Spira (Friedrich)

Laatste wijziging: 5 mei 2016

Gezin Friedrich Spira (Turn/Trnovany, 12-8-1896)1 en Mathilde Spira-Prüsse (Wilhelmshafen, 16-10-1902)

Het gezin Spira had volgens de autoriteiten de Duitse nationaliteit. Dat klopte zeker voor de moeder en de twee kinderen. De vader had echter oorspronkelijk de Oostenrijkse nationaliteit en daarna die van het door nazi-Duitsland geannexeerde Tsjecho-Slowakije. Het gezin was ook van daar naar Nederland gekomen. Het eerste kind werd in Hongarije geboren, het jongste kind in de Duitse Harz. Daar woonde het gezin tot september 1936, toen men naar Tsjecho-Slowakije verhuisde. De ouders gaven hun jongste zoon de voornamen van de dichter Goethe, die honderd jaar eerder was overleden. Nog voor het eind van de oorlog werd een dochter geboren. Op haar aanmeldingsbewijs stond achter nationaliteit: “Protektoraat Bohemen.”

Westzaan

Friedrich was scheikundig ingenieur bij de Westzaanse blauwselfabriek Avis (J.J. Allanstraat 266). Blauwsel werd gebruikt om wasgoed wit te krijgen. Het werd gewonnen uit verfhout, maar vooral uit Saksisch kobalterts.2 Het bedrijf had zich in de twintigste eeuw ontwikkeld tot een internationaal georiënteerde fabriek van kleurstoffen, de N.V. Avis Verffabrieken. Men maakte er inmiddels op synthetische wijze ultramarijn. Friedrich werd in juli 1939 door de toenmalige directeur G. Kriegel aangenomen als bedrijfsleider van de nieuw te openen afdeling ‘Schellak’. De grenzen waren vanaf 1938 gesloten voor joden, ook voor hen die gemengd gehuwd waren. De N.V. Avis kon echter zorgen voor inreisvisa, arbeids- en verblijfsvergunningen. Dit duurde enige maanden, waardoor Friedrich Spira pas in november 1939 in Westzaan van start kon gaan.

Aankomst

Een van de kinderen: “Wij logeerden één dag en twee nachten in een hotel in de buurt van het Centraal Station, waar we ’s avonds op 22 november 1939 aankwamen. Ik kan mij herinneren dat op de eerste dag na aankomst mijn moeder, mijn broer en ik verkleumd op het Damrak rondliepen en dat wij toen onze toevlucht hebben gezocht in de warme Bijenkorf, waar mijn moeder haar ogen uitkeek vanwege al die luxe artikelen die wij al ontwend waren in het bezette Tsjecho-Slowakije. De dag na onze aankomst vertrok mijn vader naar Westzaan om kennis te maken in de fabriek en om de woonruimte te bezichtigen die men voor ons gevonden had. Deze bestond uit twee gemeubileerde kamers in het pand met toen het adres Kerkbuurt 26.3 Hier woonden op dat moment mejuffrouw C. Valk (de eigenaresse), mejuffrouw K. Bakker met haar bejaarde moeder en de oude mevrouw Broertjes, die na een paar maanden zou verhuizen naar een bejaardenhuis. Wij hebben toen haar woonruimte overgenomen. Op 24 november ’s morgens reisden we af naar Westzaan, waar we op heel hartelijke wijze werden verwelkomd door mejuffrouw Valk. Zij is voor ons een grote steun geweest bij ons integratieproces. Op 5 december, Sinterklaasavond, zijn wij voor het eerst naar school gegaan. We vonden het een hele eer om bij Sinterklaas te mogen komen. Aan de tijd op de Noorderschool bewaren we goede herinneringen.”

Werkkamp

Het gezin hoefde vanwege het gemengde huwelijk in het voorjaar van 1942 niet weg uit Westzaan. Gemengd gehuwde joden moesten wel de jodenster dragen en werden met sterilisatie en -de mannen- met het werkkamp bedreigd. Wanneer er in Westzaan een razzia dreigde, verborg Friedrich Spira zich samen met zijn collega Rinus Stoffer bij de blauwselfabriek in een niet meer in gebruik zijnde oven. Rinus’ vader Andries, die daar eveneens werkte en geen gevaar liep om in de Arbeidsinzet terecht te komen, schoof vervolgens een aantal potten voor de ovendeur. Daardoor viel de schuilplaats niet op. Toen er Duitsers werden ingekwartierd in Westzaan ging deze truc echter niet meer op.

