verdenkingen aan het adres van Siem van de Stadt waren na afloop van het proces niet verdwenen. Hij verbleef enkele jaren in Frankrijk. In januari 1951 werd Siem door een correspondent in Parijs met Frits Citroen aangetroffen in een zelfgebouwde kotter met de naam ‘Maagen’. Het duo wilde naar Zuid-Amerika varen om reclame te maken voor Europese producten.

Eerherstel

Pas in 1956, na bemiddeling bij de Parijse ambassade, kwam het tot een schikking en vervolgens tot eerherstel. Toen ook konden de beide families zich definitief met elkaar verzoenen. In het archief-Boers is een vriendelijke brief aan Siem van oktober 1972 aanwezig van IJzerhandel Hollandia. Siem woonde toen op een woonboot aan het Herderskindpad en bleek in staat te zijn schepen in loonwerk te slopen voor de IJzerhandel. In 1981, het jaar van zijn overlijden, werd Siem postuum het Verzetsherdenkingskruis verleend.

Weduwe Hille

Ook een andere persoon uit het Zaanse verzet is door het gezin Speyer nooit meer vergeten. Er is een brief bewaard gebleven van 7 december 1976, door Levi Speyer geschreven aan J.A. Hille-Kalsbeek na het overlijden van haar man Rinus.8 “Met leedwezen vernamen wij het plotseling overlijden van uw man, de heer M.J. Hille. Wij condoleren u met dit zware verlies. Voor ons was uw man in de moeilijkste tijd van de oorlog onze hoop en troost, het licht in de duisternis en wel letterlijk en figuurlijk.” Rinus Hille kreeg postuum een Yad Vashem-onderscheiding.

Voor Johanna Antonia Hille-Kalsbeek, zie ook de geschiedenis van de in Zaandam ondergedoken Vera Hirschel*.

Voetnoten

1 H8a; Mededelingen en documenten van Simon Boers, de pleegzoon van Simon van de Stadt (2003, 2009, 2010) en Ed Speyer (24-4-2011); Dagboek Cornelis Gerrit Bakker (via Henk Krigee uit Zaandam); Wijkoverleg Oud-Zaandijk, Verhalen uit Zaandijk, door Simon Boers (2007); Gezinskaart Amsterdam; Stelwagen, J. Bommen op Saakstra’s brug. Oorlog en bevrijding in Noordwest-Friesland; http://moron19.com/Turksma/f_54.htm#9; Informatie van Herbert Markus uit Israël (12-10-2013) en Henk Brugman uit Koog aan de Zaan (3-4-2017); www.oud-harlingen.nl; Limburgs Dagblad (6-1-1951); www.delpher.nl; De Waarheid (17-5-1945); Klein maar dapper (23-2-1945)

2 Gezinskaart Koog aan de Zaan; in de jaren tachtig vestigde zich hier de Kerk van de Nazarener

3 ‘Brak’ of ‘speurder’. Naam van de boot waarop Charles Darwin meevoer en baanbrekend onderzoek deed (1831-1836)

4 Mededelingen van Erik Schaap (augustus 2006)

5 Zie scan van het blaadje bij Härtz

6 Schaap, E. Walraven van Hall. Premier van het verzet (1906-1945) (p. 33-34)

7 Erik Schaap, o.c. (p. 45)

8 IISG-archief AJC nummer 1234a