Vet (Arnoldus/Nol)

Laatste wijziging:sep 18, 2018 @ 14:18

Gezin Arnoldus (‘Nol’) Vet (Zaandam, 27-1-1883 – Auschwitz, 3-9-1943)1 en Betty (‘Betsie’) Vet-Weinberg (Groningen, 17-10-1886 – Auschwitz, 3-9-1943) met Julie Rika (Zaandam, 17-11-1923 – Sobibor, 4-6-1943)

Arnoldus was de jongste uit het gezin Vet. Hij trok in 1911 met zijn ouders en zijn zuster Susanna van Oostzijde 11 naar een pand aan de Gedempte Gracht 16. Zijn moeder Judith stierf in 1913, vader Salomon in 1917. Op 26 januari 1922 trouwde Nol met Betty Weinberg uit Groningen. Zij was een oudere zuster van Engeltje Weinberg*, die in 1925 de tweede vrouw zou worden van Wolf Vet*. Nol en Betsie kregen in 1923 een dochter, Julie Rika. Allen staan op een groepsfoto van eind jaren ’30. Julie zit gehurkt voor de stoel waarop haar oom Wolf zit. Achter haar staan haar tante, haar ouders en een verkoopster.

Ouders

De ouders van Betty en Engeltje waren borstelmaker Lazarus Weinberg (Groningen, 8-3-1856 – Zaandam, 25-10-1933) en Rebecca Weinberg-de Hes (Hoogeveen, 1859 – Groningen, 9-4-1923). Blijkbaar verhuisde Lazarus na de dood van zijn echtgenote naar zijn dochters in Zaandam.

Winkel

Arnold Vet zette op de Gedempte Gracht de goud- en zilverwinkel Salomon I. Vet voort. Zijn broer had tot 1931 een zaak op de Westzijde. Een goed voorbeeld van hun kunnen is het zilveren miniatuur van graanpakhuis de Korenschoof in Utrecht (1925), gemaakt voor een directeursjubileum bij de gelijknamige meel- en broodfabriek15. In 1932, bij het 100-jarig bestaan van de firma, verrees op Gedempte Gracht 16 een geheel nieuwe zaak. De familie Vet was zeer goed bevriend met het gezin van Jacob Drukker* dat even verderop aan de Gedempte Gracht woonde. Julie Vet en Emanuel Drukker* waren leeftijdsgenoten.

Synagoge

Arnold was in 1940 secretaris van het synagogebestuur onder leiding van voorzitter Jos Pais*. De andere bestuursleden waren Jacob Drukker, Jacob Speijer* en Georg Rosenbaum*. Hij was dat jaar tevens de afgevaardigde naar het Ressort Haarlem, en een van de uiteindelijk tien leden van het comité dat de jubileumviering van de synagoge voorbereidde. De viering van die mijlpaal vond plaats op 21 januari 1940. In het speciale nummer van Joodsch Zaandam blikte de secretaris terug: “Wanneer wij terugzien op hetgeen voor 75 jaar door eenige energieke lieden werd tot stand gebracht, moeten wij respect hebben voor de ondersteuningsgeest en volharding van onze Joodsche ingezetenen (…) Door hun groote werkkracht, gesteund door vele anderen, ja zelfs door vele andersdenkenden, wisten zij dit mooie doel te bereiken.” Een oom van Arnolds vader, Mozes Wolf Vet, was in de jaren voor de nieuwbouw (1862-1865) penningmeester geweest van de synagoge.2

Oorlog

Heere schrijft dat op 18 juli 1940 tussen 22.00 en 23.00 uur de tekst ‘Nederlanders, koopt niet bij Joden’ op de etalage van Vet werd geplakt.3 Een politierapport maakt in ieder geval melding van dit feit aangaande de ruit van winkelierSnoek*, even om de hoek aan de Westzijde, het winkelraam van Drilsma’s* textielzaak op de Damstraat, en de etalage van radiozaak Goudal* hier tegenover op de Gedempte Gracht nr. 7.4 Het ging om bekende winkels in het centrum van Zaandam. De in oktober 1940 als joods geregistreerde winkel van Arnoldus Vet moest, zoals alle joodse ondernemingen, in maart 1941 een niet-joodse bewindvoerder hebben. In augustus diende de welvarende familie alle geldvermogen over te maken naar de Liro-roofbank. Volgens een Duitse inventarisatie uit oktober 1940 telde de onderneming een jaar eerder vijf werknemers en bedroeg de jaaromzet ruim 24.000 gulden.

