Spier (Simon)
Laatste wijziging:
Simon Spier (Amsterdam, 15-9-1890 – Amsterdam, 17-6-1967) en Hendrika (‘Henny’) Spier-Hijmans (Amsterdam, 21-3-1898 – Amsterdam)1
Het echtpaar Spier verruilde op 10 december 1944 het huis van de weduwe Johanna Catharina Prinsze-Zegers aan de Langestraat 34 (zie aldaar) voor de woning van Wilhelmina Maria Hartog (23-6-1895). Deze lerares lichamelijke oefening woonde op het Noordschebosch 4, eveneens in Zaandam.
Evacuatiedienst
Simon en Henny Spier waren – net als op hun eerdere adressen gebruikmakend van het pseudoniem Van Eekeren – via Bastiaan Cornelis Ooms bij Wilhelmina Hartog terechtgekomen. Ooms was de Zaandamse leider van de Gemeentelijke Evacuatiedienst. Hij moest zorgdragen voor het onderdak brengen van evacuees uit het kustgebied die vanaf september 1944 vanwege een mogelijke geallieerde invasie hun woonplaats moesten verruilen voor de Zaanstreek. In die positie hielp hij soms vervolgingsslachtoffers. Ooms: “Na mijn installatie ten stadhuize gebruikte ik mijn positie ook om Joden en onderduikers na verandering van hun persoonsbewijs als evacué in onze gemeente bij de burgerij onder te brengen.”
‘Niet lastig’
Simon Spier was hiervan blijkbaar op de hoogte, want hij benaderde in december 1944 Ooms op het Zaandamse stadhuis met het verzoek om onderdak. Die bracht hem in contact met Wilhelmina Hartog. Zij wist niet dat haar gasten joods waren. “Er werd voor hen beiden ƒ26.25 per week betaald”, vertelde ze driekwart jaar later. “Zij waren voorzien van levensmiddelenkaarten en hadden ook enige levensmiddelen te hunner beschikking.” In de paar weken dat de Spiers op het Noordschebosch verbleven, ontstonden er geen problemen. Wilhelmina Hartog: “Tijdens hun verblijf te mijnen huize waren zij niet lastig te noemen, maar ze liepen gewoon op straat als iedere andere bewoner.”
De Harmonie
Het echtpaar voelde zich vrij om naar buiten te gaan wanneer ze dat wilden, ondanks de risico’s. Simon Spier bezocht tussen december 1944 en maart 1945 regelmatig het om de hoek gelegen restaurant-hotel De Harmonie. Daar dronk hij koffie, thee en soms een biertje of een borrel. Eigenaar Cornelis de Groot: “Hij was ook wel eens in gezelschap van zijn vrouw. Van E[e]keren was onder de verdere bezoekers van mijn zaak een geziene gast, omdat hij spraakzaam van aard was en veel wist te vertellen. Ik heb nimmer kunnen vermoeden dat van E[e]keren en zijn vrouw Joden waren.”
Briefje
Het ging desondanks al snel mis op het Noordschebosch. Ooms: “Na enkele dagen werd op dat adres door een onbekende een zeer onduidelijk geschreven briefje in de bus gedeponeerd, dat niet ondertekend was, en waarin de ware naam van den heer van E[e]keren en zijn vrouw genoemd werd, alsmede bekendheid aan hun Joods zijn werd gegeven. De dochter des huizes, mejuffrouw M. Hartog, vervoegde zich hiermee te mijnen huize, waarbij ik mij natuurlijk van de domme hield. Haar vader en moeder wensten onder deze omstandigheden hun evacués niet te behouden, waarom ik ze enkele dagen later onderbracht bij den heer J. de Jager, Zeemansstraat 112, alhier, bij wie ze enige maanden zijn gebleven.”
‘Rasechte Amsterdamse Joden’
Wilhelmina Hartog: “In die dagen ontvingen wij een anonieme brief, waarin wij er op attent werden gemaakt, dat wij rasechte Amsterdamse Joden in huis hadden. Ik ben met die brief naar den heer Ooms in de Zeemansstraat te Zaandam gegaan, omdat ik hen niet langer in mijn huis durfde houden. Ooms heeft gezorgd, dat zij bij mij vandaan zijn gegaan. Ik wist niet, waarheen zij zijn gegaan, maar later vernam ik, dat ze bij de familie De Jager te Zaandam waren ondergebracht.”
Waarschuwing
Een paar maanden later werd na onderzoek duidelijk dat Cornelis Hartog – geen familie van Wilhelmina – het anonieme kattenbelletje had geschreven. Hij was ontstemd over het gedrag van het echtpaar Spier en deed een ondoordachte poging om de nieuwe onderdakgeefster te informeren. “Later vernam ik door Mevrouw van E[e]keren, die eens bij mij op bezoek kwam, dat ze waren ondergebracht als evacuees bij de familie Hartog, Noordsebosch 4, en dat deze familie Hartog niet wist, dat de familie van E[e]keren Joden waren”, vertelde Cornelis. “Daar ik bang was, dat de familie Hartog hierdoor last zou ondervinden, heb ik aan hun adres een brief geschreven, of zij wel wisten, dat de bij hen inwonende evacuees Joden waren, althans zoiets in die geest. Ik heb deze brief niet getekend. Ik heb niet de bedoeling gehad, om door het schrijven van deze brief de Joden in gevaar te brengen, doch alleen de waarschuwing aan de familie Hartog.”
Averechts
De brief werkte averechts. Er ontstond paniek en het echtpaar Spier moest op stel en sprong het Noordschebosch verlaten. Daags voor Kerstmis 1944 kwamen ze, opnieuw via Bastiaan Cornelis Ooms, terecht bij Jan en Hendrika de Jager (zie aldaar). Die woonden vlakbij, in de Zeemansstraat 112.
Voetnoten
1 Nationaal Archief, CABR-dossier Cornelis Hartog; Joodsamsterdam.nl; Stadsarchief Amsterdam, persoonskaarten; Jonet.nl