Havelte

Op 15 maart 1944 moest Friedrich zich melden bij het Arbeidsbureau in Meppel. Vanuit dit bureau werd hij als grondwerker tewerkgesteld bij een groot Nederlands bouwbedrijf uit Utrecht, dat voor de bezetter een vliegveld bij Havelte aanlegde. Op 28 oktober 1944 werd hij wegens lichamelijke ongeschiktheid ontslagen en keerde hij naar huis terug. Aanvankelijk dook hij overdag nog onder bij het gezin van P.J. van Leeuwen, hoofd van de Noorderschool.

Aanmelding dochter

Toen op 20-7-1944 een dochter werd geboren, Eva, moest de baby -evenals in 1941 met de vader en de twee zoons was gebeurd- op het gemeentehuis worden aangemeld als ‘zijnde van joodschen bloede’. De vader was voljoods (J), de kinderen halfjoods (GI). De daarbij horende documenten zijn bewaard gebleven (zie de illustraties). Op het aanmeldingsformulier is te lezen dat de geboorte in Koog aan de Zaan plaatsvond, vermoedelijk in ‘Ons Verpleeghuis’ aan de Boschjesstraat. Opmerkelijk is dat de naam en ‘arische’ etniciteit van de echtgenote niet werden ingevuld, wat op de ‘evacuatielijst’ wel was gebeurd. Ook de datum van aanmelden is opmerkelijk: 21 augustus, ruim vier weken na de geboorte. De aanmelding werd door Friedrich Spira zelf gedaan. Hij zal daarvoor toestemming nodig hebben gehad, aangezien hij in een werkkamp zat. Ook bijzonder zijn de twee briefjes vanwege de verschuldigde leges. Die kon alleen worden verminderd of kwijtgescholden als de betreffende persoon onbemiddeld was en niet tot een joodse gemeente behoorde. Spira betaalde op 21-8-1944 één gulden. Hij kon deze echter op 15-5-1945 terugkrijgen, omdat het om ‘niet overgemaakte leges’ ging. Een kleine verzetsdaad van een gemeenteambtenaar?

Vervolg

Enige weken na de bevrijding begonnen zich bij Friedrich Spira de eerste symptomen te openbaren van wat later een open tbc-aandoening aan zijn rechter enkelgewricht bleek te zijn. Het duurde maanden voordat die diagnose werd gesteld. Hij werd ter observatie in verschillende ziekenhuizen opgenomen. Mathilde Spira kon de vele rekeningen van doktoren, ziekenhuizen en ambulancediensten niet meer betalen en wendde zich voor financiële hulp tot de burgemeester. Die zorgde voor een lening. Omdat aangenomen werd dat Friedrich de besmetting in het werkkamp in Havelte had opgelopen, kwam hij in aanmerking om als oorlogsslachtoffer verpleegd te worden in het Rode Kruis Sanatorium te Santpoort. Hier verbleef hij van januari 1946 tot oktober 1947. Daarna kuurde hij thuis verder. Vanaf begin 1949 was hij in staat om geleidelijk aan weer werk te verrichten. Friedrich Spira bleef echter zijn verdere leven voor 30% invalide. Gedurende deze hele periode werd het gezin financieel gesteund door Avis. In april 1954 verwierf het gezin het Nederlanderschap. Het echtpaar Spira-Prüsse vertrok in oktober 1961 uit Westzaan. Friedrich Spira overleed op 15 februari 1979 in Bergen, Mathilde Spira-Prüsse op 18 december 1996 in dezelfde plaats.

Voetnoten

1 Burgemeesterslijst en Politielijst nr. 1; Mededelingen van nabestaanden (december 2006), B. Vollmann-Petersen (1999), A. Heermans-Smit uit Westzaan (oktober 2006) en D. van der Kreeft (18-5-2014); Gemeentearchief Zaanstad (aanmeldingspapieren Eva Spira)

2 Sporen in de grond (1): archeologische vondsten, in: Met Stoom (oktober 1993)

3 Mededelingen van nabestaanden en Dirk Kit uit Westzaan (oktober 2006). Met dank aan Gré Vis-Luttik. Na een omnummering werd het Kerkbuurt 15, waar het gezin op de bovenverdieping woonde