Lees meer

Schoolverbod

Julie werd op 1 september 1941 schriftelijk de toegang tot het Gemeentelijk Lyceum ontzegd, waar zij naar de zesde klas van het gymnasium zou gaan. Dit was eind juni voorafgegaan door een bericht van de secretaris-generaal van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming aan de schoolautoriteiten waarin hij geruchten over het van school verwijderen van joodse leerlingen die zouden blijven zitten ‘uit de lucht gegrepen’ noemde.5 Inderdaad ging het niet om zittenblijven. Op 19 augustus vroeg de Zaandamse wethouder van onderwijs de hoofden van openbare scholen om opgave van ‘alle Joodse leerlingen die uw school bezoeken, uiterlijk 3 dagen na aanvang van de school’. Dit omdat zij ‘binnenkort naar speciaal voor Joodsche scholen bestemde inrichtingen gaan’ (19 augustus 1941).6 Directeur J. Oosterhuis nam niet de moeite de beslissing persoonlijk aan Julie en haar ouders mee te delen. Schoolvriendin Annie de Beurs bracht Julie vanaf die tijd het huiswerk.

Jodenevacuatie

In de winkel van Nol Vet -die officieel niet meer van hem was- konden joodse Zaandammers vanaf 15 januari 1942 opgeven dat zij door ziekte of invaliditeit niet in staat waren om twee dagen later naar Amsterdam te vertrekken. Ze moesten daartoe een doktersattest meenemen. Ook moesten ze bij Vet melden als zij niet bij familie in de tot ‘Joodsche Wijk’ verklaarde buurten van Amsterdam-Centrum of de Transvaalbuurt zouden gaan wonen. De winkel van Arnold Vet was hiermee een onderafdeling geworden van de Joodsche Raad en het Duitse bestuur (zoals het huis van Georg Rosenbaum aan de Stationsstraat dat voor de Duitse vluchtelingen werd).

Goud en zilver

De Zaandamse oud-Spanjestrijder Jan Hulst vertelde dat het goud en zilver uit de winkel werd overgebracht naar een depot in Leeuwarden.7 Goed bekendstaande Zaanse rechercheurs als Chris Noorman zouden daar bij betrokken zijn geweest. Er bestaat nog een verhaal over de goudvoorraad van Nol Vet. De Zaandijkse SD-medewerker Luwe Muusse verklaarde na de oorlog tijdens een verhoor: “Betreffende het verraad van een hoeveelheid goud, verborgen in de Gereformeerde Kerk Vinkenstraat te Zaandam, toebehorende aan den heer Vet (Jood) (… kan ik verklaren dat dit door den mij bekende Jan Vis uit Zaandijk bij de Centrale Dienstelle für Judische Auslanderunge [sic], Adama van Scheltemaplein te Amsterdam, is aangebracht.” De NSB’er Vis was in 1942 bij hem aan de deur gekomen met de mededeling dat hij van twee Weermacht-leden in Zaandam had vernomen dat zij een hoeveelheid verborgen goud wilden stelen. Muusse: “Vis wilde hen voor zijn en vroeg mij dit zaakje te willen opknappen.” Muusse stuurde naar eigen zeggen Vis door naar de SD. De afloop is onduidelijk. Muusse: “Ik hoorde er niets meer van, totdat ik enige tijd later een voormalige rechercheur van de Zaandamse politie, [de foute Hendrik] van der Kraan sprak, die mij vertelde dat J. Vis het politiekorps van Zaandam erin ‘genaaid’ had, (zoals hij het uitdrukte), omdat Vis bij hen een verborgen hoeveelheid goud te Zaandam had aangegeven, waardoor, in verband daarmede, een politieman uit Zaandam was gearresteerd.” Ook de niet bij naam genoemde dochter van de koster van de Gereformeerde Kerk zou zijn aangehouden.

