Wohlfarth-Katz (Helene)

Laatste wijziging: 6 mei 2016

Gezin Helene Hertha Wohlfarth-Katz (Offenbach, Duitsland, 14-4-1909) en Siegfried Wohlfarth (Bad Homburg, Duitsland, 26-3-1904 – Stutthof, 1 of 5-12-1944) met Doris Ruth (‘Dodo’) Wohlfarth (Amsterdam, 28-10-1937 – Illinois, 29-10-2007)1

Er is wat verwarring over de achternaam van moeder en dochter. In het boek Rechtvaardigen onder de volkeren wordt gemeld dat Helene voor de oorlog de naam Kuperman droeg en erna Waterford, de achternaam van haar toenmalige echtgenoot. Maar al op 4 mei 1933 trouwde ze in Frankfurt an der Main met de accountant/muziekrecensent Siegfried Wohlfarth. In 1934 verliet het echtpaar Duitsland. Ze werden op 12 juli van dat jaar ingeschreven bij de Vreemdelingendienst in Amsterdam, de stad waar ze zich ook vestigden. Hun eerste adres werd de Herculesstraat 15 I en vervolgens kwamen ze terecht op nummer 3 II, waar dochter Doris drie jaar later ter wereld kwam. Zij droeg bij haar overlijden in 2007 de naam Kuperman. Toen het gezin medio 1942 de order kreeg om zich te melden voor het ‘werkkamp’ besloten ze onder te duiken. Vermoedelijk werd daarbij door zowel Helene en Doris als door Siegfried de naam Kuperman gebruikt. Het voorgaande jaar hadden haar ouders Doris proberen voor te bereiden op een afzonderlijke onderduikperiode door haar zo weinig mogelijk affectie te tonen, opdat ze haar ouders niet te veel zou gaan missen.

Ellen Schwarzschild

Op 6 juli 1942 schreef een joodse vriendin van de Wohlfarths, Ellen Schwarzschild, ’s avonds in haar dagboek: “Ik ben toch zo bang. Sinds gisteren worden per dag 800 joden opgeroepen om in Duitsland te werken. (…) Het ergste vind ik, dat het echtpaar Wohlfarth zich moet melden. Gisteren was ik nog met haar [Hertha] in Asterdorp.” Asterdorp was een Amsterdamse wijk voor ‘a-socialen’ waarnaar Duitse joden uit het Gooi waren verbannen. Op 15 juli schreef Schwarzschild: “Het meest bezorgd ben ik nu voor de Wohlfarths. Hij ligt in het ziekenhuis, is geopereerd. Ze hebben uitstel.” Om tijd te winnen had Siegfried zijn blindedarm laten verwijderen. Op 11 augustus 1942 noteerde Schwarzschild in haar dagboek: “Het meeste vrees ik voor W. [de familie Wohlfarth], ze hebben uitstel tot eind augustus, maar wat dan gebeurt weet geen mens. Zij werkt wel allang in een rusthuis, maar als ze zo worden opgepakt, geloof ik niet, dat het iets helpt.”

Haarlem

Het gezin Wohlfarth dook in november 1942 in eerste instantie onder in Haarlem. Hun eigendommen werden ondergebracht bij Amsterdamse kennissen, Abe en Bep Reusink. Timmerman Abe vervaardigde onder de vloer en achter enkele muren van zijn woning bergplaatsen voor de waardevolle bezittingen van de Kupermans en een andere joodse familie. Het echtpaar Wohlfarth had zoveel vertrouwen in de Reusinks dat zij Abe benoemden tot voogd over hun dochter Doris, in het geval zij de oorlog niet zouden overleven.

