Thijn, van (Barend)

Laatste wijziging: 5 mei 2016

Gezin Barend van Thijn (Zaandam, 23-12-1868 – Auschwitz-Birkenau, 26-2-1943)1 en Esther van Thijn-Troostwijk (Rotterdam, 25-4-1875 – Auschwitz, 26-2-1943) met zoon Siegmond (Zaandam, 12-3-1911 – Auschwitz, 26-3-1944)

Barend van Thijn trouwde op 22 juni 1910 met de Rotterdamse Esther Troostwijk. Zij was zeven jaar eerder, vanuit Amsterdam, als dienstbode bij Barends ouders komen werken. Hun zoon Siegmond werd geboren toen zijn vader 43 was en zijn moeder 36.

Familie

Mozes (Zaandam, 16-10-1841) en Gontje van Thijn (Zaandam, 6-3-1838) hadden drie zonen: Gerrit (Zaandam, 29-1-1867), Barend en Abraham (Zaandam, 16-11-1870). Het gezin dreef een broodhandel aan de Hoogendam 9, de huidige Dam. Gerrit trouwde in 1894 met Sara Vet*, de dochter van de juwelier. Zij begonnen een eigen winkel. Abraham huwde in 1910 Saartje Spetter en trok in op de Hoogendam. Daar werd op 27 september 1913 hun zoon Maurits Gerrit geboren. Gontje van Thijn overleed in 1909. Haar man Mozes ging in juli 1917 met het gezin van zijn jongste zoon mee naar Rotterdam. Barend bleef als enige in Zaandam.

Broodverkoper

Hij was er de enige kosjere broodverkoper. De ‘depothouder brood’ werd ook wel ‘Fontijntje’ genoemd. Zijn winkel bevond zich aanvankelijk op de Hoogendijk 13, maar verhuisde verschillende keren. In 1924 ging hij naar de Klauwershoek 1. Tien jaar later schoof hij door naar de Noorderkerkstraat 4, de plek waar later bioscoop ’t Saentje verrees. Van Thijn bakte niet zelf. Hij was een ‘koude bakker’, hij verkocht het brood alleen. Het gezin had het ‘verschrikkelijk krap’.2 Van Thijn had een transportfiets met een mand voorop. Siegmond ging al vroeg met de kar rond. Hij bezorgde voor Pasen matzes uit Amsterdam aan alle joodse gezinnen in Zaandam. Dat was ‘de enige keer dat de zaak goed liep’.3

Joods adres

Op het adres Noorderkerkstraat 4 waren eerder winkeliers Van Thijn gevestigd.4 Rond 1900 was er de zaak van Barends schoonzuster Sara van Thijn-Vet* (Zaandam, 1-2-1868). Zij beheerde een winkel in kristal, porselein, speelgoed en dergelijke. Sara was de weduwe van Barends broer Gerrit en een zuster van de goudsmeden Wolf* en Arnold Vet*.

Daniël van Thijn (Koog aan de Zaan, 9-3-1861) nam in 1904 de locatie over. Hij kwam er met zijn echtgenote en drie zoons, -onder wie Levi van Thijn*- en vestigde een galanteriezaak en een lommerd in het pand. In januari 1920 verhuisde hij. Toen had een andere joodse winkelier, Abraham Levie Drukker (Zaandam, 10-3-1883), de zaak al overgenomen. Hij verkocht er borstels en zeemleer. Zijn zoon Lodewijk maakte er na enige jaren een groentewinkel van. Hij was de voorganger van Barend van Thijn.

Lees meer

Oorlog

Barend en Esther van Thijn, beiden bij het begin van de bezetting boven de 65, waren klein van gestalte. Van Thijn had een transportfiets met een mand voorop. Zijn vrouw was erg proper: zij boende op de stoep van de Nederlands-Hervormde kerk zelfs de steel van de bezem.5 Hun broodwinkel moest in oktober 1940 als ‘joodse onderneming’ bij de Wirtschaftsprüfstelle worden geregistreerd. In maart 1941 werden deze ondernemingen ‘geariseerd’, dat wil zeggen: in handen van niet-joden gegeven, of geliquideerd.

Leeggehaald

Blijkbaar vroegen Barend en Esther geen uitstel aan van vertrek naar Amsterdam, zoals sommige andere joodse ouderen wel -met succes- deden. Enige tijd na hun vertrek werden huis en winkel inderdaad leeggehaald. De politie stelde daartoe de benodigde sleutels beschikbaar aan de in juni 1942 opgerichte Einsatzstab Rosenberg. Die werkte op aanwijzing van de Hausraterfassung.6 Een winkelier uit de buurt, groenteboer S. Happe (Oostzijde 2), verstopte een schilderij van het echtpaar in zijn schuur7. “Een Van Thijn, de broodverkoper, die in de oorlog met zijn vrouw naar Duitsland zijn weggevoerd en niet terugkwamen”, zo stond in een krantenstukje uit de jaren zeventig over de Klauwershoek te lezen.8 Het gezin werd echter eerst uit Zaandam verdreven.

Amsterdam

Het echtpaar Van Thijn woonde in Amsterdam een tijdje op het J. D. Meijerplein 18 II, bij de weduwe Morpurgo-d’Ancona. Haar man was al in september 1941 omgekomen in Mauthausen. Zij zelf werd op 10 september 1942 met haar 7-jarige zoon in Auschwitz vermoord.

Deportatie

De Duitsers deporteerden Barend (74) en Esther (67) van Thijn in februari 1943 vanuit Westerbork naar Auschwitz-Birkenau. Op 26 februari werden ze direct na aankomst door vergassing omgebracht. Hun zoon Siegmond kwam begin 1944 in Auschwitz terecht, waar men hem voor ‘werk’ selecteerde. Op 26 maart 1944 bezweek hij, 33 jaar oud. Hij stierf in hetzelfde kamp als zijn ouders. Dat gebeurde niet als gevolg van gas, maar onder het motto ‘Arbeit macht frei’ – zoals de poortspreuk van vele concentratiekampen luidde.

Verwanten

Barends broer Abraham van Thijn werd op 15 oktober 1942 in Auschwitz vermoord. Diens zoon Maurits werd op 3 augustus 1942 het slachtoffer van de genocide, drie weken na het begin van de deportaties. Zijn Rotterdamse vrouw Sophie de Vries stierf op 1 september 1942.