Inbraak

Wat er in of na de oorlog met het goud en zilver van Vet gebeurde, is niet bekend. Buurman Brandenburg (nummer 18) meldde de politie op 8 maart 1942 ‘dat er vermoedelijk zou zijn ingebroken in het leegstaande huis van den zilversmid Vet’. Het keukenraam was opengebroken. Vijf maanden later bleek het slot van de voordeur te zijn afgehaald en was er aan de achterkant van het pand een ruit ingeslagen. Deze keer kwam de melding van beheerder Jozef Anton Kamps, namens de Duitsche Weermacht.8

Schietwedstrijd

Wrang is dat een van de prijzen voor een schietwedstrijd van datzelfde Duitse bezettingsleger een zilveren schaal was uit het atelier van de firma S.I. Vet. Het elegante en moderne stuk is gehamerd en staat op vier bolpootjes. Het is een goed voorbeeld van hun stijl uit die jaren. De wedstrijd vond in 1941 plaats en de schaal was in 1939 gemaakt door de gebroeders Vet. Een van hun merktekens, S2V, staat onderop de schaal. De Duitse inscriptie ernaast luidt: “Preis-Schiessen, Stab W.Bfh.ndl” (Prijsschieten Staf Bevelhebber Wehrmacht Nederland). Hoe de schaal in het bezit kwam van de hoogste Duitse militair in Nederland, generaal Christiansen, is onbekend.

Kamps
Jozef Kamps, een Rijksduitser die op de Beethovenstraat 17 woonde en als kleermaker werkte, slaagde er op 15-9-1942 in om Gedempte Gracht 16  te kopen van de Niederländische Grundstückverwaltung. Ook enkele andere Zaanse panden die eerder van joodse inwoners waren geweest gingen naar hem over. Voor de winkel van Vet en de achterliggende woning van Engeltje Vet-Weinberg betaalde hij 18.000 gulden. De waarde van het gezamenlijk complex was in juni 1940 getaxeerd op 23.000 gulden. Na de oorlog moest Kamps ‘zijn’ bezit uiteraard weer afstaan en werd hij Nederland uitgezet.

Amsterdam

Nadat Julie Vet met haar ouders naar Amsterdam was gegaan, bezocht Annie de Beurs haar vriendin twee keer. De eerste keer woonde Julie met haar ouders in Nieuw Zuid, de Oude IJsselstraat. Dit huis op nummer 6 was het laatste adres van Arnoldus’ zusters Sara en Susanna. De tweede keer bezocht Annie haar op een zondag in 1943. Julie verbleef toen in het nieuwere joodse getto van Amsterdam, de Transvaalbuurt, vermoedelijk in de Retiefstraat 50 II.9 In de winter van 1943 werden joodse burgers gedwongen naar bepaalde buurten te verhuizen, waaronder met name de Transvaalbuurt.10 In de Retiefstraat nr. 50 II woonde de familie Waterman-de Lara. Begin november 1942 waren zij ‘gehaald’, zodat er ruimte was voor anderen.

Afscheidsbrief

Enige tijd na haar laatste bezoek ontving Annie een brief van haar vriendin. De brief was geschreven op 24 mei 1943, de maandag dat Julie een oproep kreeg voor Duitsland. “Beste Annie, ik heb een heel tijdje weer niets van me laten horen, maar ’t is nu wel heel noodzakelijk want ik heb zojuist vanmorgen een oproep voor Duitsland gekregen”, noteerde Julie. Een dag later moest ze zich melden, met duizenden anderen. Presser11 beschrijft hoe de Joodsche Raad op vrijdag 21 mei het bevel had gekregen zevenduizend personen van het tot dan toe vrijgestelde Joodsche-Raadpersoneel voor vertrek naar Duitsland op te roepen. De gedwongen selectie van deze duizenden door de eigen joodse leiding veroorzaakte een onvoorstelbare verwarring en paniek. Julie schrijft tamelijk rustig over de oproep die ze had gekregen. “Ik moet me morgen melden en hoogstwaarschijnlijk zullen mijn ouders als ze er vandaag geen krijgen, er de volgende week wel een krijgen.”