Gescheiden

Na korte tijd was het nodig om het gezin Kuperman/Wohlfarth te scheiden en begin oktober 1942 werd Doris in Krommenie ondergebracht bij fabrieksarbeider Dirk de Boer (Krommenie, 30-8-1908) en zijn echtgenote Stijntje de Boer-Vis (Diemen, 17-2-1908). Ze woonden op de Militaireweg 77 en waren de zus en zwager van de Amstelveense verzetsstrijder Jo Vis, die tot aan zijn arrestatie in november 1943 voor het gezin Wohlfarth schuilplaatsen wist te regelen. Vader en moeder Wohlfarth vonden onderdak bij het gezin van bankwerker Pieter (‘Piet’) Tjeertes en Margaretha Flora (‘Gré’) Tjeertes-Smit in Zaandam.

Jo Vis

Ellen Schwarzschild schreef in 1943 over het verblijf van de Wohlfarths in Zaandam: “Omstreeks half oktober van het vorige jaar (1942) stond er op een ochtend -moeder en ik waren alleen thuis- een grote blonde man voor onze deur. Hij introduceerde zich met: ‘Ik ben Jo en ik kom U de groeten brengen van de familie Wohlfarth.’ Het rustige en bescheiden voorkomen van de onbekende deed moeder geen ogenblik aarzelen hem binnen te halen. Hij vertelde dat de familie W. door zijn bemiddeling was ondergedoken. Hertha en Siegfried ‘opgesloten’ in een kleine kamer, Doris opgenomen in een gezin. (Veel later pas hoorden wij, dat Jo’s zuster en zwager in de Zaanstreek, zelf kinderloos, Doris, die toen net zes jaar was geworden, als hun kind hadden aangenomen). Om het afgesloten zijn van de buitenwereld een beetje te doorbreken wilde Hertha -nu Len- met mij corresponderen. Hij vond dat te gevaarlijk over de post (briefgeheim bestond niet meer) en had daarom aangeboden om als postiljon te fungeren. (…) Vanaf die tijd verscheen hij bijna elke maand om een brief van Len aan mij ‘in te wisselen’ voor een brief van mij aan Len.”

Lees meer

Echtpaar Tjeertes

Het echtpaar Tjeertes woonde aan de Poortstraat 6. Jo Vis vroeg het echtpaar Tjeertes vaker om ‘voor een paar dagen’ joden te herbergen. Meestal werden het meerdere maanden. In Rechtvaardigen onder de Volkeren wordt het volgende beeld geschetst. Toen de heer en mevrouw Wohlfarth kwamen, maakten Pieter en Margaretha onmiddellijk plaats in hun bescheiden Zaandamse huis. Daar woonden ze al met hun twee kinderen, maar ze haalden eenvoudigweg de matras van hun eigen bed en legden dat in de hal. Het was de enige plek waar nog ruimte was. Het echtpaar Wohlfarth las op hun onderduikadres het illegale Parool en vertaalde stukken in het Duits. Op 31-7-1945 schreef de Zaanse verzetsman Marinus Hille, die eerder ook binnen de Parool-groep actief was: “Hierbij verklaar ik dat het mij bekend is dat Mevr. L. Wohlfarth ten eerste gedurende enige jaren moiest onderduiken en ten tweede dat zij gedurende deze periode belangrijk illegaal werk heeft verricht; vooral voor de ondergrondsche pers is zij ijverig werkzaam geweest.”

Parallel journeys

In het boek Parallel journeys citeert schrijfster Eleanor Ayer Helene enkele malen, zoals bijvoorbeeld over de huisvesting bij hun onderdakgevers: “Het huis van de Tjeertes’ was klein, nauwelijks groot genoeg voor Piet en Gre en hun twee baby’s. Ze hadden geen aparte kamer of extra bed, maar gaven ons hun matras, aangezien ons beddengoed nog steeds op het eerste adres was. De hartelijke Tjeertes’ sliepen op de springveren, terwijl wij buiten hun slaapkamer op de vloer sliepen, de ruimte delend met zakken aardappelen en uien. We bleven ruim drie maanden bij ze, ons generend voor het ongemak dat we veroorzaakten.”