Razzia

Dat laatste is vermoedelijk niet gebeurd. Julie maakte deel uit van het transport dat op dinsdag 1 juni vanuit Westerbork naar Sobibor ging. Dat vertrok dus acht dagen na haar oproep. Julies ouders zouden vier maanden later naar Auschwitz worden gedeporteerd. Julies brief vervolgt: “Want morgen gaan ongeveer 8000 mensen en volgende week waarschijnlijk wel de rest.” Er kwamen zich op 25 mei op de bij het Muiderpoortstation gelegen Polderweg echter geen zeven- of achtduizend mensen melden, maar veel minder. Dit leidde tot de beruchte razzia van 26 mei in het getto van Amsterdam-Centrum. Daarbij werden drieduizend joden opgepakt. De actie zou op zondag 20 juni in Amsterdam-Oost en Zuid worden afgemaakt (zie Blitz* in Krommenie). Behalve gemengd gehuwden en sommige buitenlandse joden bleven alleen de kern van de Joodsche Raad, houders van de duurste stempels en onderduikers over. Arnold Vet kende de organisatie van de Joodsche Raad goed, nog vanuit Zaandam. Ook is het mogelijk dat hij exclusieve stempels had weten te krijgen. Desondanks kon hij zijn dochter niet redden – wat overigens maar zeer tijdelijk zou zijn geweest.

Kinderverzorgster

Julie Vet schrijft dat zij geen hogere notering had dan die van een ‘eerstejaars kinderverzorgster’. “Je zult waarschijnlijk wel begrijpen dat ik vandaag een beetje krabbel, want het gaat je allemaal niet in je koude kleren zitten. Maar toch ben ik nu ik er voor sta wel een beetje flink, mijn moeder is zenuwachtiger dan ik.” Misschien wist haar moeder dat ze van elkaar gescheiden zouden worden. Dat Julie ook het een en ander wist, blijkt uit haar brief: “Ik ben er niet eens zo erg van geschrokken dat ik een oproep gekregen heb, want ik had me er al op voorbereid toen ik gister van een kennis hoorde dat de lijsten naar belangrijkheid geschrapt waren. Toen wist ik wel dat het niet anders kon dat de eerstejaars geschrapt waren.” Julie was eerstejaars verzorgster in een tehuis voor joodse kinderen.12 Zij moest er vaak op zondag werken. In dergelijke huizen stonden veel joden als werknemers ingeschreven, om zo aan deportatie te kunnen ontkomen. Presser rekent voor dat de verhouding verzorg(st)er-verzorgde in Amsterdamse tehuizen rond december 1942 één op twee was.13 Julie Vet had dus een stempel van de Joodsche Raad.

Sobibor

Blijkens haar brief aan Annie de Beurs was Julie Rika van plan zich met haar oproep te melden. Ze werd dus vermoedelijk niet opgepakt gedurende de razzia van 26 mei in Amsterdam-Centrum, die volgens Saul Smit* dertig Zaanse slachtoffers maakte. Julie: “Ik hoop niet, dat jij of je ouders ooit voor de arbeidsinzet naar D. hoeven, want een pretje lijkt het me niet bepaald. De familie Drukker is al sinds verleden week Donderdag weg.” Met de familie Drukker bedoelt ze het oudere kostersechtpaar van het Hazepad. Zij werden vier dagen eerder opgeroepen (zie de brief vanAbraham Drukker*). De familie Vet was intussen bezig dikke kleding te naaien, omdat men rekening hield met tewerkstelling in de zilvermijnen van Polen.14 “Nu Annie, doe de groeten van mij aan al mijn kennissen en vooral ook voor je ouders. Ik wens je het allerbeste en we zullen maar hopen dat we elkaar spoedig weer in vrede zullen ontmoeten”, besluit Julie in het afscheid van haar vriendin. Zeker is dat ze in de trein van 1 juni 1943 naar Polen werd vervoerd. In dat transport werden ruim drieduizend mensen vervoerd. Op 4-6-1943 werd Julie omgebracht in Sobibor. Het was de dag met het grootste aantal Zaanse slachtoffers. Julie Rika Vet werd 19 jaar oud.

Auschwitz

Nol (60) en Betsie (56) Vet moesten drie maanden na het verdwijnen van hun dochter naar Westerbork. De periode-Sobibor was toen al voorbij. Zij kwamen in hetzelfde transport naar Auschwitz terecht als Iris* en Leonie Eisendrath*, die illegaal in de Dintelstraat hadden gewoond. Onmiddellijk na hun aankomst op 3-9-1943 werd het echtpaar Vet door vergassing om het leven gebracht.

Verwanten

Op 2 juli werd Sara van Thijn-Vet (75), een tante van Julie, in Sobibor vergast. Op 9-7-1943 volgden haar dochter Gontje van Thijn (45) en haar man. Betsies zuster Engeltje Vet-Weinberg* werd op 28-1-1944 in Auschwitz omgebracht, Nols zuster Susanna Vet 13-11-1942.