Operatie

Toen Stijntje de Boer in het ziekenhuis voor een operatie moest ondergaan, kwam ook Doris naar het echtpaar Tjeertes. Na Stijntjes herstel kon dochter Dodo terug naar Krommenie. Helene: “Uiteindelijk werd er voor ons een grotere schuilplaats gevonden in de mooie oude stad Haarlem.” Tussen juni 1943 en augustus 1944 zaten Helene en Siegfried daar ondergedoken. Helene: “Onze gastvrouw, die ‘mevrouwtje’ genoemd werd, sliep op de eerste verdieping. Ze verhuurde de tweede verdieping aan een naaister, Gre Driessen, en haar bejaarde moeder. De zolder had twee slaapkamers, een voor mevrouwtjes drie tienerdochters en de kleinere voor ons. Ons huis had een raam aan de straatkant, maar het werd ons nooit toegestaan om dat te openen. Mevrouwtje kookte alle maaltijden, die we boven opaten, omdat er altijd iemand kon binnenlopen.” Ze werden er met voedselbonnen, lectuur en morele steun bijgestaan door Rinus Hille, de latere burgemeester van Wormerveer en een vriend van Jo Vis. De onderduik werd verder gefinancierd met de verkoop van de juwelen en sieraden van Helene, een taak die Abe en Bep Reusink op zich namen.

Arrestatie

Beide ouders werden op 25 augustus 1944 gearresteerd. Helene: “Vier mannen in burgerkleding kwamen ’s morgens naar ons schuiladres. Twee van hen waren Duitse Gestapo-officieren en er waren twee Nederlandse politiemannen die voor de Gestapo werkten. Ze zeiden dat ze opdracht hadden om ons te arresteren. De mannen doorzochten onze bezittingen en opperden dat we wat warme kleding moesten meenemen, omdat de plek waar we heen zouden gaan koud was. Verder zoekend vonden ze een foto van Doris. ‘Als dit jullie kind is, of als jullie meer kinderen verborgen hebben’, zeiden ze, ‘adviseren we om hen mee te nemen. Jullie gaan naar een familiekamp, en terwijl jullie aan het werk zijn zal er voor de kinderen gezorgd worden’. We geloofden geen woord van wat deze man zei. Later vernamen we dat er kopgeld werd betaald voor elke jood. We antwoordden niet toen ze naar ons kind vroegen. Ook namen we geen extra kleding mee. Waar we ook heen zouden gaan, we zouden altijd hopen op een kans om te ontsnappen. Op weg naar beneden, naar de auto, kuste ik Gre vaarwel en drukte haar een speld in de hand in de vorm van een koraaltak. Het was een gift van mijn schoonmoeder, aan haar gegeven door haar echtgenoot. Vreemd genoeg waren mevrouwtje en de meisjes nergens te zien.”

Auschwitz

Na een week in Westerbork te hebben vastgezeten, zetten de Duitsers het echtpaar Wohlfarth op de trein naar Auschwitz. Het was 3 september 1944. Vastbesloten om de nazi’s niet meer te gunnen dan zijn lichaam, wierp Siegfried zijn geld onderweg uit de trein. In Auschwitz werd het echtpaar gescheiden. Siegfried werd doorgevoerd naar het concentratiekamp in Stutthof, waar hij vermoedelijk -de genoemde data verschillen- op 1 of 5 december 1944 stierf. Helene, die dwangarbeid moest verrichten in de fabriek van I.G. Farben, maakte op 9 mei 1945 de bevrijding mee in het Tsjechische concentratiekamp Kratzau. Ze werd vervolgens herenigd met haar dochter. Na de oorlog nam het echtpaar Reusink de zorg op zich voor Helene en Doris. In 1947 emigreerden moeder en dochter naar de Verenigde Staten.

Voetnoten

1 Rechtvaardigen onder de Volkeren; De Typhoon, 5-5-1970; www.ushmm.org; www.familysearch.org; www.joodsmonument.nl; www.ogs.nl; Schwarzschild, E. Niet lesen Als ’t U blieft Nicht lesen bitte. Onuitwisbare herinneringen (1933-1943); GAA-Gezinskaart; Informatie van F. Tjeertes (27-8-2012); Ayer, E. Parallel journeys; Nationaal Archief, NBI-dossier